1/53
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
transcriptie (wat, waar + namen 3 fases)
mRNA kopie wordt van de DNA-sequentie gemaakt in de celkern (DNA kan celkern niet verlaten, mRNA wel)
initiatie
elongatie
terminatie
transcriptie-initiatie
RNA-polymerase herkent promotor aan 5’ kant van de gen. Dit is een startsequentie van basen waar de mRNA keten zal ontstaan. Deze promotor is verschillend voor elk gen
RNA-pol. bindt en breekt plaatselijk de waterstofbruggen zodat er tijdelijk enkelstrengig voorbeeld DNA ontstaat
coderende streng die vertaald wordt in RNA
voorbeeldstreng: de complementarie streng die RNA zal gebruiken om de complementaire basensequentie te bouwen
transcriptie-elongatie
RNA - pol. leest nucleotide per nucleotide af, bouwt mRNA complementair aan voorbeeldstreng zodat dit van 5’ → 3’ uiteinde gevormd kan worden
RNA -transcript bevat dezelfde info als coderende streng.
zelfde bouw enkel thymine vervangen door uracil (want RNA vs DNA)
transcriptie-terminatie
RNA-pol bereikt terminatiesequentie: signaleert dat RNA-transcript volledig is
komt los van RNA-polymerase
pre-mRNA
transcript voor een gen dat codeerd voor een eiwit
bacteriën: wordt direct als mRNA gebruikt
eukaryoten: moet nog door verwerkingsprocessen voor het naar translatie kan
gefragmenteert: bestaat uit intronen (niet-coderend) en exonen (wel coderend voor aminozuur)
capping en poly-a-staart
pre-mRNA krijgt 5’ cap van aangepaste guanine en een staart van poly-adenine. Deze aanpassingen verhogen de stabiliteit en vermijden afbraak van het mRNA
splicing
intronen uit pre-mRNA weggeknipt zodat deze niet in aminozuur worden omgezet en fouten in de polypeptiden veroorzaken
enkel exonen (coderende stukken) blijven over → matuur mRNA gevormd met 5’-cap, poly-a-staart en enkel exonen dat naar translatie kan
genregulatie
proces dat genen aan of uit zet
expressie elk gen apart gereguleerd
enkel transcriptie van relevante genen
zowel pro- als eukaryoten
genregulatie prokaryoten
voordeel halen uit veranderende omgeving
operons in circulair DNA in hun cytoplasma
Lac-operon
in e.coli bacterie
reguleert de synthese van enzymen om lactose af te breken en te gebruiken als voeding
enkel tot expressie wanneer lactose in omgeving is
operons
verzameling genen die samen gereguleerd worden
bestaat uit
genen: coderende DNA-sequenties eiwitten
promotor: plaats waar transcriptie start (DNA-polymerase kan binde)
operator: tussen genen en promotor, plaats waar operator eiwit kan binden
eiwit zal transcriptie genen in operon reguleren - eiwit zelf gecodeerd door regulator gen
regulator gen
niet in operon zelf - andere plaats chromosoom
repressie lac-operon
lactose afwezig
transcriptie regulatorgen
mRNA → translatie → regulator eiwit
lac-operon: repressor-eiwit
bindt op operator-regio
blokkade voor RNA-polymerase (zit gebonden op promotor)
zal geen transcriptie genen kunnen uitvoeren
geen mRNA genen gevormd → genen uitgeschakeld (=repressie)
inductie lac-operon
wel lactose aanwezig
repressor-eiwit gevormd uit regulatorgen door transcriptie en translatie
lactose bindt op repressor-eiwit
veranderd van vorm, kan niet meer bindne met regulator
lactose = inductor, maakt repressor onbruikbaar
RNA-pol gebonden op promotor niet geblokkeerd → transcritptie en translatie kan plaatsvinden → enzymen die lactose afbreken gevormd
genen aangeschakeld (= inductie)
eukaryote genregulatie
enkel genen overgeschreven waarvan eiwitten nodig zijn
aantal mRNA’s overgeschreven verschilt gen tot gen
afh. van verschillende factoren
beschikbaarheid van gen voor transcriptie beïnvloedt door hoe sterk DNA ingepakt is in chromatine-streng
weefselspecifieke transcriptie
veel genen moeten aanstaan in ene orgaan, uit in ander
bv. in huidcel moeten uidspecfieke genen tot expressie komen maar leverspecifieke niet en omgekeerd
naast transcriptie ook tijdens:
nabewerking mRNA
transport mRNA doorheen kernmembraan
translatie
modifciatie eiwit na translatie
transcriptiefactoren
regelen mee transcriptie - helpen bepalen welke genen actief zijn in elke cel van lichaam
binden aan DNA bij specifieke doelwitsequenties promotor
eens gebonden; maken makkelijker of moeilijker voor RNA-pol. om te binden aan promotor
activatoren: transcriptiefactoren die transcriptie vergemakkelijken - helpen bv. rna pol of algmene transcriptiefactoren om aan promotor te binden
repressoren; onderdrukken transcriptie - binden bv ter hoogte van bindingsplaats op promotor waardoor transcr verhinderd wordt
RNA-polymerase: moet binden op promor gen om transcriptie te kunnen laten plaatsvinden, kan enkel in aanwezigheid van:
algmene transcriptiefactoren: noodzakelijk transcriptie elk gen
specifiek etrnascriptiefactoren: controleert expressie specifieke individuele genen
enhancers en silencers
bindingsplaatsen transcriptiefactoren ver weg van gen → dna ‘buigt’
enhancers: activator bindingsplaats op afstand
silencers: repressors op afstand
bouw mRNA voor translatie
opgebouwd uit codons of triplets van 3 nucleotiden
startcodon AUG: bepaald leesraam van mRNA zodat de juiste 3 letters samenkomen en juiste aminozuren gevormd worden. Codeert zelf voor methionine
coderende codons: bevat info die afgelezen wordt en 1 aminozuur vormt
stopcodon: UAG/UAA/UGA 1 van de drie initieert einde van de polypeptideketens, coderen niet zelf voor aminozuur
de genetische code
relatie tussen codons en hun aminozuren plus de start en stop signalen, weergegeven in tabel.
gedegenereerd: 64 codons coderen voor 20 aminozuren en 3 stopcodons → meerdere codons coderen voor 1 aminozuur
universeel: in alle organismen coderen dezelfde codons voor dezelfde aminozuren
transfer-RNA
klaverbladvormige RNA-enkelstreng
op 4 plaatsen complementaire basevolgorden → basenparing
niet-gepaarde delen: 3 lussen + 1 vrij uiteinde aan het 3’ einde tRNA (= acceptorplaats aminozuur)
lus 2: complementair triplet aan codon op het mRNA (= anticodon) dus ook complementair met code voor aminozuur
in werkelijkheid opgevouwen dus klaverbladstructuur niet zo duidelijk
het ribosoom
bestaat uit grote en kleine subeenheid die pas samenkomen voor translatie
Grote ribosoom: P en A bindplaats voor tRNA
in cytosol en endoplasmatisch reticulum
translatie-initiatie
mRNA bindt met kleine ribosomale eenheid bij startcodon
methionine tRNA met aminozuur eraan komt tegenover initiatie codon (AUG)
beide subeenheden ribosoom komen samen
mRNA ingesloten
tRNA correct gesitueerd op p-bindingsplaats grote subeeheid
translatie-elongatie
tRNA dat overeenkomt met tweede codon bindt op A bindplaats van grote subeenheid ribosoom
adhv peptidyltransferase wordt methiodine losgekoppeld van tRNA 1 en gebonden aan het aminozuur op het tRNA op A-plaats
ribosoom schuift 1 triplet op langs mRNA → tRNA van A plaats met 2 gebonden aminozurgen gaat naar P plaats. 3e tRNA komt op A plaats, adhv peptidyltransferase wordt eerder gevormde dipeptide gebonden aan dit aminozuur
proces herhaalt
tRNA die aminozuur hebben afgegeven worden gerecycleert en opgeladen met hun bijhorende aminozuur
translatie-terminatie
translatie stopt wanneer mRNA met stopcode tegenover A plaats ligt
releasefactor zorgt voor loskoppeling polypeptide van laatste tRNA en uit elkaar gaan van ribosoom units
polypeptide wordt in juiste vorm gevouwen en wordt gebruikt als eiwit
post-translationele modificaties cellen cytoplasma
geovrmd door ribosomen in het cytoplasma
opgevouwen maar niet verder gemodificeerd
post-translationele modificaties eiwitten voor lysosomen, transmembraaneiwitten, secretie buiten de cel
Endoplasmatisch reticulum
eiwitten gevormd via ribosomen aan opp. RER
tijdens translatie: polypeptideketen naar lumen ER, kan verschillende enzymatische weizigingen of post-translationele weizigingen ondergaan
binden suikerketens of fosfaatgroepen
opvouwing tot juiste 3D structuur
vanuit ER → golgi apparaat via vesikels
of in ER blijven indien daar nodig
Golgi-apparaat
vesikels komen aan in cis-zijde
verdere modificatie in lumen golgi-apparaat
suikerketens toegevoegd of verwijderd
gemodificeerde cellen gesorteerd per eindbestemming en samengepakt in vesikels
vertrekken vanuit trans-zijde naar bestemming
lisosomen, plasmamembraan, buiten de cel voor secretie, binnen golgi-apparaat indien daar nodig
cellen die veel eiwitten secreteren (kliercellen, immuuncellen die antilichamen aanmaken) hebben uitgebreid RER en golgi-apparaat
post-translationele modificaties
modificaties die na de translatie gebeuren. dit zorgt ervoor dat er uit 1 polypeptideketen verschillende eiwitproducten kunnen gevordm worden
germinale mutaties
mutatie in gameet → in elke cel van het organisme
ook in voortplantingscellen → erfelijke mutatie
somatische mutatie
ontstaat tijdens het leven → in beperkt aantal cellen vh organisme
bv. kanker - niet in de gameten → niet erfelijk
genoommutaties
verschil in aantal chormosomen
bv. trisomie 21 of turner syndroom
tijdens meiose 1
non disjunctie: chromosomenaantal verkeerd verdeeld
2 homologe chromosomen in 1 dochtercel
meiose 2: zusterchromatiden verdeeld onder dochtercellen.
eindresultaat: 2 zygotes met monosomie, 2 met trisomie
tijdens meiose 2
non-disjunctie tijdens meiose 2 → 2 zusterchromatieden in dezelfde dochtercel
resultaat: 1 zygote monosomie, 1 trisomie, 2 normaal
genoommutaties: polyploïdie
tijdens meiose 1 gaat er vanalles fout waardoor er non-disjunctie plaatsvindt voor alle chromosomen tegelijk. Eindresultaat 2 diploïde dochtercellen die na versmelting met een normale gameet elk een triploïde cel vormen.
→ maar 2 ipv 4 dochtercellen die elk 3n hebben
→ lethaal voor de mens, kan wel bij planten voorkomen
chromosoommutaties (wat + 4 soorten)
verandering in de structuur van de chromosomen
deletie
deel van het chromosoom valt weg. Meestal uiteinde, kan ook dubbele breuk zijn waardoor een middenstuk wegvalt
inversie
dubbele breuk in het midden vh chromosoom, stuk wordt er ondersteboven weer in geplaatst
duplicatie
deel van het choromsoom wordt dubbel gekopieërd, bv. lange repetitieve sequentie
translocatie
2 niet-homologe chromosomen hebben tegelijk een breuk en de stukken worden er bij het foute chromosoom weer aan geplakt
genmutaties (wat)
mutaties op niveau van individuele nucleotiden
invloed op 1 gen
puntmutatie: 1 enkele nucleotide weizigt
vaak invloed op leesraam
indien verschuiving invloed op alle eiwitten die ontstaan
3 mogelijke leesramen → 3 verschillende eiwitsequenties
Genmutaties (4 soorten)
deletie
1 of meerdere basenparen vlalen weg
sequentie veranderd → verschuiving v/h leesraam
soms vroegtijdig stopcodon gevormd → polypeptideketen te vroeg afgebroken
insertie
extra basenpaar toegevoegd → ander codon gevormd
verschuiving v/h leesraam
substitutie: basenparen vervangen
soms geen invloed → meerdere codons coderen voor hetzelfde aminozuur
transversie
omkering van het basenpaar (AT → TA)
invloed op 1 enkel eiwit
transitie
1 basenpaar vervangen door een ander
invloed op 1 enkel eiwit
stille mutaties
mutatie leidt tot codon dat voor hetzelfde aminozuur codeert dankzij de degeneratie van de genetische code
→ geen invloed op het proteïne
missense mutaties
mutatie leidt tot een ander aminozuur → invloed op 3D structuur en functie van een proteïne. Effect afhankelijk van plaats mutatie en welke aminozuren
missense mutatie: verliesmutatie
verlies of verstoring van functie eiwit bv. verstoring vouwing of stabiliteit
bv. enzym kan door mutatie niet meer binden met zijn substraat
bv. sikkelcelannemie
puntmutatie in hemoglobinegen: ipv glutaminezur wrodt valine aangemaakt → sikkelvormige rode bloedcellen eliden tot verstopping van het bloedvat met pijnlijke crisis en schade aan organen tot gevolg. Maar ook resistent tegen malaria
missense mutatie: winstmutatie
nieuwe of verbeterde functie → drijvende kracht voor evolutie
bv. bacteriën ontwikkelen resistentie tegen antibiotica dankzij mutaties in enzymen dat deze antibiotica kunnen afbreken
missense mutatie: neutrale mutatie
mutatie leidt tot incorporatie van aminozuur met geljkaardige eigenschappen als oorspronkelijke aminozuur → geen effect op proteïne
nonsense mutatie
stopcodon wordt geïncorporeerd in plaats van aminozuur
verkort proteïne dat meestal niet functioneel is (verlismutatie)
in uitzonderlijke gevallen winstmutatie
bv. taaislijmziekte
ontstaat o.a. door mutatie in CFTN gen (codeert voor chloride transporters). Verkort CFTR proteïne → verstoring van de slijmfunctie
frameshift mutaties
veroorzaken verschuiving in het leesraam door deleties of inserties die geen veelvoud zijn van drie
meestal niet funcitoneel proteïne
andere codons downstream van mutatie
bv. ziekte van Tay-Sachs
insertie 4 basenparen in hexagen → frameshift → ophoping van een stof in de hersenen → ernstige neurologische schade
multifactoriële kenmerken
kenmerken die beïnvloedt worden door zowel nature (genetische factoren die invloed hebben op fenotype) als nurture (omgevingsfactoren die invloed hebben op fenotype)
nature vs nurture kenmerken
Nature
genetische aanleg voor iets
bv. ACTN3 gen zorgt voor snel samentrekkende spiervezels met inlvoe dop krachtig een explosieve bewegingen
vergroot talent in snelle contractie zoals gewichtheffen
Nurture
omgevingsfactoren die een kenmerk verstekren of juist niet
bv. als sport thuis belangrijk is en er gezonde voeding is heb je meer kans om je talent in sport te ontwikkelen
modificaties
verandering van het fenotype zonder een verandering van het genotype
vaak tijdelijk of locatiegebonden en niet overerfbaar
bv. verschillende bladvormen van een plant afhankelijk van of het in een zonnige of schaduwrijke omgeving groeit
bv. aanmaak van melatonine in onze huid die ons doet bruinen wat de schade van uv aan ons dna verhindert
epigenetische modificaties
modificaties die wel overdraagbaar zijn, bestudeerd op vlak van epigenetica
omgevingsfactoren beïnvloeden genexpressie zonder dna-sequentie te veranderen
chemische veranderingen op DNA of histonen hebben invloed op al dan niet actief zijn van een gen
epigenetische modificaties: chromatine
epigenetische modificaties bepalen mee hoe sterk DNA opgerold is
euchromatine (niet hard opgerold): DNA beschikbaar voor enzymen van de transcriptie → genen aan
heterochromatine (wle hard opgerold): DNA niet bereikbaar voor transcriptie → genen staan uit
epigenetische modificaties op histonen
histonen hebben lange staarten waarop chemische modificaties kunnen plaatsvinden
verschillende groepen binden, histoncode = geheel aan chemische veranderingen
acetyl, methyl en fosfaatgroepen
invloed op hoe sterk DNA gebonden zit rond histonen
histonacetylase
bindt acetyl aan histonen
losse chromatineketen euchromatine
genen staan aan
histondeacetylase
acetyl verwijdren van histonen
heterochromatine = vast gebonden
genen uit
DNA-methylase
methyl bindt op de base cytosine adhv dna-methyltransferase
meestal op cytosine die gevolgd wordt door guanine → CpG-dinucleotide
vaak hoge frequenties rond promotor regio’s van de genen
binding van de methylgroepen vrhindert binding van de transcriptiefactoren
onderdrukking gen-expressie
bv. in bepaalde cellen of tijdens bepaalde fasen van de ontwikkeling
barr-lichaampje
een van de X-chromosomen van de vrouw wordt uitgeschakeld om te voorkomen dat ze alle eiwitten op x choromosoom dubbel zo veel als man produceren
inactief x-chromosoom = barr lichaampje
geïnactiveerd adhv DNA-methylatie
epigenetische overerving
Mitose
Moedercel geeft het methyleringspatroon van het DNA door aan haar dochtercellen
Meiose
worden doorgegeven aan nakomelingen
levensstijl en omgevingsfactoren ouders hebben invloed op gezondheid van latere generaties
epigenetische overerving: hongersnood hongerwinter WOII
Nederland na WOII: grote hongersnood. Veel zwangere vrouwen ook voedseltekort, grootschalig onderzoek gedaan naar effect op embryo en verdere nakomelingen
resultaat: verhoogd risico op
diabetes type II
obesitas
hart en vaatziekten
psychische aandoeningen
DNA-methylering van genen met betrekking op groei en metabolisme, lichaam slaat energie anders op
ook doorgegeven aan kleinkinderen: erven hetzelfde DNA-methyleringspatroon zonder zelf blotgesteld te zijn aan de hongersnood
epigenetische therapieën
epigenetische veranderingen zijn omkeerbaar → toekomst voor therapie
bv. DNA-methylatie indicatoren en histon D asethylaseremmers voor kankerbehandelingen