1/27
Deze flashcards bevatten belangrijke termen en definities met betrekking tot histologie en microscopie, gebaseerd op de aantekeningen van de student.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Lichtmicroscopie
Een fundamentele techniek om cellen, weefsels en micro-organismen te visualiseren door gebruik te maken van zichtbaar licht. Het biedt een vergroot beeld van biologische structuren, met een maximale resolutie van ongeveer 0.2μm, en wordt breed toegepast voor routine diagnostiek en onderwijs.
Elektronenmicroscopie
Een geavanceerde microscopietechniek die elektronenbundels in plaats van licht gebruikt om ultra-hogedetailbeelden van cellen en weefsels te creëren. Dit maakt een veel hogere resolutie (tot wel 0.1−0.2 nm) en sterkere vergroting mogelijk dan lichtmicroscopie, essentieel voor het bestuderen van ultrastructuren, zoals organellen en macromoleculaire complexen. Er zijn twee hoofdtypes: Transmissie Elektronenmicroscopie (TEM) voor interne structuren en Scanning Elektronenmicroscopie (SEM) voor oppervlaktestructuren.
Histologie
= studie van microscopische structuur van biologisch materiaal en de manieren waarin individuele componenten structureel en functioneel gerelateerd zijn
Soorten weefsels
4 soorten: bind-, eptiheel-, zenuw- en spierweefsel
Bindweefsel = produceren extracellulaire matrix + weefsels koppelen
Epitheelweefsel = oppervlakte bedekken, lichaamsholten lijnen of vaste klieren vormen
Spierweefsel = contractie-eigenschappen
Zenuweefsel = vormen zenuwen, ruggenmerg of hersenen
Virchow's theorie
Deze theorie benadrukt dat de cel de basis bouwsteen en reproductieve eenheid is van levende organismen, en vormt een hoeksteen van de moderne biologie en geneeskunde.
Soorten cellen
Eptiheelcellen, steuncelen, contractie cellen, zenuwcellen, kiemcellen, bloedcellen, immuuncellen en hormoonproducerende cellen
Bindweefsel
Een divers weefseltype dat de verbinding, steun en bescherming biedt tussen en aan verschillende gespecialiseerde weefsels en organen in het lichaam. Het bestaat uit cellen (bijv. fibroblasten), extracellulaire vezels (bijv. collageen, elastine) en een grondsubstantie, die samen een structuur vormen die varieert van los en flexibel tot dicht en sterk.
Cytologie
De analyse van de fijne structuur van individuele cellen, vaak door middel van lichtmicroscopie, om hun morfologie, functie en pathologische veranderingen te bestuderen.
Immunohistochemie
Een krachtige histologische techniek die antilichamen gebruikt om specifiek de aanwezigheid en lokalisatie van specifieke eiwitten (antigenen) in weefselcoupes of celpreparaten te detecteren. Door de antilichamen te markeren met een fluorescerende kleurstof of een enzym dat een kleurstof produceert, kunnen de doelproteïnen zichtbaar worden gemaakt onder de microscoop, cruciaal voor diagnostiek en onderzoek.
Fixatief
Een chemische oplossing die wordt gebruikt om biologisch weefsel snel te conserveren na verwijdering uit het lichaam. Het voorkomt autolyse (zelfvertering) en bacteriële afbraak, stabiliseert eiwitten en behoudt de cellulaire en weefselstructuur zo natuurgetrouw mogelijk voor verdere microscopische analyse.
Bijvoorbeeld: alcohol, glutaraldehyde
Paraffine-inbedding
Een standaard en cruciale methode voor de voorbereiding van weefsel voor lichtmicroscopisch onderzoek. Het proces omvat het gefixeerde weefsel eerst volledig te dehydrateren (water vervangen door alcoholen), dan 'clearing' (alcohol vervangen door een oplosmiddel zoals xyleen), gevolgd door infiltratie met en inbedding in vloeibare paraffine. Na afkoeling stolt de paraffine tot een stevig blok, waardoor het mogelijk wordt om extreem dunne en uniform georiënteerde coupes te snijden.
Histochemisch
Een methode die chemische reacties in situ (op de plaats) gebruikt om specifieke chemische componenten in weefsels en cellen te detecteren en te visualiseren onder de microscoop. Het combineert de chemie met histologie om bijvoorbeeld enzymactiviteit, lipiden, koolhydraten of nucleïnezuren te lokaliseren gebaseerd op hun unieke chemische eigenschappen.
Dunne coupes
Extreem dunne sneden van biologisch weefsel, meestal tussen 3 en 10μm dik voor lichtmicroscopie (en 50 tot 100 nm voor elektronenmicroscopie). Deze worden verkregen door een microtoom te gebruiken op een ingebed paraffine- of harsblok (of een cryostaat bij bevroren weefsel). De dunheid is noodzakelijk om lichtdoorlaatbaarheid te garanderen en overlap van structuren te voorkomen, essentieel voor gedetailleerd microscopisch onderzoek na kleuring.
Resolutie
= de kleinste afstand tussen twee punten die nog als afzonderlijke entiteiten kunnen worden waargenomen.
Een hoge resolutie betekent dat kleinere details en fijnere structuren onderscheiden kunnen worden, wat cruciaal is voor gedetailleerd microscopisch onderzoek.
Cryostaat
Een specifiek microtoom dat is ingebouwd in een vrieskamer, gebruikt om dunne coupes te maken van ongefixeerd, bevroren weefsel. Het is essentieel voor spoeddiagnostiek (bijv. tijdens chirurgie) en voor onderzoek waarbij enzymactiviteit, lipiden of antigeniciteit anders verloren zouden gaan door fixatie of paraffine-inbedding.
Scanning EM
Een type elektronenmicroscopie (Scanning Electron Microscopy) dat een geconcentreerde elektronenbundel over het oppervlak van een monster scant. Het detecteert secundaire elektronen die van het oppervlake worden uitgestoten om een gedetailleerd driedimensionaal beeld te creëren van de oppervlaktemorfologie en -textuur van cellen en weefsels.
Toluidine Blue kleuring
Een basische metachromatische kleuring die vaak wordt gebruikt voor semidunne coupes (ongeveer 0.5 tot 2μm) die zijn ingebed in epoxyhars.
PAS-kleuring
Een histochemische kleuring die specifiek koolhydraatrijke structuren visualiseert. Het periodisch zuur oxideert vicinale diolen in polysachariden (zoals glycogeen), glycoproteïnen, proteoglycanen en mucinen tot aldehyden, die vervolgens reageren met Schiff's reagens om een karakteristieke paarse of magenta kleur te produceren. Dit is nuttig voor het detecteren van slijm producerende cellen, basaalmembranen en schimmels.
Weefselkleuring
Het proces waarbij specifieke kleurstoffen worden gebruikt om verschillende cellulaire en extracellulaire componenten in dunne weefselcoupes zichtbaar en differentieerbaar te maken onder de lichtmicroscoop.
Empirische kleuring, histochemische kleuring, enzymatische kleuring en immunocytochemie
Trichroomkleuring
Een algemene term voor een familie van kleuringstechnieken die drie (of meer) verschillende kleurstoffen gebruiken om diverse weefselcomponenten, met name spiervezels, collageen en celcytoplasma, duidelijk van elkaar te onderscheiden door ze in verschillende kleuren te kleuren.
Van Gieson-kleuring
Elastische vezels = zwart/bruin
Collageen = roze
Spiercellen = geel
H&E kleuring
Hematoxyline = celkern blauw
Eosine = cytoplasma roos/rood
Zilverkleuring
Een kleuringstechniek die gebruikt maakt van zilverzouten (zoals zilvernitraat) om specifieke structuren te visualiseren die zilverionen kunnen reduceren tot zichtbaar metallisch zilver. Dit wordt gebruikt om weefsels zwart of bruin te kleuren.
Alcian Blue kleuring
Een kleuring die specifiek zure mucosubstanties (mucopolysachariden en mucoproteïnen) visualiseert in weefsels. De kleuring bindt selectief aan de zure groepen in deze moleculen en kleurt ze helderblauw. Afhankelijk van de pH-waarde waarop de kleuring wordt uitgevoerd (bijv. pH 2.5 voor algemene zure mucinen, pH 1.0 voor gesulfateerde mucinen), kan men onderscheid maken tussen verschillende typen zure mucinen, vaak aanwezig in slijmklieren, kraakbeen en bepaalde tumoren.
May-Grunwald-Giemsa kleuring (Bloedkleuring)
Een polychromatische kleuring die vaak wordt gebruikt in de hematologie voor het differentiëren van bloedcellen en beenmergaspiraten.
Myeline methode
Een algemene term voor kleuringstechnieken die specifiek de myeline visualiseren, de vettige schede die zenuwvezels omhult in het centrale en perifere zenuwstelsel. Kleuringen zoals Luxol Fast Blue (LFB) kleuren myeline blauw, wat cruciaal is voor het bestuderen van neurologische aandoeningen waarbij myeline is aangetast, zoals multiple sclerose.
Epoxyhars
Een type synthetische hars, zoals Araldite of Epon, dat wordt gebruikt als inbedmedium voor de voorbereiding van weefsel voor elektronenmicroscopie. Het weefsel wordt doordrenkt met en ingebed in de vloeibare hars, die vervolgens uithardt tot een zeer hard en stabiel blok. Dit maakt het mogelijk om ultradunne coupes (ongeveer 50 tot 100 nm) te snijden, noodzakelijk voor de hoge-resolutie beeldvorming die nodig is voor TEM.
Acrylhars
Een type synthetische hars die als inbedmedium wordt gebruikt, vaak voor specifieke histologische toepassingen waar paraffine of epoxyharsen minder geschikt zijn. Acrylhars, zoals Technovit of LR White, is ideaal voor het inbedden van harde weefsels (zoals ongecalcificeerd bot) of voor immunohistochemische studies, omdat het de antigeniciteit van eiwitten beter kan behouden dan andere inbedmedia en daardoor de detectie van epitopen vergemakkelijkt.