1/59
Flashcards gebaseerd op de Maatschappijwetenschappen HAVO Syllabus 2026, met focus op de hoofdconcepten, kernconcepten en belangrijke sociologische en politicologische termen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Vorming
Het hoofdconcept dat verwijst naar het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
Verhouding
Het hoofdconcept dat verwijst naar de wijze waarop mensen zich van elkaar onderscheiden (розділяються) en tot elkaar verhouden en de manier waarop samenlevingen in sociale zin vorm geven aan deze verschillen.
Binding
Het hoofdconcept dat verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat.
Verandering
Het hoofdconcept dat verwijst naar de richting en het tempo van ontwikkelingen in de samenleving en de (on)mogelijkheden deze te beïnvloeden.
Socialisatie
Het proces van overdracht en verwerving (придбання) van de cultuur van de groep(en) en de samenleving waar mensen toe behoren; bestaande uit opvoeding, opleiding en andere vormen van omgang met anderen.
Acculturatie
Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die waarin iemand is opgegroeid.
Identiteit
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt en anderen voorhoudt en dat hij als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en dat is afgeleid van zijn perceptie over de groep(en) waar hij wel of juist ook niet deel van uitmaakt.
Cultuur
Het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.
Sociale (on)gelijkheid
Een situatie waarin verschillen tussen mensen in al dan niet aangeboren kenmerken consequenties hebben voor hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van schaarse en hooggewaardeerde zaken, van waardering en behandeling.
Macht
Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
Typen macht
Formeel
Informeel
Machtsbronnen
Economisch: geld
Cognitieve: kennis
Politieke: wetten
Affectieve: charisma
Gezag
Macht die als legitiem beschouwd wordt.
Kwaliteiten
Positie
Prestaties
Politieke participatie
De mate van politieke participatie wordt beïnvloed door variabelen als : opleiding, inkomen, religie, sekse, etniciteit
Politieke participatie
Electorale (участь у виборах): stemmen, meewerken aan de verkiezingen
Niet-electorale (участь поза виборами): lobbye, contacten met politici, politieke partijen
Conflict
Een situatie waarin individuen, groepen en/of staten elkaar tegenwerken om de eigen doelen te bereiken.
Samenwerking
Het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.
Sociale cohesie
Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn en de mate waarin anderen daar een beroep op kunnen doen.
Sociale institutie
Een complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
Groepsvorming
Het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen door wederzijdse beïnvloeding en het ontwikkelen van gemeenschappelijke waarden en normen.
Politieke institutie
Een complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties rond politieke machtsuitoefening en politieke besluitvorming reguleren.
Representatie
De vertegenwoordiging van een groep in (politieke) organisaties door één of enkele betrokkenen die namens de groep optreden.
Representativiteit
De mate waarin de (politieke) besluiten, de standpunten of achtergrondkenmerken van vertegenwoordigers overeenkomen met die van de groep die vertegenwoordigd wordt.
Rationalisering
Het proces van het ordenen en systematiseren van de werkelijkheid om haar voorspelbaar en beheersbaar te maken en van het doelgericht inzetten van middelen om zo efficiënt en effectief mogelijke resultaten te bereiken.
Individualisering
Het proces waarbij individuen in toenemende mate hun zelfstandigheid op verschillende gebieden kunnen vergroten.
Institutionalisering
Het proces waarbij een complex van waarden en min of meer geformaliseerde regels vastgelegd wordt in standaardgedragspatronen die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren.
Democratisering
Het proces van verandering van de machts- en gezagsverhoudingen door een grotere inspraak en medezeggenschap van degenen met minder macht.
Staatsvorming
De institutionalisering van politieke macht tot een staat.
Globalisering
Het proces van uitbreiding en intensivering van contacten en afhankelijkheden over zeer grote afstanden en over landsgrenzen heen.
Politieke socialisatie
Het proces van overdracht en verwerving van de politieke cultuur van de groep(en) en samenleving waar mensen toe behoren.
Ideologie
Een samenhangend geheel van beginselen en denkbeelden, meestal uitmondend in ideeën over de meest wenselijke maatschappelijke en politieke verhoudingen.
Objectiviteit (informatiebron)
Wanneer de verstrekte informatie gebaseerd is op wetenschappelijke bevindingen en feiten en niet op subjectieve meningen, gevoelens en (voor)oordelen.
Betrouwbaarheid (informatiebron)
Wanneer er maximale zekerheid bestaat dat de geleverde informatie correct is; een betrouwbare bron is gedegen, controleerbaar en bevestigbaar door andere bronnen.
Representativiteit (informatiebron)
Wanneer de verstrekte informatie gebaseerd is op een zo volledig mogelijke weerspiegeling van het betreffende fenomeen of de groep waar het om gaat.
Representatie
De vertegenwoordiging van een groep in organisaties door een of enkele betrokkenen die namens de groep optreden
Interne validiteit
De mate waarin een meetinstrument meet wat beoogd is om te meten en dus niet iets heel anders.
Positiewerving
Het verkrijgen van een maatschappelijke positie door de eigen bijdrage van een persoon of de groep waartoe iemand behoort.
Positietoewijzing
Maatschappelijke oorzaken waardoor een persoon of groep op een bepaalde positie terechtkomt; deze oorzaken werken van buitenaf op de persoon of groep in.
Correlatie
Twee variabelen vertonen een samenhang; bij een positieve correlatie worden beide groter of kleiner, bij een negatieve correlatie wordt de ene groter als de andere kleiner wordt.
Causaliteit
Een oorzakelijk verband waarbij de onafhankelijke variabele de oorzaak is voor de afhankelijke variabele.
Hofstede: Machtsafstand
De mate waarin mensen verwachten en accepteren dat de macht ongelijk is verdeeld.
Hofstede: Masculiniteit versus Femininiteit
De mate waarin genderrollen duidelijk gescheiden zijn (masculien) of elkaar overlappen (feminien).
Bindingstheorie
Theorie die stelt dat maatschappelijke bindingen of sterke integratie van mensen in groepen remmend werken op criminele impulsen.
Anomietheorie
Theorie die stelt dat crimineel gedrag ontstaat wanneer de maatschappij doelen definieert zonder dat de middelen om die te bereiken toereikend zijn.
Gelegenheidstheorie
Theorie die stelt dat criminaliteit stijgt door de aanwezigheid van potentiële daders, geschikte doelwitten en de afwezigheid van voldoende sociale bewaking.
Etiketteringstheorie
Ook wel labelingtheorie; verklaart criminaliteit vanuit de sociale omgeving die het etiket 'crimineel' op gedrag drukt, waarna mensen zich daarnaar gaan gedragen.
Veiligheidsutopie
De wens van de maatschappij voor optimale individuele vrijheid gecombineerd met een roep om krachtdadig overheidsoptreden voor collectieve veiligheid.
Confessionalisme
Christelijke waarden en samenwerking in maatschappelijke verbanden zoals: scholen, kerken
Liberalisme
Individuele rechten en Individuele vrijheden
Socialisme/ sociaaldemocratie
Gelijkheid, sturende rol van de overheid om dit te kunnen realiseren
Gezin 20-60
Verzuilde samenleving
Babyboom
Economische groei
Taakverdeling tussen de huwelijkspartners
Bevelshuishouding (командне ставлення)
Gezien 60-80
Groeiende welvaart
Gezondheidsklachten
Echtscheidingen flink (розлучення)
Gastarbeiders
Abortus
Individualisering
Groepsvorming
Binding tussen meer dan twee mensen tot stand komen, doordat ze elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.
Willen horen
Mogen horen
Kunnen horen
Sociale institutie
Complex van min of meer geformaliseerde regels die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek
Niet gaat om hoeveelheden & onderzoek naar hoeveelheden
Soorten kapitaal
Economisch
Sociaal
Cultureel
Functies van politieke partijen
Rekrutering en selectie
Articulatie
Mobilisatie
Aggregatie
Communicatie
Набір та відбір
Артикуляція
Мобілізація
Агрегація
Комунікація
Bedreigingen (загрози)
Natuurlijke aard
Technologische aard
Sociale aard
Typen veiligheid
Objectieve: om de aard en omvang van criminaliteit, ongevallen, rampen
Subjectieve: hoe mensen de aard en omvang van criminaliteit beleven, gevoelens van veiligheid
Globalisten
Hyper: De wereld wordt één grote, uniforme markt
Anders: Globalisering is niet onvermijdelijk en moet anders worden ingericht.