7. Inferenties, theorieën en observaties

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/12

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:34 AM on 6/15/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

13 Terms

1
New cards

Wat is het fundamentele verschil tussen deductie, inductie en abductie in termen van hun doel en de zekerheid van hun conclusie?

Deductie heeft als doel een conclusie logisch af te leiden die met 100% zekerheid volgt uit de premissen; als de premissen waar zijn, is de conclusie onvermijdelijk waar. Inductie heeft als doel te generaliseren van specifieke gevallen naar een algemene regel, waarbij de conclusie waarschijnlijk, maar nooit zeker is. Abductie heeft als doel de meest plausibele verklaring voor een specifieke observatie te vinden; de conclusie is een gekwalificeerde gok, niet een zekere waarheid of een algemene wet. [Bron: Notities, Slides "Inferenties" p. 6-7]

2
New cards

Een argument kan logisch perfect gestructureerd zijn, maar toch een feitelijk onware conclusie hebben. Leg uit hoe de concepten 'geldigheid' en 'correctheid' dit verklaren.

Dit onderscheid is cruciaal. 'Geldigheid' (validity) is een eigenschap van de logische vorm van een deductief argument. Een argument is geldig als het onmogelijk is dat de premissen waar zijn en de conclusie tegelijk onwaar is. 'Correctheid' (soundness) is een strengere eis: een argument is correct als het (1) geldig is én (2) al zijn premissen feitelijk waar zijn. Een argument kan dus geldig zijn (de vorm klopt), maar incorrect (en dus onbetrouwbaar) omdat het vertrekt van een foute premisse. [Bron: Notities, Boek Definitie 7.3, Slides "Inferenties" p. 8]

3
New cards

Stel, je ziet rook uit een raam komen. Je redeneert: (1) Waar rook is, is vuur. (2) Ik zie rook. (3) Dus, er is vuur. Welk type inferentie is dit? Verander nu de redenering zodat het een voorbeeld wordt van de andere twee inferentietypes.

De oorspronkelijke redenering is abductie (inferentie naar de beste verklaring). Inductie zou zijn: "Ik heb 100 keer rook gezien en telkens was er vuur. Dus, de algemene regel is: waar rook is, is vuur." Deductie zou zijn: "Premisse 1: Als er rook is, dan is er vuur. Premisse 2: Er is rook. Conclusie: Dus, er is vuur." Hoewel de deductieve vorm lijkt op abductie, is het cruciale verschil dat abductie de verklarende regel (P1) als plausibel aanneemt om de observatie (P2) te duiden, terwijl deductie de waarheid van de premissen als gegeven beschouwt. [Bron: Notities, Slides "Inferenties" p. 7]

4
New cards

Wat is de formele definitie van een wetenschappelijke theorie en waarom impliceert deze definitie dat een theorie oneindig groot is?

Een theorie (T) is een verzameling zinnen die 'gesloten is onder logisch gevolg'. Dit betekent dat als een zin ϕ\phi logisch volgt uit de zinnen in de theorie TϕT \models \phi, die zin ϕ\phi zelf ook deel uitmaakt van de theorie ϕT\phi \in T. Omdat uit een set basisaannames (axioma's) een oneindig aantal logische gevolgen kan worden afgeleid, is de theorie zelf (de verzameling van alle zinnen die eruit volgen) ook oneindig groot. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 4]

5
New cards

Wat is het nut van een theorie te 'axiomatiseren' en wat is de relatie tussen de axioma's en de theorie zelf?

Een theorie axiomatiseren betekent dat je de gehele (oneindige) theorie kunt samenvatten in een eindige, beslisbare set van basiszinnen, de axioma's. Het enorme voordeel is dat je de eigenschappen van de hele theorie kunt bestuderen door enkel deze compacte set axioma's te analyseren. De axioma's zijn de 'stichtende leden' van de theorie; de theorie zelf omvat de axioma's plus alle (oneindig vele) stellingen die er logisch uit afgeleid kunnen worden. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 5]

6
New cards

Waarom kan een wetenschappelijke theorie zelf nooit de conclusie van een argument zijn, en hoe wordt een theorie dan toch (indirect) ondersteund?

Een theorie is een (oneindig grote) verzameling zinnen en kan daarom logisch gezien niet de conclusie van een argument zijn, dat een enkele zin is. Wetenschappers argumenteren daarom niet voor de theorie als geheel, maar leiden er specifieke, testbare stellingen (theorems) uit af. Deze stellingen kunnen wél de conclusie van een argument zijn. Door empirische ondersteuning te vinden voor deze afgeleide stellingen, wordt de theorie indirect ondersteund. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 7, Notities]

7
New cards

Vergelijk Poppers 'Emmer-theorie' en 'Zoeklicht-theorie' van observatie. Welke van de twee is dominant in de moderne wetenschapsfilosofie en waarom?

De 'Emmer-theorie' ziet de geest als een passieve container die objectieve, pure data uit de wereld verzamelt. De 'Zoeklicht-theorie' stelt dat de geest actief is: we richten onze aandacht, gestuurd door een voorafgaande theorie, hypothese of vraag, als een zoeklicht op de werkelijkheid. De 'Zoeklicht-theorie' is dominant. Wetenschap vertrekt zelden van 'blinde' observatie, maar is theoriegedreven: we formuleren een hypothese en ontwerpen dan een experiment om gericht te zoeken naar data die de hypothese kan bevestigen of weerleggen. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 12, Boek p. 197]

8
New cards

Wat betekent het dat observaties 'theoriegeladen' zijn? Geef de drie belangrijkste vormen van deze 'lading'.

'Theoriegeladenheid' betekent dat observaties nooit puur of neutraal zijn, maar altijd beïnvloed worden door onze theoretische kaders. De drie vormen zijn: 1. Sturing: Theorieën bepalen waar we kijken en wat we als relevante data beschouwen. 2. Instrumentatie: De meetinstrumenten die we gebruiken (bv. een deeltjesversneller) zijn zelf gebouwd op basis van complexe theorieën over hoe ze werken. 3. Beschrijving: We beschrijven observaties in een taal die al vol zit met theoretische concepten (bv. "stroomsterkte" i.p.v. "het wijzertje beweegt"). [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 9]

9
New cards

Wat is het cruciale verschil tussen 'observatie' en 'detectie' in een experimentele context? Gebruik het voorbeeld van het nevelvat om dit te illustreren.

Observatie is de rechtstreekse waarneming met de zintuigen (bv. met het blote oog of een bril). Detectie is het waarnemen van de effecten van een fenomeen met een instrument, waaruit we het bestaan van dat fenomeen moeten afleiden (infereren). In het nevelvat observeren we een condensatiespoor. We detecteren een geladen deeltje door abductief te redeneren dat de beste verklaring voor het geobserveerde spoor de passage van zo'n deeltje is. De conclusie ("er was een deeltje") is dus een inferentie, geen directe observatie. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 17-18, Boek p. 199]

10
New cards

De grens tussen wat direct observeerbaar is en wat enkel detecteerbaar is, is niet absoluut. Welke filosofische discussie ontstaat door het verschuiven van deze grens?

Het feit dat de grens gradueel is (blote oog → bril → microscoop → deeltjesdetector) en historisch verschuift, leidt tot de realisme-discussie. De vraag is of de entiteiten die we enkel indirect kunnen detecteren (zoals een quark, een positron of het Higgs-boson) op dezelfde manier 'echt' bestaan als de entiteiten die we direct kunnen observeren (zoals een stoel of een tafel). Zijn het reële objecten of slechts nuttige theoretische constructies om de geobserveerde effecten te verklaren? [Bron: Notities, Slides "Theorieën en observaties" p. 19]

11
New cards

Waarom zijn 'observatiezinnen' noodzakelijk voor wetenschappelijke argumentatie? Kan een observatie zelf een premisse zijn?

Nee, een observatie zelf (de handeling van het kijken of meten) kan geen premisse zijn in een logisch argument. Argumenten bestaan uit zinnen (premissen en een conclusie). Daarom moeten we onze waarnemingen vertalen naar observatiezinnen: bewerende zinnen die een mogelijke observatie beschrijven (bv. "De naald wijst 5 aan"). Deze zinnen, die waar of onwaar kunnen zijn, kunnen vervolgens als premissen dienen in een deductief, inductief of abductief argument. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p. 20, Boek Karakterisering 7.4]

12
New cards

Wat is het fundamentele verschil tussen een 'gecontroleerd experiment' en een 'natuurlijk experiment'?

In een gecontroleerd experiment manipuleert de onderzoeker actief en doelbewust een onafhankelijke variabele om het effect ervan op een afhankelijke variabele te meten, terwijl alle andere relevante factoren (controlevariabelen) kunstmatig constant worden gehouden. In een natuurlijk experiment vindt de 'manipulatie' van de variabelen spontaan plaats in de natuur, zonder tussenkomst van de onderzoeker. De wetenschapper observeert deze natuurlijke variatie en probeert er via theoretische analyse causale verbanden uit af te leiden. [Bron: Notities, Slides "Theorieën en observaties" p. 15-16]

13
New cards

Wat is de definitie van een 'consistente' theorie en waarom is dit een absolute minimumvereiste voor een wetenschappelijke theorie?

Een theorie is consistent als ze minstens één model heeft. Een model is een (mogelijke) wereld of structuur waarin alle zinnen van de theorie waar zijn. Consistentie is een cruciaal criterium omdat een inconsistente theorie (een theorie zonder model) intern tegenstrijdig is. Uit een tegenstrijdige theorie kan men logisch gezien alles afleiden (zowel een bewering als de ontkenning ervan), waardoor de theorie elke voorspellende en verklarende kracht verliest en wetenschappelijk waardeloos wordt. [Bron: Slides "Theorieën en observaties" p.