ISTL-letterkunde-begrippenlijst

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/84

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:58 PM on 6/3/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

85 Terms

1
New cards

world literature

  • 20ste eeuw: focus literatuurwetenschap op westerse wereld, 21ste eeuw: verbreding van focus → world literature

  • Duitse dichter Goethe (1749-1832) wou een bundel Chinese gedichten laten vertalen: sprak over Weltliteratur

  • = Nu onderzoeksdomein binnen vergelijkende literatuurwetenschap: richt zich op literaire werken uit de hele wereld en hun onderlinge relaties
    centrale stem: David Damrosch.

2
New cards

literariteit/literaturnost

  • Russische formalisten als Viktor Sjklovsky (1893-1984) en Roman Jakobson (1896-1982)

  • = Het gebruik van specifieke technieken en kunstmiddelen waarmee schrijvers het basismateriaal van het dagelijks taalgebruik tot een talig kunstwerk bewerken.

3
New cards

procéde

  • Russische formalist Viktor Sjklovsky (1893-1984) in tekst ‘Kunst als procédé’

  • Kunstgreep: ingrijpingen doen zodat er een artistiek resultaat uitkomt. Definieert het als ‘vervreemding’ en ‘desautomatisering’ → hangt samen met bijzonder taalgebruik van literaire tekst, om zo lezer te doen nadenken over literatuur.

4
New cards

Desautomatisering

  • Viktor Sjklovsky (1893-1984) in ‘Kunst als procédé’ (1917)

  • Onze normale waarneming is automatisch. Door de vorm van literatuur te verzwaren of te compliceren bereikt onze blik desautomatisering. Zo onderscheidt literair taalgebruik zich van alledaags taalgebruik.

  • bv. Novelle van Tolstoj waar het verhaal door de ogen van een paard wordt verteld.

5
New cards

poëtische functie

  • Roman Jakobson (1896-1982) (grondlegger structuralisme) in essay ‘Linguïstiek en poëtica’ (1960)

  • Systematische dominantie van de poëtische functie onderscheidt literaire teksten van niet-literaire teksten: teksten waarin klemtoon ligt op de manier waarop de inhoud van het gezegde mee bepaald wordt door de vorm van het gezegde: de vorm ondersteunt en beklemtoond de inhoud, inhoud wordt mee bepaald door vorm.

  • De poëtische functie projecteert het principe van de as der selectie (paradigmatische/verticale as) op de as der combinatie (syntagmatische/horizontale as)

6
New cards

Foregrounding

  • Praagse structuralist Jan Mukařovský

  • Systematisch op voorgrond plaatsen van bepaalde formele principes die in literaire teksten worden gebruikt.

  • vb. gebruik van rijmwoorden in gedichten → aandacht wordt getrokken op de klank van het woord. Woorden worden dus niet enkel gekozen om hun inhoud maar ook omdat ze in hun vorm een band hebben met het slotwoord van het vorig of volgend vers.

7
New cards

Het literaire veld

  • Pierre Bourdieu in een aantal belangrijke studies

  • midden 19e eeuw: maatschappelijk domein komt op waarin over literatuur wordt gepraat en nagedacht in ‘autonome’ termen → niet enkel om andere domeinen te ondersteunen maar een op zichzelf staand gegeven

  • échte literatuur = literatuur die zich afwendt van commerciële logica en zich richt op literaire autonomie → hoge artistieke reputatie (symbolisch kapitaal) komt niet overeen met een grote verkoop (het kapitalistisch ideaal)

8
New cards

WAT ZIJN POËTICA’S

  • Amerikaanse literatuurwetenschapper M.H. Abrams in zijn ‘Mirror and the Lamp’ (1953)

  • Bestaande literatuuropvattingen onderbrengen in 4 historisch ontwikkelde categorieën. De verschillende poëticale systemen bevatten steeds de 4 componenten: werkelijkheid, lezer/publiek, auteur en tekst, maar één ervan is dominant.

9
New cards

Mimetische poëtica

Literaire tekst heeft duidelijke en duidelijk herkenbare relatie met werkelijkheid

10
New cards

Pragmatische poëtica

Relatie tussen tekst en lezer/publiek domineert

11
New cards

Expressieve poëtica

literaire tekst is uitdrukking van de gevoelens en de gedachtenwereld van de auteur

12
New cards

objectieve/autonomistische poëtica

Aandacht centraal gericht op de tekst zelf, het autonomistische kunstwerk als formele structuur

13
New cards

Katharsis

  • Aristoteles (= ijkpunt literaire mimetische poëtica Griekse Oudheid) in zijn Poetica

  • = Zuiverende functie van een tragedie doordat toeschouwer/toehoorder reflectieve afstand tegenover literaire tekst houdt.

  • bv. Wanneer we een tragedie kijken wordt een gevoel van ‘angst’ geactiveerd, maar dat gevoel wordt tegelijk ‘gezuiverd’: we beseffen dat we niet echt bang hoeven te zijn voor wat we zien.

14
New cards

concrete universele

  • Aristoteles

  • = Kunst beeldt het concrete universele af. Het beeldt dingen af die typisch zijn voor de mens (het algemene, universele), maar dan in de vorm van concrete gevallen (concrete universele)

  • De literatuur behandelt universele en tijdloze thema’s en problemen, maar steeds aan de hand van concrete casussen

  • Cognitieve waarde: Ze leren ons iets over wat eigen is aan de mens en wat voor alle mensen van belang en nut kan zijn.

15
New cards

Triple mimesis

  • Franse filosoof Paul Ricoeur in boek Temps et récit (1983)

  • Ziet drie samenhangende aspecten aan begrip van Aristoteles
    1. het feit dat wij als mensen de werkelijkheid interpreteren in termen van verhalen en ontwikkelingen
    2. de compositie van de tekst in de vorm van een waarschijnlijk verhaal
    3. het effect van verhalen op degene die ze interpreteren

16
New cards

Ut pictura poesis

  • Horatius in zijn poëticale tekst Ars Poëtica

  • betekent letterlijk: ‘het gedicht is als een schilderij’ → maakt vergelijking tussen literatuur en schilderkunst. Speelt belangrijke rol in receptie van de tekst in RN → bij Leonardo da Vinci het vertrekpunt van Paragone

17
New cards

Paragone

  • Leoardo Da Vinci

  • Strijd tussen schilderkunst en dichtkunst: voor Da Vinci is schilderkunst superieur omdat schilders ee meer accurate weergave kunnen geven van de zichtbare werkelijkheid.

  • Weerwoord van Sir Philip Sidney in Defence of Poesie (1595): woordkunst kan iets wat schilderkunst niet kan: speaking pictures produceren → woorden van dichters zijn schilderijen met een stem

18
New cards

Impassibilité

  • Gustave Flaubert

  • Auteur moet zijn persoonlijkheid niet op de voorgrond plaatsen in literatuur, maar zichzelf juist van zijn kunstwerk wegschrijven. Die onverschilligheid is Flaubert zijn handelsmerk.

  • Naturalisme gaat stap verder in de eis tot de onpersoonlijke weergave: krijgt wetenschappelijke pretenties. bv. romans van Emile Zola

19
New cards

Objective correlative

  • T.S. Elliot in een essay over Shakespeares Hamlet

  • Een reeks objecten, een situatie, een opeenvolging van gebeurtenissen die een specifieke emotie oproepen bij de lezer, zonder dat die emotie expliciet genoemd wordt. Emoties van modernistische dichter niet rechtstreeks uiitgedrukt.

20
New cards

Willing suspension of disbelief

  • romantische dichter Samuel Taylor Coleridge

  • We moeten ons tijdens het lezen van fictie aan de fictionele wereld onderwerpen: dingen geloven die in de echte wereld onmogelijk zijn.

  • Madame Bovary - Gustave Flaubert, Don Quichote - Miguel Cervantes

21
New cards

Possible world

  • literatuurwetenschappers Lubomír Doležel en Thomas Pavel

  • de wereld van fictie is een mogelijke wereld, met een eigen logica, een wereld waarin de mogelijkheidszin regeert

  • Aristoteles als vroeg voorbeeld: geschiedschrijver geeft dingen weer zoals ze gebeurd zijn, dichter geeft dingen weer zoals ze kunnen gebeuren (verhaal moet weel herkenbaar blijven voor de lezer

22
New cards

werkelijkheidseffect

  • Roland Barthes in ‘L’effet de réel’ (1968)

  • Bepaalde tekstuele details moeten de lezer het signaal geven dat wat verteld wordt ook daadwerkelijk is gebeurd

  • bv. Un coeur simple (1877) - Flaubert: door specifieke schrijftechnieken en door details te geven krijgen we het idee dat wat we lezen echt is, ook al weten we dat het fictie is

23
New cards

heteroniemen

wanneer een auteur een tekst of teksten uitgeeft onder een andere naam
bv. Fernando Pessoa: soms onder heteroniem Ricardo Reis

24
New cards

Sensitivity readers

begeleiden het schrijfproces en maken auteurs attent op mogelijk kwetsende woorden of beelden → meer in young adult fiction dan in de wereld van volwassenliteratuur

25
New cards

persona poetica

  • Italiaanse kunstfilosoof Benedetto Croce

  • schrijver als kunstenaar, zoals die zich presenteert in het kunstwerk zelf (onderscheid!)

26
New cards

persona practica

  • Italiaanse kunstfilosoof Benedetto Croce

  • schrijver als gewone sterveling, mensen als jij en ik (onderscheid! vallen nooit samen)

  • bv. Shakespeare: we weten heel weinig over hem, ook al heeft hij veel werken geschreven

27
New cards

biografisme

  • Franse criticus en vertegenwoordiger van het romantisch biografisme Charles-Augustin Sainte-Beuve

  • Om de originaliteit van een werk te begrijpen, moet men de auteur begrijpen. Voor hem zijn persona practica en persona poetica dus hetzelfde.

28
New cards

The Intentional Fallacy

  • William K. Whimsatt en Monroe C. Beardsley, die tot het New Criticism behoren.

  • programmatisch opstel van ‘‘. Kritiek op prominantie van auteursintentie. Het doet er niet toe wat de auteur met een bepaalde tekst wou bereiken, tekst is alleen als artistiek, esthetisch gegeven van belang. Criticus moet enkel de tekst evalueren, niet de auteur. Literatuur is dus een doel op zich (autolectisch: heeft geen ander doel dan te zijn wat het is)

29
New cards

auteursfunctie

  • Michel Foucault in de lezing Qu’est qu’un auteur? (1969)

  • naam van de auteur is geen eigennaam zoals de andere, het verwijst naar eerder naar de teksten en werken onder deze naam geschreven dan naar de persoon zelf.

  • Bepaalde teksten hebben een auteursfunctie en andere niet: bv. een zelfgeschreven brief vs een brief van Flaubert → maar één brief heeft een auteur bv. Stel we komen er achter dat Homerus niet bestaat, dan verwijst zijn naam nog steeds naar de teksten die we aan hem toeschrijven.

  • auteursfuncties zijn historisch veranderlijke fenomenen

30
New cards

Implied author

  • Wayn C. Booth in The Rhetoric of Fiction (1961)

  • het ‘alter ego’ van de auteur dat de lezer op basis van bepaalde indicaties in de tekst construeert. Valt niet samen met persona practica want verschillend teksten van één auteur kunnen verschillende implied authors oproepen.

31
New cards

Posture littéraire

  • Zwitserse literatuurwetenschapper Jérôme Meizoz

  • het beeld dat de auteur van zichzelf probeert te geven, zowel in zijn werk als in bijvoorbeeld interviews. Gaat over het soort auteur dat schrijver wil zijn, de profilering die hem bijvoorbeeld in een bepaalde traditie plaatst of tegenover een andere.

32
New cards

Artefact

  • Praagse semioticus Jan Mukařovský

  • tekst in zijn vaste, materiële vorm. bv. het script van Shakespeare

33
New cards

Esthetisch object

  • Praagse semioticus Jan Mukařovský

  • de door de lezer (of een groep lezers) geconcretiseerde tekst , onze interpretatie van het artefact bv. elke opvoering van het script van Shakespeare

34
New cards

Shared reading

  • Britse Jane Davis, oprichter van The Reader

  • Vorm van ‘samenlezen’: deelnemers aan de activiteit lezen onder begeleiding literaire teksten, waarover ze met elkaar in gesprek treden. Daarbij staat de persoonlijke leeservaring centraal, niet een uitwisseling van feitelijke kennis over tekst en schrijver

  • het behoort vaak tot ‘bibliotherapie’: de zorgpraktijk waarbij het lezen van teksten wordt voorgeschreven in medische en andere zorgcontexten (ook in gevangenissen)

35
New cards

Einfühlung

  • Duitse Wilhem Dilthey

  • de lezer moet zich inleven in de verbeeldingswereld van de auteur en de tekst ook lezen vanuit de positie van een tijdgenoot van de schrijver

  • natuurwetenschappen verklaart, menswetenschappen is gericht op begrijpen op basis Einfühlung

36
New cards

Hermeneutische cirkel

  • Friedrich Schleiermacher

  • lezer geeft betekenis aan het geheel van een tekst op basis van zijn begrip van diens onderdelenn terwijl hij die onderdelen juist betekenis geeft in het licht van zijn intuïtie van het geheel waarin ze functioneren.

37
New cards

Vorverständnis

  • Wilhelm Dilthey

  • elke lezer beschikt door zijn culturele en historische achtergrond over een bepaalde vorm van kennis van de wereld die we telkens opnieuw meenemen wanneer we beginnen met interpreteren. Onze kennis van de wereld bepaalt onze lectuur en maakt die tegelijk ook mogelijk.

38
New cards

Verwachtingshorizon

  • Hans-Georg Gadamer in zijn Warheit und Methode (1960)

  • De reeks van ideeën, vooroordelen en verwachtingen op basis waarvan we lectuur opvatten. Wanneer we lectuur lezen versmelten deze twee horizons idealiter, maar in werkelijkheid is er vaak confrontatie

39
New cards

Esthetische distantie

  • Hans Robert Jauss

  • Distantie, de afstand tussen de verwachtingshorizon van de lezer en het werk, is bepalend voor het artistieke karakter van het werk. Hoe groter de afstand, hoe meer artistieke waarde. Hoe kleiner, hoe meer bevestigend.

40
New cards

Impliciete lezer

  • Wolfganger Iser

  • Niet een levend en lezend wezen, maar het verzamelen van tekstelementen en -strategieën die ervoor zorgen dat de lezer van een tekst tot een bepaalde interpretatie komt.

41
New cards

Appelstruktur

  • Wolfgang Iser in Der Akt des Lesens (1976)

  • hetzelfde als impliciete lezer: subtiele hints en indicaties die de lezer op weg helpen in de tekst: structuur bepaalt ‘werking’ van de tekst

42
New cards

Lege vlekken/Leerstelle

  • Wolfgang Iser

  • Plaatsen in de tekst waarin duidelijke informatie ontbreekt: brengen het interpretatieproces van de lezer op gang. Auteur gaat hier in een literair tekst bewust mee om.

43
New cards

Textes lisibles

  • poststructuralist Roland Barthes in S/Z (1970)

  • teksten die een lezer aanzetten tot passief lezen

44
New cards

Textes scriptibles

  • poststructuralist Roland Barthes in S/Z (1970)

  • teksten die weerbarstiger zijn en om een geschreven respons vragen, in de vorm van een nieuwe tekst. Poststructuralisten gaan ervan uit dat de betekenis van dingen nooit vastligt maar steeds wordt opgeschort.

45
New cards

Appropriation

  • Franse filosoof Paul Ricoeur, vertegenwoordiger van de ‘hermeneutische’ traditie die de lezer op de voorgrond plaatst

  • De tekst biedt ons nieuwe standpunten aan, die we tot de onze kunnen maken. Onze identiteit ligt niet vast maar is dynamisch.

46
New cards

Interpretive communities

  • Stanley Fish

  • lezers maken deel uit van interpretive communities en hebben (al dan niet stilzwijgende) afspraken binnen die ‘gemeenschappen’ die een impact hebben op de lectuur

  • bv. lezeressen die samen in een leesgroep een tekst lezen zullen voor een deel anders interpreteren dan jonge vrouwen die aan de universiteit onderzoeksseminarie tekstanalytische vaardigheden aangeleerd krijgen

47
New cards

intentio operis

  • Umberto Eco

  • Tekst kan op oneindig veel manieren worden gelezen, maar niet elke interpretatie is aanvaardbaar. Intentio operis zijn lezingen die zich houden aan ‘wat er in de tekst staat’, moeilijk te definiëren → verschil tussen interpretaties en overinterpretaties

48
New cards

Distant Reading

  • associëren we met het werk van Franco Moretti

  • computers die op grond van vragen die de onderzoeker stelt op zoek gaan naar informatie uit de teksten van omvangrijke corpora. Text mining: wanneer de computer op zoek gaat naar specifieke patronen in woordgebruik of andere retorische eigenschappen van de tekst.

49
New cards

The great unread

  • Franco Moretti

  • geschiedenis van de literatuur is de geschiedenis van de great unread, talloze werken die zelden of nooit bestudeerd zijn

50
New cards

Bibliomemoires

  • Rita Felski

  • boeken waarin een auteur verslag uitbrengt van een bepaalde fase in hun leven en daarbij wijzen op de specifieke steun die ze ondervonden van de lectuur van bepaalde literaire teksten.

  • bv. How Dante can Save Your Life (2015) van de Amerikaanse journalist Rod Dehrer

51
New cards

Flat Characters

  • E.M. Forster in ‘Aspects of a Novel’ (1927)

  • Onuitgewerkte personages die getypeerd worden aan de hand van een kenmerkende karaktertrek. Statische personages.

52
New cards

Round characters

  • E.M. Forster in ‘Aspects of a Novel’ (1927)

  • Psychologisch uitgewerkte personages. Zijn niet per se dynamisch maar dat kan wel.

53
New cards

Fabel

Verhaal met logische en chronologische opvolging van de elementen van het verhaalgebeuren en die moet de lezer dus op basis van de tekst die hij of zij leest reconstrueren.

Verschil met suzjet is volgens Russische formalisten gevolg van bepaalde procedés die de auteur gebruikt heeft om zijn verhaal op een bepaalde manier te ordenen.

54
New cards

Suzjet

Bewerkte vorm waarin de fabel/de geschiedenis in de roman of een kortverhaal wordt gepresenteerd wordt.

Verschil met fabel is volgens Russische formalisten gevolg van bepaalde procedés die de auteur gebruikt heeft om zijn verhaal op een bepaalde manier te ordenen.

55
New cards

autofunctie

  • Russische formalist Joeri Tynjanov

  • 5 structuurelementen: handelingsverloop/geschiedenis, personages, tijd, ruimte, perspectief

  • de relatie die een element heeft met dezelfde soort elementen in ándere boeken

  • Als een schrijver vandaag de dag de term 'gij' of 'wiltue' gebruikt, dan heeft dat een autofunctie. Je herkent het meteen als 'archaïsch' of 'ouderwets', omdat je weet hoe men vroeger schreef. Die betekenis neemt het woord al mee van buiten het boek.

56
New cards

synfunctie

  • Russische formalist Joeri Tynjanov

  • 5 structuurelementen: handelingsverloop/geschiedenis, personages, tijd, ruimte, perspectief

  • Het is de relatie die een element heeft met andere elementen in hetzelfde boek.

  • Als een personage in een boek een groene trui draagt, en later in het boek wordt verteld dat hij vreselijk jaloers is, dan link je 'groen' aan de synfunctie 'jaloersheid' binnen dat specifieke verhaal.

57
New cards

actantieel model

  • Algader Grimas in Sémantique Structurale (1966)

  • Model waar 6 basisrollen of actanten zijn uitgetekend die in een gemiddeld verhaal voorkomen. Gebaseerd op het idee dat de actanten in een verhaal naar een doel streven.

58
New cards

extradiëgetisch

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • Verteller maakt geen deel uit van de vertelde wereld

59
New cards

intradiëgetisch

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • De verteller maakt wel deel uit van de vertelde wereld

60
New cards

heterodiëgetische verteller

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • verteller vertelt andermans geschiedenis en heeft
    geen deel aan de vertelde geschiedenis

61
New cards

homodiëgetische verteller

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • verteller vertelt eigen geschiedenis of heeft deel
    aan de vertelde geschiedenis

62
New cards

allodiëgetisch

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • homodiëgetische verteller als getuige

63
New cards

allodiëgetische verteller

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • homodiëgetische verteller als hoofdpersonage

64
New cards

overt narrator

  • Seymour Chatman

  • de overt narrator is het soort verteller dat zich openlijk manifesteert

65
New cards

covert narrator

  • Seymour Chatman

  • de covert narrator is een soort verteller dat zich niet openlijk manifesteert als verteller, maar zich eerder verbergt

66
New cards

auctoriële focalisatie

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • wanneer de waarneming de indruk van alwetendheid geeft: typisch een onpersoonlijke alwetende verteller

67
New cards

actoriële/personele focalisatie

  • Franse structuralist Gérard Genette

  • wanneer de blik die de lezer volgt verengd wordt tot de waarneming van een personage of de actor

68
New cards

externe focalisatie

  • Israëlische narratologe Shlomith Rimmon-Kane

  • we kijken van buitenaf naar de geschiedenis
    (als een camera, neutraal

    zonder toegang tot de beleving van de
    personages)

69
New cards

interne focalisatie

  • Israëlische narratologe Shlomith Rimmon-Kane

  • we ervaren de geschiedenis van binnenuit (beleving vanuit één of
    meerdere van de betrokken personages)

70
New cards

Showing

  • Henry James in zijn Art of Fiction (1884)

  • Vorm van vertellen waarin het vertelde zich als het ware voor de ogen van de lezer afspeelt. (het vertelde wordt getoond, direct en op een dramatische manier: dramatische scènes) We voelen nauwelijks nog de aanwezigheid van de verteller

71
New cards

Telling

  • Henry James in zijn Art of Fiction (1884)

  • Vorm van vertellen waarin het vertelde zich niet als het ware voor de ogen afspeelt, maar de lezer zich zeer sterk bewust is van de bemiddelende rol van de verteller. Vertellend passages

72
New cards

Mimesis

  • Plato in zijn boek Politeia, Henry James gaat er in zijn boek Art of Fiction ook op terug

  • Vorm van vertellen waarin het vertelde zich als het ware voor de ogen van de lezer afspeelt. (het vertelde wordt getoond, direct en op een dramatische manier: dramatische scènes) We voelen nauwelijks nog de aanwezigheid van de verteller

  • Vond de ‘mimetische’ vertelvorm verwerpelijk omdat degene die de tekst voordroeg in die passages deed alsof hij iemand anders was en rechtstreeks in de naam van een ander personage sprak.

73
New cards

diegesis

  • Plato in zijn boek Politeia, Henry James gaat er in zijn boek Art of Fiction ook op terug

  • Vorm van vertellen waarin het vertelde zich niet als het ware voor de ogen afspeelt, maar de lezer zich zeer sterk bewust is van de bemiddelende rol van de verteller. Vertellend passages

  • Verkoos diëgetische vertelvorm omdat de verteller daar tenminste niet doet alsof hij iemand anders is.

74
New cards

directe rede

  • de verteller citeert personages en laat hen rechtsreeks aan het woord

  • bv. Hij zat op de bank. “Waarom vragen ze mij aan dat project mee te werken?”, dacht hij. (mimesis)

75
New cards

indirecte rede

  • de verteller herhaalt in zijn eigen woorden wat de personages zeggen

  • bv. Hij zat op de bank en overwoog waarom ze hem vroegen om aan dat project mee te werken.

76
New cards

vrije indirecte rede/style indirect libre

  • tussenvorm is indirecte rede in directe rede

  • bv. Hij zat op de bank. Waarom vroegen ze hem aan dat project mee te werken?

77
New cards

psycho-narration

  • Amerikaanse literatuurwetenschapster Dorrit Cohn

  • wanneer de verteller inzage heeft in de gedachten van personages en die ook zonder veel omhaal en op afstand weergeeft

  • bv. romans van Jane Austen

  • dissonance: wanneer personage en verteller met elkaar van mening verschillen

78
New cards

quoted monologue

  • Amerikaanse literatuurwetenschapster Dorrit Cohn

  • wanneer de verteller het woord rechtsreek aan het personage geeft, via directe rede of eventueel stream of consciousness

79
New cards

narrated monologue

  • Amerikaanse literatuurwetenschapster Dorrit Cohn

  • wanneer er sprake is van vrije indirecte rede. Roept vraag op: Kunnen we de verteller altijd blijven geloven?

80
New cards

Triangularization

  • Jonathan Culler in Theory of Lyrics (2015)

  • Een spreker richt zich tot een afwezig iemand en de woorden van het gedicht worden door iemand anders gehoord. Typerend voor poëzie is dat de lezer buitengesloten lijkt, maar wel getuige is van intimiteit.

  • Teken bij uitstek van indirectheid vinden we volgens Culler in de stijlfiguur van de apostrof

81
New cards

De taal van de paradox en de ironie

  • New Critics Cleanth Brooks

  • De taal van de poëzie is de taal van de paradox en de ironie. De taal is vaak niet eenduidig maar dubbelzinnig. Roepen dubbelzinnigheid op door woorden en beelden op een niet-evidente manier met elkaar te laten reageren. Taal van de poëzie onderscheidt zich van de taal van de wetenschap door indirectheid.

82
New cards

Disseminatie

  • Frans-Algerijnse denker Jacques Derrida

  • Hij ging op zoek naar een nieuwe manier van lezen naar plaatsen en gedichten waarin het proces van de talige disseminatie (de uitzaaiing van betekenissen) zich toonde. De betekenis van een tekst ligt nooit vast.

83
New cards

Aporie

  • critici Paul De Man

  • De wispelturigheid van taal en de plekken in de tekst waarin de betekenis niet vastgelegd kan worden. Zit vaak in passages waar de figuurlijkheid van de taal in conflict komt met de ‘letterlijkheid’ van de syntaxis

84
New cards

dialogisme

  • Russische literatuurwetenschapper Mikhail Bakhtin

  • Teksten zijn intertekstueel. Taaluiting kn nooit op zichzelf staan, maar is altijd verbonden aan andere taaluitingen, al is het maar omdat ze put uit het collectief reservoir aan linguïstische middelen (woorden, frasen, uitdrukkingen,…). Elke taaluiting is dus een antwoord op een eerder gestelde vraag.

85
New cards

Anxiety of influence

  • Amerikaanse literatuurwetenschapper Harold Bloom

  • de vrees om op een aal te zichtbare manier door hun voorgangers beïnvloed te worden, dichters onderhevig aan zijn. Intertekstuele taalspel heeft ook te maken met de psychologie van de dichter die origineel wilde zijn.