1/20
Deze flashcards dekken de kernconcepten van politieke communicatie uit les 3, inclusief de theorieën van agenda-setting, priming en framing, hun grondleggers en causale mechanismen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Agenda-setting
Het proces waarbij de media bepalen waarover mensen denken (issue salience) in plaats van wat mensen denken (issue positions).
Cohen (1963)
Auteur van de beroemde quote: "The press may not be successful much of the time in telling people what to think, but it is stunningly successful in telling people what to think about."
Issue salience
De mate van belang die aan een bepaald thema wordt gehecht door het publiek als gevolg van media-aandacht.
McCombs & Shaw (1972)
Grondleggers van agenda-setting die via onderzoek naar de presidentscampagne in Chapel Hill (1968) een correlatie van .979 vonden tussen media-aandacht en publiek belang.
Spurious relationship
Een kritiekpunt op agenda-setting waarbij wordt gesuggereerd dat zowel media als publiek simpelweg reageren op de 'real world' (werkelijke gebeurtenissen).
Obtrusive vs. Non-obtrusive issues
Een factor in de contingency van agenda-setting waarbij het effect verschilt naargelang een thema direct ervaarbaar is of ver van het publiek afstaat.
Need for orientation
De behoefte van het publiek aan sturing, bepaald door de relevantie van het onderwerp en de mate van onzekerheid daarover.
Inter-media agenda-setting
De tendens waarbij verschillende media-outlets op dezelfde issues focussen en elkaars agenda overnemen.
Priming
Het effect waarbij de hoeveelheid media-aandacht voor een issue bepaalt hoe zwaar dat issue doorweegt bij het beoordelen van politieke kandidaten.
Iyengar & Kinder (1987)
Grondleggers van priming en auteurs van 'News that matters', die aantoonden dat TV-nieuws de standaarden beïnvloedt waarmee regeringen en kandidaten worden beoordeeld.
Issue ownership
Een partijstrategie om zich te profileren op thema's waarvan het publiek vindt dat die specifiek bij die partij horen of door hen het best behandeld worden.
Framing
Een metacommunicatieve boodschap die een denkkader aanbiedt waardoor een situatie betekenis en samenhang krijgt (Van Gorp, 2004).
Episodische vs. Thematische frames
Een vorm van generieke frames waarbij de focus ligt op specifieke gebeurtenissen (episodisch) versus een bredere context of maatschappelijke trends (thematisch).
Kahneman & Tversky (1979)
Psychologische grondleggers van framing, bekend van het 'Asian disease experiment' over equivalence framing.
Equivalence framing
Een vorm van framing waarbij de inhoud van de boodschap identiek is, maar anders gepresenteerd wordt (bijvoorbeeld als winst of verlies).
Gain frame vs. Loss frame
Framing waarbij de focus ligt op wat men kan winnen (leidt vaak tot de zekere optie) versus wat men kan verliezen (leidt vaak tot de risicovolle optie).
Emphasis framing
Een concept van Entman (1993) waarbij specifieke aspecten van de werkelijkheid worden geselecteerd om een bepaalde probleemdefinitie of evaluatie te bevorderen.
Frame-building
Het onvermijdelijke proces van het kiezen van een perspectief bij het maken van nieuws, vergelijkbaar met het kadreren van een foto.
Accessibility
Het causale mechanisme achter agenda-setting gebaseerd op recency (recentheid) en frequency (frequentie) in het geheugen.
Applicability
Het causale mechanisme achter framing waarbij een thema wordt geassocieerd met een specifieke interpretatie door frequente combinatie.
Second-level agenda-setting
Een term die soms wordt gebruikt voor framing, waarbij niet alleen het onderwerp maar ook de kenmerken (attributes) ervan worden gezet door de media.