1/141
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
opbouw Lippen
huid
epidermis: verhoornd, meerlagig plaveiselepitheel
dermis: zweet- en sebumklieren, haartjes
lippenrood
epidermis: minder verhoornd
dermis: sterke vascularisatie en innervatie
mucosa (intern)
epitheel: niet-verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
lamina propria: kleine speekselkliertjes
centrale as: m orbicularis oris
opbouw wangen
huid
epidermis: verhoornd, meerlagig plaveiselepitheel
dermis: zweet- en sebumklieren, haartjes
mucosa (intern)
epitheel: niet-verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
lamina propria: kleine speekselkliertjes
centrale as: m buccinator
opbouw tanden
kroon:
glazuur
dentine
pulpaholte
hals:
gingiva (omringend) en sulcus gingivalis
glazuur
dentine
pulpaholte
wortel
dentine
parodontaal ligament
wortelkanaal
cement
foramen apicale
tandglazuur
97% kalkzouten => hard weefsel
buitenste laag ameloblasten => 3% organische matrix
verdwijnt bij uitbreken vd tand
dentine
= tandbeen
70% kalkzouten
30% organische matrix
binnenste laag odontoblasten => 30% organische matrix
op grens tss dentine en pulpa
dunne celuitlopers => gestreept aspect
tandcement
aanmaak door cementocyten en cementoblasten
65% mineraalgehalte
parodontaal ligament
collageenvezels (= vezels van Sharpey) hechten cement aan alveolair bot
periodontium/parodontium
weefsels die tanden omgeven en ondersteunen
cement, periodontaal ligament, alveolair bot, gingiva
tandpulpa
pulpaholte/pulpakamer
losmazig bindweefsel (=> bleek uitzicht)
stervormige fibroblasten, collageen, amorfe grondsubstantie
bevat bloedvaten, lymfevaten en zenuwvezels
onderaan begrensd door foramen apicale
gingiva
= tandvlees
weinig verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
lamina propria met hoge bindweefselpapillen en veel bloedvaten
sulcus gingivalis die loopt tot cement-glazuur junctie
algemene opbouw mondholte
epitheel: meerlagig plaveiselepitheel
lamina propria: dunne bindweefsellaag met bloedvaten, lymfevaten en zenuwen
submucosa: losmazig bindweefsel met grote bloedvaten, lymfevaten en zenuwen + speekselklieren en lymfoïd weefsel
regionale verschillen mondholte
buccaal, sublinguaal, zacht verhemelte
niet verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
hard verhemelte, gingiva, bovenkant tong
parakeratotisch verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
bot van hard verhemelte en gingiva
geen submucosa
rechtstreekse botverankering van lamina propria
parakeratotische verhoornd epitheel
wel keratine, celkernen verdwijnen niet
orthokeratotisch verhoornd epitheel
keratine en verdwijnen van de celkernen
opbouw tongpapillen
bindweefsel as bedekt met meerlagig plaveiselepitheel
papillae filiformes
kleinste papillen
draadvormig
puntig
sterk verhoornd epitheel (grijs-wit)
papillae fungiformes
omgeven door papillae filiformes
paddenstoelvormig
sterk gevasculariseerde bindweefselas
weinig verhoornd epitheel
smaakknoppen op bovenvlak
papillae circumvallatae
grootste papillen (8-12 in totaal)
net voor sulcus terminalis
omgeven door wal met talrijke smakknoppen
von Ebner klieren in wal = sereuze speekselklieren
secreteren spoelvloeistof voor voedseldeeltjes
papillae foliatae
lateraal op tong
weinig ontwikkeld bij de mens
bladvormig
talrijke smaakknoppen
dorsale zijde vd tong
= bovenzijde
verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
dunne stevige lamina propria = aponeurosis
sterke verbinding aponeurosis met dwarsgestreept spierweefsel (bindweefsel dringt diep tss spierbundels)
geen submucosa
spierbundels in +-3 loodrechte richtingen
mediaal bindweefselseptum
ventrale zijde vd tong
= onderzijde
niet-verhoornd meerlagig plaveiselepitheel zonder papillen
submucosa met talrijke speekselklieren
mediaal tongriempje/tongfrenulum
farynxgedeelte vd tong
= achterste 1/3
geen papillen
lymfoïd weefsel creëert hobbelig oppervlak met rond verhevenheden
= tonsillae linguales
farynx
niet-verhoornd meerlagig plaveiselepitheel
lamina propria
dikke submucosa
dwars gestreepte spieren
dunne laag fibreus bindweefsel
kleine seromuceuse klieren
kleine en grote lymfoïde aggregaten
ring van Waldeyer
ringvormige schikking lymfoïde aggregaten in de farynx
= afweersysteem rond luchtwegen en spijsverteringskanaal
opbouw holle organen GI tractus
mucosa
submucosa
muscularis propria
adventitia (geen mesotheel) of serosa (wel mesotheel)
opbouw mucosa holle GI tractus
epitheel
lamina propria
losmazig bindweefsel: bloedvaten, lymfevaten, soms klieren & lymfoïd weefsel
muscularis mucosae (glad)
types mucosa GI tractus
protectief
mondholte, farynx, slokdarm, anaal kanaal
meerlagig plaveiselepitheel
secretoir
maag
lange, dens gespreide tubulaire klieren
produceren maagzuur en verteringsenzymen → vertering
produceren mucus → bescherming tegen zuur en enzymen
absorptief
dunne darm
talrijke villi → toename oppervlak
bevat crypten tss villi = korte klieren
absorptief/secretoir
dikke darm
dicht opeengepakte tubulaire klieren
water-absorberende klieren
slijmbekercellen → mucusproductie
opbouw submucosa holle GI tractus
losmazig bindweefsel (denser dan in lamina propria)
veel bloed- en lymfevaten
kleine klieren en lymfoïd weefsel
GALT
= gut associated lymphoid tissue
lymfoïd weefsel in mucosa en submucosa vd GI tractus
opbouw muscularis propria holle GI tractus
2-lagig: circulair (diep) en longitudinaal (oppervlakkig) glad spierweefsel
bindweefsel met bloed- en lymfevaten tussen en rond spierlagen
thv slokdarm en anaal kanaal ook dwarsgestreept spierweefsel
opbouw adventitia holle GI tractus
bindweefselhuls
bloed- en lymfevaten
serosa wanneer omgeven door mesotheel (= visceraal peritoneum) → grootste deel vd GI tractus
plexus van Meissner
= plexus submucosus
autonome bezenuwing in submucosa vd GI tractus
plexus van Auerbach
= plexus myentericus
autonome bezenuwing tussen spierlagen vd GI tractus
opbouw mucosa slokdarm
niet-verhoornd meerlagig plaveiselepitheel (10-15% dikte)
lamina propria (50-75% dikte)
losmazig bindweefsel
bloed- en lymfevaten
papillen
cardiaklieren
muscularis mucosae
longitudinale gladde spierlaag
dikker naar distaal
cardiaklieren in oesophagus
= mucus secreterende klieren
vnl bovenste en onderste 1/3
korte afvoergang door epitheel
lijkt op cardiaklieren in de maag
opbouw submucosa slokdarm
losmazig bindweefsel
oesophagusklieren
talrijker boven en onderaan
lijken op speekselklieren in de mond
afvoergang met kubisch epitheel en daarna meerlagig plaveiselepitheel waarna uitmonding in lumen
opbouw muscularis propria slokdarm
bovenste 50% = dwarsgestreept
onderliggend = combinatie glad en dwarsgestreept
onderste 50% = glad
plexus van auerbach tss de spierlagen
2 functionele sfincters
bovenaan en onderaan de oesophagus
geen toename in spierlaag → wel hogere tonus
opbouw adventitia slokdarm
bindweefsel dat versmelt met omgevende structuren
serosa slokdarm
= adventitia met mesotheel
klein deel thv diafragma
macroscopische opbouw maagwand
rugae/longitudinale plooien
mucosa en submucosa
worden strakgetrokken bij vullen vd maag
areae gastricae
veldjes 1-6mm op maagoppervlak door niet-verstrijkende ondiepe plooien (=foveolae gastricae)
als kasseien naast elkaar geschikt
microscopische opbouw maagwand
mucosa
eenlagig cilindrisch epitheel
lamina propria met klieren (= slijmnapcellen)
best ontwikkeld in cardia
minst ontwikkeld in fundus door densiteit klierbuizen
muscularis mucosae
2-3 gladde spierlagen
vnl thv pylorus
submucosa
losmazig bindweefsel
bloed- en lymfevaten
muscularis propria
binnenste schuine spierlaag
middelste circulaire spierlaag → verdikt thv pylorus = sfincter
buitenste longitudinale spierlaag
serosa (dun)
slijmnapcellen
produceren beschermende mucus en bicarbonaat in de maag
secreetgranula apicaal in de cel en sterk begrensd van overige cytoplasma
ronde kern basaal in de cel
antrum
= deel vd maag net proximaal vh pyloruskanaal
pyloruskanaal
= pylorus-sfincter en -opening aan distale deel vd maag
opbouw cardia
= proximale deel vd maag
dunnere mucosa vgl met rest vd maag
vnl opgebouwd uit foveolae gastricae (50% dikte)
cardiaklieren (vgl met oesophagale)
meer lamina propria vgl met rest vd maag
mucus-secreterende cellen
afgeplatte kern (≠ slijmnapcellen)
bleke, schuimerige mucus
opbouw corpus en fundus vd maag
grootste producent maagsecreet
mucosa voor <25% uit foveolae
klieren
meerdere klieren monden met gemeenschappelijk vernauwd deel (isthmus) uit in 1 foveolae
lopen recht (soms onderaan gebogen/vertakt)
productie maagsap (maagzuur/HCl, pepsine, mucus)
opbouw uit isthmus (pariëtale cellen), hals (pariëtale-, hoofd- en muceuse halscellen) en basis (vnl hoofd- en minder pariëtale cellen)
muceuse halscellen
vnl in hals van klieren in de maag
PAS positief, moeilijk zichtbaar op HE
lijken op mucus-secreterende cellen in cardia en pylorus
kleiner dan slijmnapcellen
ronde kern, apicale mucus
mucus histochemisch ≠ mucus van slijmnapcellen
hoofdcellen of zymogene cellen
vnl in onderste helft vd klierbuis van maagklieren
kubisch met basale kern
secreet wordt in maaglumen tot pepsine omgezet (= proteolytisch enzyme)
paarsblauwe kleuring op HE
pariëtale cellen of wandcellen
= oxyntische cellen
vnl in isthmus en hals van maagklieren
productie HCl en intrinsic factor
pyramidaal met apex naar maaglumen
centrale ronde kern (spiegelei uiterlijk)
sterk eosinofiel
neuroendocriene cellen of entero-endocriene cellen
vormen diffuus neuroendocrien systeem thv basis van maagklieren
moeilijk zichtbaar op HE
producten naar lamina propria ipv lumen (in vgl met andere kliercellen)
enterochromaffine-achtige cellen (ECL)
productie van histamine
minder enterochromaffiene cellen (EC)
productie van serotonine
stamcellen maagklieren
thv isthmus
pluripotente voorlopers
cellen thv lumen, foveolae en klierbuizen => epitheelcellen
opbouw pylorus-kanaal en pylorus-antrum
foveolae dieper dan in corpus
tubulaire klieren
lijken op klieren v cardia
vnl mucus-secreterende cellen → produceren ook lysozym
ook neuroendocrieen cellen
net onder foveolae in halsregio vd maagklieren
50% G-cellen (productie gastrine => stimulatie maagsecretie)
30% EC-cellen (productie serotonine)
15% D-cellen (productie somatostatine)
opdeling en functie vd dunne darm
duodenum
jejunum
ileum
voltooiing verteringsproces
maximale resorptie spijsverteringsproducten
→ functie door groot opp & langdurig contact tss voedsel en verteringsenzymen/resurberende cellen
oppervlaktevergroting dunne darm
5m in lengte
plicae circulares
dwars op lengte
uitstulpingen mucosa & submucosa
vnl in jejunum
darmvlokken (villi)
0.5-1.5mm
epitheel & lamina propria
verkorten in ileum
microvilli
op resorberende darmepitheelcellen
opbouw mucosa dunne darm
eenlagig cilindrisch epitheel met villi (abrupte overgang pylorus - dunne darm)
enterocyten (= resorberende cellen)
slijmbekercellen
neuroendocriene cellen
intra-epitheliale lymfocyten
lamina propria met crypten
stamcellen
neuroendocriene cellen
cellen van Paneth
muscularis mucosae
enterocyten in dunne darm
resorbtie en enzymatische activiteit
cilindrische cellen
basale ovale kern
apicaal brush border
microvilli
glycocalix
ontstaan in crypten → migreren naar top vd villus
slijmbekercellen in dunne darm
mucusproducerende cellen
PAS positief
secretiegranulen met mucus thv apicale deel
zorgen voor afplatting vd kern
stijgt in aantal hoe distaler
ontstaan in crypten → migratie naar top vd villus
neuroendocriene cellen in dunne darm
vnl in crypten
eosinofiele cytoplasmatische granulen → subnucleair!
productie v hormonen
gastrine, secretine, cholecystokine, motiline, GIP, VIP, bombesine, somatostatine
regulatie vd maag-, darm-, pancreas- en galsecretie
klieren in dunne darm
= crypten van Lieberkühn
in lamina propria
uitmonding tss villi
lopen tot muscularis mucosae
epitheel met stamcellen, enterocyte- en slijmbekercelvoorlopers, neuroendocriene cellen, Panethcellen
stamcellen in dunne darm
in epitheel vd crypten thv uitmonding
differentiatie naar enterocyten/slijmbekercellen/neuroendocriene cellen, migreren naar top vd villi, apoptose aan top vd villus
→ duurt < week
OF migratie naar bodem vd crypten → differentiatie naar Panethcellen
Panethcellen
overal in dunne darm, onderin crypten
omgeven door andere cellen
piramidale cellen met apex naar lumen
grote supranucleaire eosinofiele secretiegranulen
scheiden antimicrobiële peptiden af
lamina propria dunne darm
losmazig bindweefsel dat doorloopt in villi
verdedigingscellen (lymfocyten, plasmacellen, eosinofiele granulocyten)
in lamina propria in as vd villi ligt capillair netwerk en lymfevat
in lamina propria in centrale darm as liggen gladde spiercellen uit muscularis mucosae
Peyerse platen
lymfoïde aggregaten in lamina propria in ileum (dunne darm)
breiden uit in submucosa na doorboren muscularis mucosae
bedekt met gespecialiseerd epitheel
M (microfold) cellen
apicale microvilli
basale plooien → invaginatie met lymfocyten/dendritische cellen
transport macromoleculen en antigenen van lumen naar immuuncellen
muscularis mucosae dunne darm
onder crypten van Lieberkühn
gladde spiervezels → takken af en lopen in villi
contractie verhoogt absorptie/lymfetransport
submucosale klieren van Brunner
alleen in duodenum
dichte opeenhoping tubulaire klieren
afvoergangen eindigen in crypten
kubisch-cilindrische cellen
bleek uitzicht door mucine in cytoplasma
basale kern
produceren basisch slijm en oa urogastrone (peptide dat maagzuursecretie inhibeert)
klep van Bauhin
= ileocaecale klep
overgang dunne darm (ileum) en colon (caecum)
plooi uit mucosa en submucosa
verdikking circulaire laag muscularis propria
klepopening spleetvormig of ovaal
opdeling en functie dikke darm
caecum + appendix
colon ascendens - colon transversum - colon descendens - colon sigmoïdeum
rectum → anaal kanaal en anus
vnl ontwatering vd voedselbrij
slijm → transport voedselresten
mucosa zonder villi
eenlagig cilindrisch epitheel met crypten (worden dikker naar rectum toe)
lengte 1/3 dunne darm, diameter 6-7cm
Panethcellen in dikke darm
kleine aantallen in appendix, caecum, proximaal deel colon
mucosa epitheel in dikke darm
crypten van Lieberkühn
slijmbekercellen
meer dan in dunne darm
hoeveelheid neemt toe naar rectum
vnl in basis vd crypten
colonocyten (= cilindrisch absorptieve cellen)
microvilli en glycocalix
resorptie elektrolyten en water
meest voorkomende cellen aan luminale zijde
pluripotente stamcellen
basaal in crypten
migreren naar oppervlak
neuroendocriene cellen
lamina propria mucosa in dikke darm
verspreid lymfoïde aggregaten tss crypten
minder lymfevaten dan in dunne darm
submucosa dikke darm
geen plicae circulares (<=> dunne darm)
muscularis propria in dikke darm
binnenste circulaire laag
buitenste longitudinale laag
niet doorlopend
3 taeniae coli (= afzonderlijke overlangse stroken van +-12mm)
plicae semilunares (plooien aan binnenkant)
haustrae (uitpuilingen aan buitenkant)
wel volledige laag thv rectum
serosa in dikke darm
enkel thv intraperitoneaal deel colon
vormt vetuitstulpingen aan weerszijden vd taeniae coli
= appendices epiploicae
opbouw rectum
15 cm distaal vanaf linea dentata
deel vh recutm onder peritoneale omslagplooie is geen serosa → adventitia
macroscopische miscopbouw appendix
uitstulping caecum
5-10 cm
morfologie = colon (geen villi)
stervormig lumen op doorsnede
microscopische opbouw appendix
mucosa
epitheel met absorptieve en slijmbekercellen
korte crypten met Panethcellen en neuroendocriene cellen
crypten minder dicht op elkaar dan rest vh colon
lamina propria met veel lymfoïd weefsel (kenmerkend) en weinig muscularis mucosae (ontbreekt vaak)
submucosa
losmazig bindweefsel
doorlopend lymfoïd weefsel uit mucosa
muscularis propria
circulaire en doorlopende (!) longitudinale laag
serosa
enkel bij aanhechting mesoappendix
anorectale overgang
= anorectale junctie
overang tss rectum en anaal kanaal
M puborectalis draait hier rond rectum
anaal kanaal
3-5 cm
deel tss rectum en anus
4 microscopische zones:
colorectale zone (anorectale zone)
proximaal van linea dentata
bekleding door colorectale mucosa (eenlagig cilindrisch epitheel)
anale transitiezone (ATZ)
overgang tss colorectale zone en squameuze zone
4-9 cellagen epitheel
oppervlakkige laag cilindrische, kubische of afgeplatte epitheelcellen
uitmondingszone anale klieren
squameuze zone
meestal vanaf 1cm proximaal van linea dentata
meerlagig plaveiselepitheel zonder huidadnexen
perianale huid
meerlagig plaveiselepitheel met huidadnexen
haren, sebumklieren, zweetklieren, apocriene klieren
linea dentata
op 2/3 distaal vh anaal kanaal (= 1-2cm boven anus)
columnae anales = mucosa en submucosa vormen plooien proximaal vd linea dentata
sinus anales = groeven tussen columnae anales
valvulae anales = dwars gerichte plooien waar groeven in eindigen
sfincter rond anus
interne anale sfincter
dikkere circulaire gladde spierlaag onder linea dentata
fibormusculair weefsel
externa anale sfincter
laag dwarsgestreept spierweefsel
bloed- en lymfevaten in GI tractus
submucosale plexus (= arteriën door muscularis propria)
mucosale plexus (= takken naar mucosa rond klierbuizen)
parallel verloop veneuze terugkeer en lymfevaten
anders in dunne darm:
capillair netwerk in alle villi
blind eindigende chylevaten
opbouw speekselklierparenchym
druiventros opbouw
opbouw functionele eenheid:
secretoir deel = sereuze, muceuze, seromuceuze acini
schakelstuk = ductus intercalatus → samenkomende acini
speekselbuis = ductus striatus = buis van Pflüger
grote afvoerbuis = excretoire ductus → samenkomende ducti
omgeven door bindweefselkapsel met bindweefselschotten → lobuli en lobi
talrijke plasmacellen → antilichaamproductie
opbouw acinus speekselklier
sereuze acini
bol- tot piramidevormige cellen rond nauw lumen
typisch secretoire cellen
ronde basale kern
sterk basofiel cytoplasma
apicale secretoire granulen (bleek)
vnl bezenuwd door parasympathisch zenuwstelsel
muceuze acini
cilindervormig (tubuli)
grote cilindervormige cellen met basale platgedrukte kern
apicale mucine granulen
vnl bezenuwd door orthosympathisch zenuwstelsel
seromuceuze acini
muceuze cellen
perifeer halvemaanvormig geschikte sereuze cellen
sereus product langs intercellulaire ruimte naar centraal lumen
rond acinus en ductus intercalatus liggen myo-epitheliale cellen
platte cellen met contractiele cytoplasmatische uitlopers
parotis speekselklier
zuiver sereuze klier
uitsluitend sereuze acini
submandibulaire speekselklier
gemengd sereus, muceus en tubulo-acinaire klier
vnl sereuze cellen, ook muceuze cellen
sublinguale speekselklier
gemengd sereus, muceus en tubulo-acinaire klier
2/3 muceuze cellen
geen bindweefselkapsel
ductus intercalatus speekselklier
volgt op acinus
kleine kubische cellen omgeven door myo-epitheliale cellen
best ontwikkeld bij sereuze acini
ductus striatus speekselklier
cilindrische eosinofiele cellen
basis van cellen draagt verticale streping
diepe invaginaties van celmembraan omgeven met mitochondriën (sterk eosinofiel)
excretoire ducti speekselklier
eenlagig cilindrisch epitheel → cilindrisch pseudomeerlagig epitheel → meerlagig plaveiselepitheel
diameter neemt toe
verloop en functie speeksel
productie in acini → aanpassing door ducti
water reabsorptie samen met Na+ en Cl- in uitwisseling voor K+ en HCO3-
functie
start spijsvertering - suikerontbinding
maakt voedsel vochtig en glijdend
buffert voedsel
antibacteriëel
opbouw lever
eenheidsstructuur = leverlobulus = hexagonale balk met diamater 0.7mm
radiair geschikte anastomoserende platen van hepatocyten rond centrale vene
gescheiden door sinusoïden
portale velden = driehoekjes van Kiernan
op hoekpunten zeshoek
bindweefselstreng met portale triade (a hepatica, v portae, galkanaaltje) en zenuwvezels en lymfevaten
bloed van portale velden via sinusoïden naar centrale vene → draineren naar v hepatica
leversinusoïden
capillairen tussen 2 leverparenchymplaten met fenestraties
geen basale membraan
ruimte van Disse
celvrije ruimte tss sinusoïdale wand en hepatocyten
uitwisseling bloedplasma en hepatocyten
talrijke microvilli van hepatocyten
Kupffercellen, HSCellen, Pit cellen
Kupffercellen
macrofagen
stervormig
in lumen vd leversinusoïden → uitlopers tussen endotheel
Hepatisch Stellaire Cellen
= HSC = stellaatcellen
pericyten van leversinusoïden
gemodificeerde fibroblasten (myofibroblast-like cellen)
in ruimte van Dissa aan abluminale zijde vd endotheelcellen
in rust opstapelen van vet en vit A
bij activatie productie van collageen en littekenweefselvorming
Pit cellen
lever-specifieke natruralkiller cellen
vastgehecht aan luminale zijde vd endotheelcellen
hepatocyten
grote kubische tot polyhedrische cellen
centrale ronde kern en eosinofiel cytoplasma rijk aan mitochondriën
minstens 2 zijden in direct contact met sinusoîden via ruimte van Disse → andere zijden maken contact met naburige hepatocyten
overvloedig glycogeen in cytoplasma
stapelt triglyceriden in kleine/grote vetdruppels = micro-/macrovesiculaire steatose
bevat geelbruin pigment (lipofuscine)
intrahepatische galwegen
canaliculi
blind beginnend deel galafvoersysteem
fijne intercellulaire kanaaltjes
wordt afgelijnd door celmembranen van 2 aangrenzende hepatocyten (geen eigen bekleding)
microvilli
monden uit in kanaaltjes van Hering
Kanaaltjes van Hering
perifeer in lobuli (niet zichtbaar op HE)
wand uit hepatocyten en choangiocyten (kubische cellen)
verbinding tss intralobulaire canaliculi en eigenlijk galwegsysteem
monden uit in ductuli in portale veldjes
ductuli
in portale veldjes
afgelijnd door cholangiocyten (kubisch - cilindrische cellen)
omgeven door bindweefselhuls
verenigen tot interlobulaire ducti in portale veldjes
interlobulaire ducti
afgelijnd door cholangiocyten (kubisch - cilindrische cellen)
omgeven door bindweefselhuls
groter Li en Re intrahepatische ducti zijn grootste interlobulaire ducti → komen ui leverkwabben
gaan over in extrahepatische galwegen
opbouw extrahepatische galwegen
ducti hepaticus, cysticus en choledochus
hoog cilindrisch epitheel met weinig mucus → instulpingen in omliggend dens bindweefsel
peribiliaire klieren in bindweefsel
tubulair
laag-cilindrisch tot kubisch epitheel
mucus in cytoplasma
vnl distaal in ductus choledochus
spiercellen perifeer in bindweefsel
onvolledig circulair in choledochus
sfincter van Boyden in duodenum (= volledige dikke spierlaag)
ductus choledochus en ductus pancreaticus verenigen of lopen afzonderlijk naar papil van Vater (opening in duodenum)
vormen soms ampulla van Vater
sfincter van Oddi zit rond papil van Vater
functie extrahepatische galwegen
metabool centrum
eiwitsynthese en secretie
vetsynthese
galproductie → secretie galzouten en bilirubine
opslag v metabolieten
stofwisselingsfunctie
detoxificatie en inactivatie van oa geneesmiddelen
opbouw galblaas
mucosa
cilindrisch epitheel met basale ovale kernen + korte microvilli
lamina propria uit losmazig bindweefsel
tubulo-alveolaire klieren in buurt vd hals = instulpingen epitheel in lamina propria
GEEN muscularis mucosae en submucosa
glad spierweefsel
spierbundels in alle richtingen
serosa aan onderzijde
goed ontwikkels dens bindweefsel en mesotheel
adventitia aan bovenzijde
sinussen van Rokitansky-Aschoff
thv galblaas
= diepe epitheel invaginaties (tot voorbij spierlaag)