1/164
45 namen + 120 termen
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
John Locke
Engelse filosoof (1632–1704) en grondlegger van het liberalisme. Verdedigde de ideeën van volkssoevereiniteit, natuurrechten (leven, vrijheid, eigendom) en scheiding van kerk en staat. Zijn denken beïnvloedde sterk de Amerikaanse en Franse Revolutie.
Lodewijk XVI
Franse koning (r. 1774–1792) die regeerde tijdens de Franse Revolutie. Zijn zwakke leiderschap, financiële crisis en onvermogen om te hervormen leidden tot zijn afzetting. Hij werd in 1793 geëxecuteerd door de guillotine.
Abbé Sieyès
Franse geestelijke en politiek denker. Auteur van het invloedrijke pamflet 'Qu'est-ce que le Tiers État?' (1789), waarin hij argumenteerde dat de Derde Stand (het gewone volk) de ware natie vertegenwoordigt. Speelde ook een rol bij de staatsgreep van Napoleon in 1799.
Olympe de Gouges
Franse schrijfster en politiek activiste (1748–1793). Schreef in 1791 de 'Déclaration des droits de la femme et de la citoyenne' als antwoord op de exclusief mannelijke rechtenverklaring. Ze werd in 1793 geëxecuteerd wegens haar politieke uitspraken.
Maximilien de Robespierre
Frans revolutionair en leider van het Comité de salut public tijdens de Terreur (1793–94). Verdediger van de Republiek en de 'deugd', maar verantwoordelijk voor duizenden executies. Zelf geguillotineerd in 1794 (Thermidoriaanse reactie).
Napoleon Bonaparte
Frans generaal en staatsman (1769–1821) die na de Revolutie aan de macht kwam als Eerste Consul en later keizer. Hij codificeerde de revolutionaire verworvenheden in de Napoleontische wetgeving, voerde veroveringskriogen door heel Europa en werd uiteindelijk verbannen naar Sint-Helena.
Jean-Jacques Rousseau
Geneefs-Franse filosoof (1712–1778). Ontwikkelde het concept van het 'maatschappelijk verdrag' (contrat social) en de 'volkssouvereiniteit'. Benadrukte de oorspronkelijke goedheid van de mens (de 'nobele wilde') en de corrumperende invloed van de beschaving. Grote inspiratiebron voor de Romantiek en de Revolutie.
Gebroeders Grimm
Jacob (1785–1863) en Wilhelm Grimm (1786–1859), Duitse filologen en cultureel nationalisten. Verzamelden en publiceerden volksverhalen (Kinder- und Hausmärchen) als uitdrukking van de 'Duitse ziel'. Pioniers van de linguïstiek en de 'invention of tradition'.
Louis-Philippe van Orléans (le Roi bourgeois)
Koning der Fransen (r. 1830–1848) na de Julirevolutie van 1830. Vertegenwoordigde een constitutionele monarchie gesteund door de bourgeoisie. Zijn bewind eindigde met de revolutie van 1848.
Leopold I van België
Eerste koning der Belgen (r. 1831–1865), gekozen na de Belgische onafhankelijkheid van 1830. Verstevigde de nieuwe staat, voerde een voorzichtige buitenlandse politiek en legde de basis voor de Belgische monarchie.
Florence Nightingale
Britse verpleegster en sociaal hervormer (1820–1910). Pionier van de moderne verpleegkunde tijdens de Krimoorlog. Gebruikte statistische visualisaties om hygiënehervormingen in militaire hospitalen te bepleiten. Grondlegster van professionele verpleging.
Otto von Bismarck
Pruisische staatsman (1815–1898) en architect van de Duitse eenmaking (1871). Via 'bloed en ijzer' (realpolitik) verenigde hij de Duitse staten onder Pruisische leiding. Als Rijkskanselier voerde hij de eerste sociale wetgeving in Europa in (ziekte- en pensioenverzeking) om socialisme te counteren.
Karl Marx
Duits-joods filosoof en econoom (1818–1883). Ontwikkelde samen met Friedrich Engels het wetenschappelijk socialisme/communisme. Zijn hoofdwerk Das Kapital (1867) analyseerde het kapitalisme als uitbuitingssysteem. Het Communistisch Manifest (1848) riep de arbeidersklasse op tot revolutie.
Charles Maurras
Frans schrijver en politicus (1868–1952). Leider van de Action française, een radicaal-nationalistische en monarchistische beweging. Antisemiet en antidemocraat; zijn ideeën beïnvloedden het Vichyregime. Veroordeeld na WOII voor collaboratie.
Wilhelm II (Duitsland)
Duits keizer en Pruisisch koning (r. 1888–1918). Zijn agressieve buitenlandse politiek en militarisme droegen bij aan het uitbreken van WWI. Gedwongen tot abdicatie na de Duitse nederlaag in 1918; vluchtte naar Nederland.
Woodrow Wilson
Amerikaans president (1913–1921). Leidde de VS in WWI en ontwikkelde de Veertien Punten als basis voor een rechtvaardige vrede. Pleitte voor de oprichting van de Volkenbond, maar het Amerikaanse Congres weigerde lid te worden.
Mustafa Kemal (Atatürk)
Turks generaal en staatsman (1881–1938). Grondlegger van de moderne Turkse republiek (1923) na de val van het Ottomaanse Rijk. Moderniseerde en seculariseerde Turkije via ingrijpende hervormingen (alfabet, kledij, rechtssysteem). Zijn bijnaam Atatürk betekent 'Vader der Turken'.
Vladimir Lenin
Russisch revolutionair en leider van de Bolsjewieken (1870–1924). Leidde de Oktoberrevolutie van 1917 en stichtte de Sovjet-Unie. Voerde de Nieuwe Economische Politiek (NEP) in als tijdelijke concessie aan het kapitalisme. Grondlegger van het leninisme.
Jozef Stalin
Sovjet-leider (1878–1953) die Lenin opvolgde. Voerde de collectivisatie en industrialisatie door via gewelddadige vijfjarenplannen. Verantwoordelijk voor de Holodomor, de Great Terror en het Goelag-systeem. Leidde de USSR tijdens WWII en de vroege Koude Oorlog.
Benito Mussolini
Italiaans politicus (1883–1945) en grondlegger van het fascisme. Leidde Italië als 'Duce' van 1922 tot 1943. Sloot een alliantie met Hitler (As Rome-Berlijn). Werd in 1945 geëxecuteerd door partizanen.
Francisco Franco
Spaans generaal en dictator (1892–1975). Leidde de nationalistische opstand tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936–39) met hulp van Hitler en Mussolini. Regeerde Spanje als autoritair leider tot zijn dood in 1975.
Adolf Hitler
Duits politicus en dictator (1889–1945). Leider van de NSDAP en Führer van nazi-Duitsland (1933–45). Verantwoordelijk voor WWII in Europa en de Jodenmoord (Holocaust/Judeocide), waarbij circa zes miljoen Joden werden vermoord. Pleegde zelfmoord in 1945.
Elfriede Lohse-Wächtler
Duits expressionistisch kunstenares (1899–1940). Haar werk werd door de nazi's als 'entartet' (gedegenereerd) beschouwd. Zij leed aan een psychische aandoening en werd in 1940 als slachtoffer van het nazi-euthanasie-programma (Aktion T4) vergast.
Konrad Adenauer
Duits christendemocraat (1876–1967) en eerste bondskanselier van de Bondsrepubliek Duitsland (1949–63). Leidde de wederopbouw van West-Duitsland, integreerde het in de westerse alliantie (NAVO) en bevorderde de Europese samenwerking (EGKS).
Julius & Ethel Rosenberg
Amerikaans echtpaar (Julius: 1918–1953; Ethel: 1915–1953) veroordeeld voor spionage ten voordele van de Sovjet-Unie (doorgeven van atoomgeheimen). Geëxecuteerd op de elektrische stoel in 1953 tijdens het hoogtepunt van de Red Scare.
Fidel Castro
Cubaans revolutionair en staatsman (1926–2016). Leidde de revolutie die in 1959 dictator Batista omverwierp. Vestigde een communistisch regime op Cuba, overleefde de mislukte invasie in de Varkensbaai (1961) en de Cubaanse Rakettencrisis (1962).
Patrice Lumumba
Congolees nationalist en eerste premier van de onafhankelijke Democratische Republiek Congo (1960). Zijn pan-Afrikaanse en socialistische koers wekte argwaan bij de VS en België. Werd in 1961 vermoord, mede met medeweten van de CIA en de Belgische staat.
Mao Zedong
Chinees communistisch leider (1893–1976). Stichtte de Volksrepubliek China in 1949. Zijn beleid (Grote Sprong Voorwaarts, Culturele Revolutie) veroorzaakte tientallen miljoenen doden door hongersnood en politiek geweld.
Deng Xiaoping
Chinees communistisch leider (1904–1997) die na Mao's dood de macht overnam. Voerde marktgerichte hervormingen in ('socialisme met Chinese kenmerken') die China tot een economische grootmacht maakten. Verantwoordelijk voor de bloedige neerslag van de protesten op het Tiananmenplein (1989).
Lyndon B. Johnson
Amerikaans president (1963–1969). Lanceerde de 'Great Society'-hervormingen (burgerrechten, sociale zekerheid) maar werd ook geassocieerd met de escalatie van de Vietnamoorlog. Besloot in 1968 niet te herkiezen.
John F. Kennedy
Amerikaans president (1961–1963). Navigeerde de Cubaanse Rakettencrisis, lanceerde de ruimterace en steunde de burgerrechtenbeweging. Vermoord in Dallas op 22 november 1963. Zijn presidentschap staat symbool voor hoop en moderniteit ('Camelot').
Muhammad Ali (Cassius Clay)
Amerikaans bokser (1942–2016) en burgerrechtensymbool. Wereldkampioen zwaargewicht, hij weigerde de militaire dienst in Vietnam ('No Viet Cong ever called me nigger') en werd gediskwalificeerd. Symbool van Zwarte trots en verzet.
William Du Bois
Afro-Amerikaans socioloog en activist (1868–1963). Medeoprichter van de NAACP. Introduceerde het concept van 'double consciousness' (de innerlijke tweestrijd van de Zwarte Amerikaan). Pleit voor volledige burgerrechten en bestreed het accommodatiebeleid van Booker T. Washington.
Claudette Colvin / Rosa Parks
Beide Afro-Amerikaanse vrouwen die weigerden hun zitplaats af te staan aan een blanke in de gesegregeerde bussen van Montgomery, Alabama. Colvin deed dit in maart 1955 (9 maanden voor Parks). Rosa Parks' arrestatie in december 1955 leidde tot de succesvolle Montgomery Bus Boycott.
Simone de Beauvoir
Frans filosoof en schrijver (1908–1986). Haar baanbrekend werk 'Le Deuxième Sexe' (1949) analyseerde hoe de vrouw historisch als 'de Ander' werd geconstrueerd. Grondlegster van het moderne feminisme en existentialisme.
Betty Friedan
Amerikaans feministe (1921–2006). Haar boek 'The Feminine Mystique' (1963) analyseerde het ongenoegen van de Amerikaanse huisvrouw. Medeoprichtster van de NOW (National Organization for Women). Sleutelfiguur van de tweede feministische golf.
Margaret Thatcher
Brits premier (1979–1990) en icoon van het neoliberalisme. Voerde radicale bezuinigingen en privatiseringen door, brak de macht van de vakbonden en bestreed het socialisme ('There is no such thing as society').
Mikhaïl Gorbatsjov
Sovjet-leider (1985–1991). Lanceerde de hervormingsprogramma's glasnost (openheid) en perestrojka (herstructurering) om de USSR te moderniseren. Zijn beleid leidde onbedoeld tot de val van het communisme in Oost-Europa en de ontbinding van de Sovjet-Unie.
Karol Wojtyla
Pools kardinaal die in 1978 paus Johannes Paulus II werd. Eerste niet-Italiaanse paus in 455 jaar. Steunde de Poolse Solidarnosc-beweging en droeg bij aan de val van het communisme in Polen. Reisde wereldwijd en verdedigde traditionele katholieke waarden.
Nicolae Ceaușescu
Roemeens communist en dictator (1918–1989). Leidde Roemenië van 1965 tot 1989 met een extreem repressief en persoonsverheerlijkend regime. Werd tijdens de Roemeense Revolutie van 1989 gevangen genomen en op kerstdag geëxecuteerd.
Francis Fukuyama
Amerikaans politiek filosoof (geb. 1952). Auteur van 'The End of History and the Last Man' (1992), waarin hij stelde dat de westerse liberale democratie na de Koude Oorlog de definitieve en hoogste staatsvorm was bereikt. Dit idee werd later sterk bekritiseerd.
Theodor Herzl
Joods-Oostenrijks journalist (1860–1904). Grondlegger van het moderne zionisme. Na de Dreyfusaffaire overtuigd dat Joden een eigen staat nodig hadden. Organiseerde het Eerste Zionistische Congres in Bazel (1897) en schreef 'Der Judenstaat'.
David Ben-Gurion
Joods-Pools staatsman (1886–1973). Grondlegger en eerste premier van de staat Israël. Proclameerde de onafhankelijkheid in mei 1948 en leidde Israël tijdens de eerste Arabisch-Israëlische oorlog.
Yitzhak Rabin
Israëlisch generaal en staatsman (1922–1995). Premier van Israël (1974–77 en 1992–95). Ondertekende de Oslo-akkoorden met Yasser Arafat. Werd in 1995 vermoord door een Israëlische extremist die het vredesproces verwierp.
Yasser Arafat
Palestijns politicus (1929–2004). Oprichter van Fatah en leider van de PLO. Stond decennialang symbool voor de Palestijnse zaak. Ondertekende de Oslo-akkoorden en ontving de Nobelprijs voor de Vrede (1994). Zijn nalatenschap is omstreden.
Westerse moderniteit (alle kenmerken)
Complex historisch proces (ca. 1500–heden) gekenmerkt door: secularisering, industrialisering, verstedelijking, natievorming, democratisering, kapitalisme, individualisering en een geloof in vooruitgang (rationalisme). Westerse moderniteit verwijst naar het specifieke West-Europese en Noord-Amerikaanse model dat wereldwijd verspreid werd via kolonialisme en globalisering.
Modernisme
Culturele en artistieke stroming (late 19e–vroege 20e eeuw) die breekt met traditionele vormen. Kenmerken: experiment, abstractie, bewustzijnsstroom, fragmentatie. Reactie op de industrialisering en de crisis van het geloof in vooruitgang. Voorbeelden: kubisme, expressionisme, surrealisme, stream-of-consciousness literatuur.
'Lange 19e eeuw' / 'korte 20e eeuw'
Historiografische perioderingen van Eric Hobsbawm. De 'lange 19e eeuw' loopt van de Franse Revolutie (1789) tot het uitbreken van WWI (1914). De 'korte 20e eeuw' loopt van 1914 tot de val van de Berlijnse Muur (1989). Beide periodes worden gekenmerkt door specifieke politieke en economische dynamieken.
Scheiding der machten (trias politica)
Politiek principe geformuleerd door Montesquieu: de staatsmacht moet verdeeld zijn over drie onafhankelijke organen — de wetgevende (parlement), uitvoerende (regering) en rechterlijke macht — om machtsmisbruik te voorkomen. Fundamenteel principe van de moderne democratie.
Great acceleration / Great divergence
Great Acceleration: de explosieve toename van menselijke activiteit (industrie, bevolking, energie, CO₂) na 1945. Great Divergence: de groeiende economische kloof tussen Westerse landen en de rest van de wereld vanaf de industriële revolutie (ca. 1800). Beide concepten beschrijven de ongelijke verspreiding van moderniteit.
Wet van de remmende voorsprong
Concept van Jan Romein: landen die vroeg industrialiseren raken 'gevangen' in hun verouderde infrastructuur, terwijl laat-industrialiserende landen (zoals Duitsland of de VS) sneller modernere technologie kunnen adopteren en de eersten voorbijstreven.
Verlichting
Europese intellectuele beweging (ca. 1680–1800) gekenmerkt door geloof in rede, wetenschap, vooruitgang en kritiek op traditie, religie en absolutisme. Verlichtingsdenkers (Voltaire, Locke, Rousseau, Kant) beïnvloedden de Amerikaanse en Franse Revolutie en de moderne democratie.
De Encyclopédie
Groot Frans encyclopedisch werk (1751–72) geredigeerd door Diderot en d'Alembert. Bundelde de wetenschappelijke kennis van de tijd en propageerde Verlichtingsideeën. Subversief instrument tegen kerk en absolutisme; verboden in Frankrijk maar clandestien verspreid.
Franse en Amerikaanse revoluties
De Amerikaanse Revolutie (1776) en Franse Revolutie (1789) waren de eerste moderne democratische revoluties. Beide gebaseerd op Verlichtingsidealen: volkssoevereiniteit, mensenrechten, scheiding van machten. De Franse Revolutie was radicaler en gewelddadiger; de Amerikaanse resulteerde in een stabiele republiek.
Verlicht despotisme
Regeringsvorm waarbij absolute vorsten (zoals Frederik de Grote, Jozef II, Catharina de Grote) Verlichtingsideeën toepasten van bovenaf: hervormingen in onderwijs, recht en economie, maar zonder de macht af te staan. 'Alles voor het volk, niets door het volk.'
Bill of Rights
De eerste tien amendementen op de Amerikaanse Grondwet (1791). Garanderen fundamentele vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst, pers en het recht op een eerlijk proces. Cruciaal document voor het moderne liberale democratiebegrip.
Civil religion
Concept van Rousseau en later Robert Bellah: een seculier 'geloof' in de natie, haar symbolen (vlag, hymne, grondwet) en rituelen dat de sociale cohesie in een democratische samenleving vervangt. In de VS sterk aanwezig als 'American Creed'.
Déclaration des droits de l'homme et du citoyen
Verklaring aangenomen door de Franse Nationale Vergadering in 1789. Bevestigt de universele rechten van vrijheid, gelijkheid en volkssoevereiniteit. Fundamenteel document van de Franse Revolutie, gebaseerd op Verlichtingsidealen. Geldt enkel voor mannen.
Republikeinse kalender
Door de Franse Revolutie ingevoerde nieuwe kalender (1793–1805). Jaar 1 = 1792 (begin van de Republiek). Twaalf maanden van 30 dagen met nieuwe namen (naar de natuur), plus vijf vrije dagen. Symbool van de radicale breuk met het verleden en de christelijke tijdrekening.
Departementale indeling (Frankrijk)
Hervormde territoriale organisatie van Frankrijk tijdens de Revolutie (1790). Het land werd opgedeeld in 83 departementen van gelijke grootte, vernoemd naar geografische kenmerken. Verving de oude provincies en symboliseerde de rationele, gecentraliseerde republiek.
Romantiek
Culturele en artistieke stroming (ca. 1800–1850) als reactie op de Verlichting en industrialisering. Valoriseerde emotie, natuur, het verleden, het volkse en het nationale. Grote namen: Byron, Goethe, Delacroix, Beethoven. Voedingsbodem voor nationalisme.
Ideologievorming 1e helft 19e eeuw (conservatisme / liberalisme / vroegsocialisme / bonapartisme / nationalisme)
Na de Franse Revolutie kristalliseerden moderne ideologieën uit: • Conservatisme (Burke): behoud van traditie, godsdienst, hiërarchie. • Liberalisme (Locke, Mill): individuele vrijheid, constitutionele staat, vrije markt. • Vroeg socialisme (Owen, Saint-Simon): collectief eigendom, gelijkheid. • Bonapartisme: autoritaire nationale leider als volkssouverein. • Nationalisme: het volk als culturele/taalgemeenschap met recht op eigen staat.
Ideologievorming 2e helft 19e eeuw (socialisme [alle varianten] / christendemocratie / radicaal nationalisme)
Verder uitgewerkte ideologieën: • Marxisme: wetenschappelijk socialisme, klassenstrijd, revolutie. • Anarchisme: afschaffing van alle staatsstructuren. • Sociaaldemocratisme: hervormingen via democratisch proces. • Christendemocratie: sociale rechtvaardigheid vanuit katholieke sociale leer (Rerum Novarum). • Radicaal nationalisme: biologisch-racistisch nationalisme, antisemitisme, imperialisme.
Ideologievorming 1e helft 20e eeuw (fascisme)
Fascisme ontstond als reactie op liberalisme, communisme en de crisis na WWI. Kenmerken: ultranationalisme, leiderscultus, anti-marxisme, anti-liberalisme, geweld als politiek middel, corporatisme, expansionisme. Varianten: Italiaans fascisme, Duits nazisme, Spaans falangisme.
The invention of tradition
Concept van historici Eric Hobsbawm en Terence Ranger (1983). Veel 'oude' tradities (rituelen, symbolen, gebruiken) zijn in feite relatief recente creaties die bewust de indruk wekken van een lang verleden om nationale of sociale cohesie te versterken. Vb.: kilts in Schotland, de Belgische monarchie.
Restauratie / Congressysteem
Na Napoleons val (1815) herschiep het Congres van Wenen de Europese orde. Restauratie: herstel van de monarchieën en het ancien régime. Het Congressysteem: overleg tussen de grote mogendheden (concert of nations) om revoluties en oorlogen te voorkomen. Duurde tot ca. 1848.
Revolutiejaar 1830
Golf van revoluties in Europa in 1830. In Frankrijk viel Karel X en volgde Louis-Philippe. In België resulteerde de opstand tegen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in onafhankelijkheid. In Polen werd een opstand neergeslagen. Symbool van de spanning tussen restauratie en liberale/nationale aspiraties.
Coalitieoorlogen
Reeks oorlogen (1792–1815) tussen het revolutionaire en later napoleontische Frankrijk enerzijds en wisselende coalities van Europese mogendheden anderzijds. Verspreidden de revolutionaire idealen door Europa, maar veroorzaakten ook immense verwoesting.
Krimoorlog
Oorlog (1853–56) waarbij Rusland vocht tegen het Ottomaanse Rijk, gesteund door Groot-Brittannië, Frankrijk en Sardinië. Eerste moderne 'mediaoorlog' (fotografie, verslaggeving). Florence Nightingale werkte hier als verpleegster. Illustreerde het verval van het Ottomaanse Rijk en de Russische zwakte.
Eerste Geneefse Conventie (1864)
Internationaal verdrag dat minimumnormen vastlegde voor de behandeling van gewonde soldaten in oorlogstijd. Op initiatief van Henry Dunant na de Slag bij Solferino (1859). Grondslag van het humanitair oorlogsrecht en de Rode Kruisbeweging.
Frans-Pruisische (= Frans-Duitse) oorlog
Oorlog van 1870–71 tussen Frankrijk en de Pruisisch geleide Duitse staten. Pruisen won decisief; Napoleon III werd gevangengenomen. Leidde tot de uitroeping van het Tweede Duitse Keizerrijk in Versailles, de annexatie van Elzas-Lotharingen en de Commune van Parijs.
Ottomaanse (= Osmaanse) Rijk als 'zieke man van Europa'
Metafoor voor het zwakkende Ottomaanse Rijk in de 19e–vroege 20e eeuw. Het verloor geleidelijk gebieden (Balkan, Noord-Afrika) aan opkomende nationalistische bewegingen en Europese mogendheden. De vraag wie zijn grondgebied zou erven ('Oosterse Kwestie') was een centrale bron van Europese spanning.
Modern imperialisme (alle kenmerken)
Westerse expansie van ca. 1870–1914, gekenmerkt door: territoriale verovering van Azië en Afrika, economische uitbuiting, racistisch-paternalistisch discours ('beschavingsmissie'), concurrentie tussen grootmachten, en nieuwe technologieën (stoom, telegrafie, machinegeweer). Verschilt van vroeg kolonialisme door zijn systematische, staatsgestuurde aard.
Conferentie van Berlijn (1884-85)
Bijeenkomst van Europese mogendheden om de kolonisatie van Afrika te reguleren ('scramble for Africa'). Koloniale grenzen werden getrokken zonder rekening te houden met Afrikaanse volkeren of grenzen. Legitimeerde de Europese opdeling van het continent.
Monroedoctrine
Amerikaans buitenlandbeleid (1823) dat stelde dat de Amerikaanse continenten niet meer voor Europese kolonisering open stonden en dat Europese inmenging in de Westerse Hemisfeer als een bedreiging zou worden beschouwd. Later gebruikt om Amerikaanse interventies in Latijns-Amerika te rechtvaardigen.
Hungry forties
Periode van economische crisis en hongersnood in Europa in de jaren 1840, veroorzaakt door slechte oogsten, aardappelziekte en snelle industrialisering. Leidde tot sociale onrust, migratie en revoluties (1848). De Ierse Grote Hongersnood is het meest dramatische geval.
Great famine (Ierland)
Catastrofale hongersnood in Ierland (1845–52) veroorzaakt door de aardappelziekte. Circa 1 miljoen doden; 1–2 miljoen emigranten. De Britse overheid reageerde inadequaat. De hongersnood versterkte het Iers nationalisme en leidde tot een blijvende diaspora.
Moral economy
Concept van historicus E.P. Thompson. Beschrijft het traditionele volksgeloof dat markten en overheden verplicht zijn de voedselzekerheid van het volk te garanderen. Wanneer dit contract gebroken werd (bv. door graan-export tijdens hongersnood), reageerden mensen met rellen en protest.
Commune (Parijs)
Radicaal volksbestuur dat Parijs regeerde van maart tot mei 1871, na de Frans-Pruisische oorlog. Eerste proletarische opstand in de moderne geschiedenis. Voerde sociale hervormingen in. Neergeslagen door het Franse leger (Semaine Sanglante) met meer dan 10.000 doden. Symbool voor Marx en latere socialisten.
Rerum novarum
Pauselijke encycliek van paus Leo XIII (1891). Reageerde op de sociale kwestie door zowel ongebreideld kapitalisme als socialisme af te wijzen. Verdedigde het recht op privébezit én de plicht van de staat om arbeiders te beschermen. Grondslag van de christendemocratische sociale leer.
Corporatisme
Politiek-economisch model waarbij de staat, werkgevers en werknemers samenwerken in georganiseerde sectoren (corporaties) in plaats van via vrije marktconcurrentie of klassenstrijd. Centraal in het Italiaans fascisme, maar ook in gematigde vormen aanwezig in naoorlogse democratieën (sociaal overleg, 'poldermodel').
Dreyfusaffaire
Franse politieke crisis (1894–1906) rond de valse beschuldiging van landverraad tegen kapitein Alfred Dreyfus, een joodse officier. Dreyfus werd veroordeeld door antisemitische vooroordelen. De zaak verdeelde Frankrijk tussen republikeinen en rechts-conservatieven. Dreyfus werd uiteindelijk gerehabiliteerd. Theodor Herzl was aanwezig bij de veroordeling.
1e/2e feministische golf
1e golf (ca. 1848–1920): strijd voor formele gelijkheid, vooral stemrecht (suffragettes). 2e golf (ca. 1960–80): strijd voor reële gelijkheid (werk, lichaam, seksualiteit, huiselijk geweld). Simone de Beauvoir en Betty Friedan zijn sleutelfiguren. Later volgde een 3e en 4e golf.
Urbicide
Het doelbewust vernietigen van steden en stedelijke infrastructuur als oorlogsstrategie of middel van etnische zuivering. De term werd gepopulariseerd door het Joegoslavische conflict (bv. de beschieting van Sarajevo en Mostar). Steden worden aangevallen als symbolen van multiculturele samenlevingen.
Russische Burgeroorlog
Conflict (1917–1922) na de Oktoberrevolutie tussen de Rode Legers (bolsjewieken) en de Witte Legers (monarchisten, liberalen, buitenlandse interventiemachten). De bolsjewieken wonnen en consolideerden de Sovjet-Unie. Leidde tot enorme menselijke verliezen en hongersnood.
Spaanse griep
Wereldwijde grieppandemie (1918–19) die 50–100 miljoen mensen doodde — meer dan WWI. Ondanks de naam waarschijnlijk niet van Spaanse origine. Trof jonge volwassenen bijzonder zwaar. Werd tijdens de oorlog gecensureerd en nauwelijks herdacht.
Balfour Declaration
Brief (1917) van Brits minister Balfour aan Lord Rothschild, waarin de Britse steun werd uitgesproken voor een 'nationaal tehuis voor het Joodse volk' in Palestina, zonder de rechten van de niet-joodse bevolking te schaden. Fundamenteel document voor het zionisme en de Israëlisch-Palestijnse kwestie.
Volkenbond
Internationale organisatie opgericht na WWI (1920) op initiatief van Woodrow Wilson. Doel: collectieve veiligheid en vreedzame geschillenbeslechting. Gefaald door afwezigheid van de VS, zwakke sanctiemechanismen en de opkomst van agressieve mogendheden (Duitsland, Japan, Italië). Ontbonden in 1946.
Dolkstootlegende
Mythe in Duitsland na WWI dat het leger ongeslagen was maar van binnenuit verraden door Joden, communisten en politici ('November-misdadigers'). Historisch onjuist: Duitsland was militair verslagen. De mythe werd gepropagandeerd door de nazi's om de Republiek van Weimar te ondermijnen.
Bezetting Ruhrgebied (jaren 1920)
In 1923 bezetten Franse en Belgische troepen het Ruhrgebied (industrieel hart van Duitsland) als reactie op de stopzetting van de oorlogsherstellingen. Duitsland reageerde met passief verzet en hyperinflatie. De bezetting verdiepte de politieke crisis van de Republiek van Weimar.
Flamenpolitik
Duits beleid tijdens WWI om de Vlaamse beweging te steunen en België te destabiliseren. Omvatte de bestuurlijke scheiding (Vlaanderen en Wallonië apart beheerd) en de vernederlandsing van de universiteit Gent. Veroorzaakte na de oorlog een groot activistenschandaal in België.
Armeense Genocide
Systematische massamoord op de Armeense bevolking van het Ottomaanse Rijk (1915–23), gepleegd door de Ottomaanse autoriteiten (Comité voor Eenheid en Vooruitgang). Circa 600.000–1,5 miljoen doden. Erkend als genocide door een groot aantal landen, maar betwist door Turkije.
'Nieuwe Economische Politiek' (USSR)
Economische hervorming door Lenin (1921–28) na de catastrofale oorlogscommunismepolitiek. Liet beperkte private handel en landbouw toe om de economie te herstellen. Na Lenins dood vervangen door Stalins gedwongen collectivisatie en vijfjarenplannen.
Vijfjarenplannen (USSR)
Stalins ambitieuze economische plannen (vanaf 1928) voor de snelle industrialisering en collectivisatie van de landbouw in de USSR. Bereikten spectaculaire industriële groei, maar gingen gepaard met dwangarbeid, deportaties en de Holodomor.
Holodomor
Georganiseerde hongersnood in Oekraïne (1932–33) veroorzaakt door de gedwongen collectivisatie en graanconfiscaties van Stalin. Minimaal 3,5–7 miljoen doden. Door meerdere landen erkend als genocide op het Oekraïense volk.
Great Terror (USSR)
Periode van massale politieke repressie in de Sovjet-Unie (1936–38) onder Stalin. Leidde tot honderdduizenden executies en miljoenen Gulag-gevangenen. Richtte zich op (vermeende) politieke tegenstanders, etnische minderheden en zelfs partijleden en legerleiders.
Expansionismeconcepten tijdens het Nazisme (Drang nach Osten enz.)
Nazi-Duitsland koesterde specifieke expansiedoelstellingen: • Drang nach Osten: historische drang om Oost-Europa te koloniseren met Duitsers. • Lebensraum: noodzaak van 'leefruimte' in het Oosten voor de Germaanse ras. • Heim ins Reich: inlijving van etnische Duitsers buiten het Rijk. Deze concepten legitimeerden de inval in Polen en de USSR.
I.G. Farben
Duits chemisch conglomeraat dat tijdens WWII nauw samenwerkte met het nazi-regime. Produceerde Zyklon B (gebruikt in de gaskamers), had een eigen slavenarbeidersfabriek bij Auschwitz (Buna/Monowitz). Symbool van de verstrengeling van industrie en genocidaal beleid.
Appeasement-politiek
Brits en Frans beleid (ca. 1935–39) van concessies aan Hitler om oorlog te vermijden. Hoogtepunt: het Verdrag van München (1938), waarbij de Sudetenland aan Duitsland werd afgestaan. Achteraf beschouwd als naïef en bemoedigend voor Hitlers agressie.
Molotov-Ribbentroppact
Niet-aanvalspact (augustus 1939) tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Geheime protocollen verdeelden Oost-Europa in invloedssferen. Maakte de invasie van Polen en het begin van WWII mogelijk. Verbroken door Duitsland bij de invasie van de USSR in 1941.