1/38
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
stadia pigagent
pre-operationeel
REOPERATIONEEL STADIUM: KENMERKEN
• Gebruik van symbolisch denken/symboolgebruik
• Vermogen om te redeneren
• Gebruik van (pre-)concepten
→ Vermogen tot innerlijke representatie verbetert
Minder afhankelijk van sensorimotorische activiteiten om te wereld te begrijpen
MAAR : nog geen gebruik mogelijk van ‘operaties’
operaties
georganiseerde, formele, logische mentale processen
Symboolgebruik
het gebruik van een mentaal (….), een woord of een
object voor iets dat niet aanwezig is weer te geven of te vervangen
− Taal
− Tekenen
− Doen alsof
− Anticiperen/voorstellen van de toekomst
Representatie van de wereld op een concrete manier is mogelijk
(handig om met kinderen te praten)
Piaget vooruitgang
taal en denken zijn met elkaar verbonden: taal vloeit voort uit cognitieve
vooruitgang!
Preoperationeel stadium vooruitgang
acties kunnen symbolisch weergegeven worden
→ Denkproces verloopt sneller
→ Taalvaardigheid neemt toe
− Dankzij taal is denken in de toekomst mogelijk, niet enkel denken in het hier-en-nu
4 TEKORTKOMINGEN IN HET PREOPERATIONEEL
1. Centratie:
2. Gebrek aan conservatie
3. Onvolledig begrip van transformatie
4. Egocentrisme
Centratie
het onvermogen om zich op meer dan één aspect van een
stimulus te concentreren
Nadruk op oppervlakkige, opvallende elementen
Oorzaak: het visuele beeld, de uiterlijke verschijning domineert het denken
De nadruk op uiterlijke vormen houdt verband met het gebrek aan conservatie
Conservatie
= het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de uiterlijke verschijningsvorm van objecten
= het inzicht dat bepaalde fysieke eigenschappen (zoals aantal, massa, lengte,
hoeveelheid, gewicht, volume) van voorwerpen dezelfde blijven, zelfs wanneer hun
uiterlijke verschijningsvorm verandert
• Preoperationeel denken
het kind begrijpt niet dat een verandering in één dimensie
(verschijningsvorm) niet noodzakelijk leidt tot een verandering in de andere
dimensie (kwantiteit)
• Noodzakelijk voor conservatie:
− Gedecentreerd kunnen denken
− Begrip van (volgorde van) transformaties
Transformatie
het proces waarbij de ene toestand verandert in de
andere toestand
Statisch-gericht denken, geen aandacht voor het proces, enkel aandacht
voor toestanden
Egocentrisme
= het kind kan zich niet verplaatsen in het standpunt van anderen
• Twee vormen:
− Perceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen dingen vanuit
een ander perspectief zien (cf. driebergenexperiment)
− Conceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen gedachten,
gevoelens en standpunten hebben die verschillend zijn van die van hen (cf.
Theory of Mind)
• Uitingen van egocentrisme in dit stadium:
− Magisch denken (je kan ze vanalles wijs maken)
− Animisme
Preconceptueel denken (2 – 4 à 5 jaar)
Concepten (begrippen): denken in begrippen om indrukken en belevenissen te
kunnen ordenen, samenhangen en causale relaties te ontdekken
Intuïtief denken (4 à 5 - 7 jaar)
= een vorm van denken waarbij peuters en kleuters kennis over de wereld
proberen te verwerven met behulp van primitief redeneren (waardoor ze vaak
niet-kloppende verklaringen hebben voor alles wat ze waarnemen.)
Erikson (12/18m - 3j)
Autonomie versus schaamte & twijfel
Zelfstandigheid: ouders die verkenningsgedrag en vrijheid
van kinderen stimuleren
• Schaamte/zelftwijfel: ouders beperkend en overmatig
beschermend
• Egosterkte = wilskracht
Erikson: (3j - 6j)
Initiatief versus schuld-stadium
• Ouders ondersteunen en sturen kind in onafhankelijk
gedrag
• Kinderen die beperkt worden in hun ontwikkeling tot
zelfstandigheid: schuldgevoel bij kind, negatief zelfbeeld
• Egosterkte = doelgerichtheid
HET ONTSTAAN VAN VRIENDSCHAPPEN
Vanaf 3 jaar: ontwikkeling van echte vriendschappen
− Leeftijdsgenoten zijn individuen met eigen kwaliteiten waarmee ze willen
spelen, lol maken
(>< volwassenen)
− Gericht op samen dingen doen en samen spelen
• Verdere ontwikkeling:
− Vriendschap krijgt een permanent karakter, niet enkel van betekenis in het
hier-en-nu maar ook in de toekomst
− Belang van vertrouwen, steun en gemeen schappelijke interesses neemt toe
THEORY OF MIND 2- tot 3-jarigen
kind begrijpt:
—Percepties
—Emoties
—Wensen
THEORY OF MIND 3 à 4 jaar
− Begrijpen dat mensen motieven en redenen hebben voor hun gedrag
− Besef dat mensen voor de gek gehouden kunnen worden en kunnen ‘doen
alsof’
bevorderlijk voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden
THEORY OF MIND 4- tot 5-jarigen
− Begrijpen ‘overtuiging’ beter
Vb. Fouteovertuiging opdracht:
Sally-Anne-experiment van Baron-Cohen
‘false beliefs’- tests
Het ontstaan van Theory of mind
• Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van TOM:
− Rijping hersenen
− Taalvermogen
− Sociale interactie en fantasiespel
• Vb. TOM bij kinderen met oudere broers en zussen
• Vb. TOM bij mishandelde kinderen
− Culturele factoren
Morele ontwikkeling
de rijping van een rechtvaardigheidsgevoel en van het
besef van goed en fout en het overeenkomstig gedrag
Visie van Piaget op de morele ontwikkeling
Onderzoek aan de hand van verhaaltjes waarin een kind iets deed dat
strafbaar is:
Navertellen en drie vragen beantwoorden:
ontwikkeling
Moreel realisme → Beginnende coöperatie → Moreel relativisme
Moreel realisme
4 - 7 jaar:
• Regels zijn vast en onveranderlijk
vb. spelregels worden op een rigide manier gehanteerd
• Niet elk kind hanteert dezelfde regels in spel
• Geen invloed van intentie
• Nadruk op de materiële gevolgen van een daad
• Immanente rechtvaardigheid = het idee dat regels die overtreden worden
direct bestraft moeten worden
beginnende coöperatie
7 - 10 jaar:
• Spelletjes worden socialer: meer kennis van de formele regels van spelletjes
• Regels nog grotendeels onveranderlijk
• Iedereen houdt zich aan de formele regels (‘juiste’ manier van spelen)
autonome coöperatie = moreel relativisme
Vanaf 10 jaar
• Formele regels kunnen wijzigen als de deelnemers aan het spel hiermee
akkoord zijn
• Straffen voor wandaden worden bepaald en uitgevoerd door mensen
• De ernst van de wandaad en de intentie van de dader bepalen de aard van
de straf
Reflecties bij de visie van Piaget op de morele ontwikkelin
Piaget onderschatte de leeftijd waarop morele capaciteiten zich ontwikkelen
• Recenter onderzoek met morele vraagstukken waarin intentie benadrukt
wordt:
» vanaf 3 jaar hebben kinderen begrip van intentionaliteit en kunnen ze op
basis van intentie een oordeel vellen
DE VROEGLINGUALE FASE
(1 jaar - 2,5 jaar)
• 1-woordzinfase
− Betekenistoekening aan herkenbare woorden
• 2- en meerwoordzinfase
− Productieve combinatie van 2 of meer woorden
− Inhoudswoorden
HET TWEEWOORDSTADIUM
− Begrip van de betekenis van een woordvolgorde
→ Gebruik van tweewoordzinnen naast brabbelen en eenwoordzinnen
→ Uitdrukking van relaties tussen dingen
→ Meer genuanceerde uitdrukking mogelijk van wensen en frustraties (maar nog steeds belang van context voor begrip vanuit omgeving)
Snelle toename van de woordenschat:
− Tussen 16 en 24 maanden: toename van 50 tot 400 woorden
• Vanaf 24 maanden: korte periode van driewoordzinnen
• Woordvorming blijft onvolledig aangezien spraakmotoriek nog onvoldoende
ontwikkeld is
Genderintentiet ontwikkeling
Peuter- en kleuterfase: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn is duidelijk
aanwezig
− Genderschema’s
− 2-jarigen: een kind geeft zichzelf en anderen consequent het label ‘mannelijk’
of ‘vrouwelijk’; hangt samen met reacties omgeving
• Gender manifesteert zich tijdens het spelen
− Jongens: ?
− Meisjes: ?
− Jongens spelen meer en meer met jongens, meisjes met meisjes (ook in rest van schooltijd)
— Jongens meer wilde spelletjes
— Meisjes meer georganiseerde spelletjes en rollenspel
• Voorkeur voor spelen met kinderen van de eigen sekse: in elke cultuur
• Ontwikkeling van verwachtingen over toepasselijk gedrag voor jongens en meisjes
HET ONTDEKKEN VAN SEKSUALITEIT
peuters: verdere ontdekking van eigen lichaam (bv. ontdekken dat aanraken van eigen geslachtsdelen prettig aanvoelt), nieuwsgierig naar lichamelijke verschillen tussen zichzelf en anderen, weinig schaamtegevoel
FANTASIE BIJ 2- TOT 4-JARIGEN
Zeer veel fantasieën begrip, samenhang en ordening wereld
Bv. Stofzuiger
Niets is gek, niets is vreemd, weinig verbaasd zijn
Bv. Goochelaar, sprookjes
Bang worden van de eigen levensechte fantasieën
Bv. “Er zit een krokodil in de badkamer”
Door elkaar halen van fantasie en realiteit
Kinderen geven de indruk dat ze liegen, maar is louter fantasie
VERZINSELS VAN ANDEREN
Tot 3 à 4 jaar:
− Verzinsels van volwassenen worden voor waar aangenomen
Bv. Paashaas
− Wat op TV te zien is, is echt. Mensen en gebeurtenissen zitten in
het tv-toestel
ONDERSCHEID FANTASIE - WERKELIJKHEID
3 à 4 jaar: groeiend besef dat fantasie en realiteit twee verschillende dingen zijn
− Geleidelijke overgangsperiode
HUMOR
− Vanaf 2 jaar: kinderen begrijpen een grapje, beseffen dat iemand iets bewust
fout doet
− Om grappen te maken en te herkennen moet een kind over enkele
elementaire cognitieve vaardigheden beschikken. De belangrijkste
vaardigheden zijn taal (bv. letterlijk vs. figuurlijk), verbeelding en het vermogen
om iets op een andere manier te bekijken.
KRABBELSTADIUM
1 à 3 jaar)
BASISKRABBELS
− Bewegingsspoor
− Nog geen verwijzingswaarde
− Meer geïnteresseerd in tekenen op zich dan in product
− Meer variatie naargelang motorisch sterker
• VLAKVERDELING
vORMSTADIUM EN ONTWERPSTADIUM
ORMSTADIUM - VLAKVERDELINGSPATRONEN
− Diagrammen: eenvoudige vormen
• ONTWERPSTADIUM
− Combinaties: twee vormen gecombineerd
− Aggregaties: drie of meer vormen gecombineerd
− Betekenis toekennen achteraf (= toevallig realisme)
• Verwijzingswaarde
Symbolisch spel
(vanaf 18 mnd) = Mentale representaties
- Begint meestal met zelf uitspelen van (eigen) gekende ervaringen, met
realistisch materiaal
Vb. lege beker nemen en doen alsof men drinkt
- Handelingen ook bij de ander uitvoeren
Vb. mama krijgt ook een hapje van de ‘soep’
- Stilaan wordt ook meer taal gebruikt
Vb. kind praat tegen pop (“je bent ziek, je moet slapen”)
- Evoluties in symbolisch spel:
• de ander krijgt een actievere rol, meer wisselwerking/dialoog
• het kind kan het verloop of de afloop van een ervaring veranderen, spel
wijkt af van de werkelijkheid
• kinderen worden creatiever met objecten vb. een lepeltje is een vliegtuig
• Betekenisvolle opeenvolgingen van handelingen
• Diverse rollen worden anders ingevuld (bv. stemgebruik)
Parallelspel
spelvorm waarbij kinderen of volwassenen naast elkaar zitten en met vergelijkbaar materiaal bezig zijn, zonder dat er echte interactie of samenwerking plaatsvindt. tussen de 2 en 4 jaar