deel 3 PEUTER- EN KLEUTERTIJD

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/38

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:29 PM on 6/9/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

39 Terms

1
New cards

stadia pigagent

pre-operationeel

2
New cards

REOPERATIONEEL STADIUM: KENMERKEN

• Gebruik van symbolisch denken/symboolgebruik

• Vermogen om te redeneren

• Gebruik van (pre-)concepten

Vermogen tot innerlijke representatie verbetert

Minder afhankelijk van sensorimotorische activiteiten om te wereld te begrijpen

MAAR : nog geen gebruik mogelijk van ‘operaties’

3
New cards

operaties

georganiseerde, formele, logische mentale processen

4
New cards

Symboolgebruik

het gebruik van een mentaal (….), een woord of een

object voor iets dat niet aanwezig is weer te geven of te vervangen

− Taal

− Tekenen

− Doen alsof

− Anticiperen/voorstellen van de toekomst

Representatie van de wereld op een concrete manier is mogelijk

(handig om met kinderen te praten)

5
New cards

Piaget vooruitgang

taal en denken zijn met elkaar verbonden: taal vloeit voort uit cognitieve

vooruitgang!

6
New cards

Preoperationeel stadium vooruitgang

acties kunnen symbolisch weergegeven worden

 Denkproces verloopt sneller

 Taalvaardigheid neemt toe

− Dankzij taal is denken in de toekomst mogelijk, niet enkel denken in het hier-en-nu

7
New cards

4 TEKORTKOMINGEN IN HET PREOPERATIONEEL

1. Centratie:

2. Gebrek aan conservatie

3. Onvolledig begrip van transformatie

4. Egocentrisme

8
New cards

Centratie

het onvermogen om zich op meer dan één aspect van een

stimulus te concentreren

 Nadruk op oppervlakkige, opvallende elementen

 Oorzaak: het visuele beeld, de uiterlijke verschijning domineert het denken

 De nadruk op uiterlijke vormen houdt verband met het gebrek aan conservatie

9
New cards

Conservatie

= het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de uiterlijke verschijningsvorm van objecten

= het inzicht dat bepaalde fysieke eigenschappen (zoals aantal, massa, lengte,

hoeveelheid, gewicht, volume) van voorwerpen dezelfde blijven, zelfs wanneer hun

uiterlijke verschijningsvorm verandert

10
New cards

• Preoperationeel denken

het kind begrijpt niet dat een verandering in één dimensie

(verschijningsvorm) niet noodzakelijk leidt tot een verandering in de andere

dimensie (kwantiteit)

• Noodzakelijk voor conservatie:

− Gedecentreerd kunnen denken

− Begrip van (volgorde van) transformaties

11
New cards

Transformatie

het proces waarbij de ene toestand verandert in de

andere toestand

 Statisch-gericht denken, geen aandacht voor het proces, enkel aandacht

voor toestanden

12
New cards

Egocentrisme

= het kind kan zich niet verplaatsen in het standpunt van anderen

• Twee vormen:

− Perceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen dingen vanuit

een ander perspectief zien (cf. driebergenexperiment)

− Conceptueel egocentrisme: gebrek aan besef dat anderen gedachten,

gevoelens en standpunten hebben die verschillend zijn van die van hen (cf.

Theory of Mind)

• Uitingen van egocentrisme in dit stadium:

− Magisch denken (je kan ze vanalles wijs maken)

− Animisme

13
New cards

Preconceptueel denken (2 – 4 à 5 jaar)

Concepten (begrippen): denken in begrippen om indrukken en belevenissen te

kunnen ordenen, samenhangen en causale relaties te ontdekken

14
New cards

Intuïtief denken (4 à 5 - 7 jaar)

= een vorm van denken waarbij peuters en kleuters kennis over de wereld

proberen te verwerven met behulp van primitief redeneren (waardoor ze vaak

niet-kloppende verklaringen hebben voor alles wat ze waarnemen.)

15
New cards

Erikson (12/18m - 3j)

Autonomie versus schaamte & twijfel

Zelfstandigheid: ouders die verkenningsgedrag en vrijheid

van kinderen stimuleren

• Schaamte/zelftwijfel: ouders beperkend en overmatig

beschermend

• Egosterkte = wilskracht

16
New cards

Erikson: (3j - 6j)

Initiatief versus schuld-stadium

• Ouders ondersteunen en sturen kind in onafhankelijk

gedrag

• Kinderen die beperkt worden in hun ontwikkeling tot

zelfstandigheid: schuldgevoel bij kind, negatief zelfbeeld

• Egosterkte = doelgerichtheid

17
New cards

HET ONTSTAAN VAN VRIENDSCHAPPEN

Vanaf 3 jaar: ontwikkeling van echte vriendschappen

− Leeftijdsgenoten zijn individuen met eigen kwaliteiten waarmee ze willen

spelen, lol maken

(>< volwassenen)

− Gericht op samen dingen doen en samen spelen

• Verdere ontwikkeling:

− Vriendschap krijgt een permanent karakter, niet enkel van betekenis in het

hier-en-nu maar ook in de toekomst

− Belang van vertrouwen, steun en gemeen schappelijke interesses neemt toe

18
New cards

THEORY OF MIND 2- tot 3-jarigen

kind begrijpt:

—Percepties

—Emoties

—Wensen

19
New cards

THEORY OF MIND 3 à 4 jaar

− Begrijpen dat mensen motieven en redenen hebben voor hun gedrag

− Besef dat mensen voor de gek gehouden kunnen worden en kunnen ‘doen

alsof’

 bevorderlijk voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden

20
New cards

THEORY OF MIND 4- tot 5-jarigen

− Begrijpen ‘overtuiging’ beter

Vb. Fouteovertuiging opdracht:

Sally-Anne-experiment van Baron-Cohen

‘false beliefs’- tests

21
New cards

Het ontstaan van Theory of mind

• Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van TOM:

− Rijping hersenen

− Taalvermogen

− Sociale interactie en fantasiespel

• Vb. TOM bij kinderen met oudere broers en zussen

• Vb. TOM bij mishandelde kinderen

− Culturele factoren

22
New cards

Morele ontwikkeling

de rijping van een rechtvaardigheidsgevoel en van het

besef van goed en fout en het overeenkomstig gedrag

23
New cards

Visie van Piaget op de morele ontwikkeling

Onderzoek aan de hand van verhaaltjes waarin een kind iets deed dat

strafbaar is:

Navertellen en drie vragen beantwoorden:

ontwikkeling

Moreel realisme → Beginnende coöperatie → Moreel relativisme

24
New cards

Moreel realisme

4 - 7 jaar:

• Regels zijn vast en onveranderlijk

vb. spelregels worden op een rigide manier gehanteerd

• Niet elk kind hanteert dezelfde regels in spel

• Geen invloed van intentie

• Nadruk op de materiële gevolgen van een daad

• Immanente rechtvaardigheid = het idee dat regels die overtreden worden

direct bestraft moeten worden

25
New cards

beginnende coöperatie

7 - 10 jaar:

• Spelletjes worden socialer: meer kennis van de formele regels van spelletjes

• Regels nog grotendeels onveranderlijk

• Iedereen houdt zich aan de formele regels (‘juiste’ manier van spelen)

26
New cards

autonome coöperatie = moreel relativisme

Vanaf 10 jaar

• Formele regels kunnen wijzigen als de deelnemers aan het spel hiermee

akkoord zijn

• Straffen voor wandaden worden bepaald en uitgevoerd door mensen

• De ernst van de wandaad en de intentie van de dader bepalen de aard van

de straf

27
New cards

Reflecties bij de visie van Piaget op de morele ontwikkelin

Piaget onderschatte de leeftijd waarop morele capaciteiten zich ontwikkelen

• Recenter onderzoek met morele vraagstukken waarin intentie benadrukt

wordt:

» vanaf 3 jaar hebben kinderen begrip van intentionaliteit en kunnen ze op

basis van intentie een oordeel vellen

28
New cards

DE VROEGLINGUALE FASE

(1 jaar - 2,5 jaar)

• 1-woordzinfase

− Betekenistoekening aan herkenbare woorden

• 2- en meerwoordzinfase

− Productieve combinatie van 2 of meer woorden

− Inhoudswoorden

29
New cards

HET TWEEWOORDSTADIUM

− Begrip van de betekenis van een woordvolgorde

→ Gebruik van tweewoordzinnen naast brabbelen en eenwoordzinnen

→ Uitdrukking van relaties tussen dingen

→ Meer genuanceerde uitdrukking mogelijk van wensen en frustraties (maar nog steeds belang van context voor begrip vanuit omgeving)

Snelle toename van de woordenschat:

− Tussen 16 en 24 maanden: toename van 50 tot 400 woorden

• Vanaf 24 maanden: korte periode van driewoordzinnen

• Woordvorming blijft onvolledig aangezien spraakmotoriek nog onvoldoende

ontwikkeld is

30
New cards

Genderintentiet ontwikkeling

Peuter- en kleuterfase: het gevoel mannelijk of vrouwelijk te zijn is duidelijk

aanwezig

− Genderschema’s

− 2-jarigen: een kind geeft zichzelf en anderen consequent het label ‘mannelijk’

of ‘vrouwelijk’; hangt samen met reacties omgeving

• Gender manifesteert zich tijdens het spelen

− Jongens: ?

− Meisjes: ?

− Jongens spelen meer en meer met jongens, meisjes met meisjes (ook in rest van schooltijd)

— Jongens meer wilde spelletjes

— Meisjes meer georganiseerde spelletjes en rollenspel

• Voorkeur voor spelen met kinderen van de eigen sekse: in elke cultuur

• Ontwikkeling van verwachtingen over toepasselijk gedrag voor jongens en meisjes

31
New cards

HET ONTDEKKEN VAN SEKSUALITEIT

peuters: verdere ontdekking van eigen lichaam (bv. ontdekken dat aanraken van eigen geslachtsdelen prettig aanvoelt), nieuwsgierig naar lichamelijke verschillen tussen zichzelf en anderen, weinig schaamtegevoel

32
New cards

FANTASIE BIJ 2- TOT 4-JARIGEN

 Zeer veel fantasieën  begrip, samenhang en ordening wereld

Bv. Stofzuiger

 Niets is gek, niets is vreemd, weinig verbaasd zijn

Bv. Goochelaar, sprookjes

 Bang worden van de eigen levensechte fantasieën

Bv. “Er zit een krokodil in de badkamer”

 Door elkaar halen van fantasie en realiteit

Kinderen geven de indruk dat ze liegen, maar is louter fantasie

33
New cards

VERZINSELS VAN ANDEREN

Tot 3 à 4 jaar:

− Verzinsels van volwassenen worden voor waar aangenomen

Bv. Paashaas

− Wat op TV te zien is, is echt. Mensen en gebeurtenissen zitten in

het tv-toestel

34
New cards

ONDERSCHEID FANTASIE - WERKELIJKHEID

3 à 4 jaar: groeiend besef dat fantasie en realiteit twee verschillende dingen zijn

− Geleidelijke overgangsperiode

35
New cards

HUMOR

− Vanaf 2 jaar: kinderen begrijpen een grapje, beseffen dat iemand iets bewust

fout doet

− Om grappen te maken en te herkennen moet een kind over enkele

elementaire cognitieve vaardigheden beschikken. De belangrijkste

vaardigheden zijn taal (bv. letterlijk vs. figuurlijk), verbeelding en het vermogen

om iets op een andere manier te bekijken.

36
New cards

KRABBELSTADIUM

1 à 3 jaar)

BASISKRABBELS

− Bewegingsspoor

− Nog geen verwijzingswaarde

− Meer geïnteresseerd in tekenen op zich dan in product

− Meer variatie naargelang motorisch sterker

• VLAKVERDELING

37
New cards

vORMSTADIUM EN ONTWERPSTADIUM

ORMSTADIUM - VLAKVERDELINGSPATRONEN

− Diagrammen: eenvoudige vormen

• ONTWERPSTADIUM

− Combinaties: twee vormen gecombineerd

− Aggregaties: drie of meer vormen gecombineerd

− Betekenis toekennen achteraf (= toevallig realisme)

• Verwijzingswaarde

38
New cards

Symbolisch spel

(vanaf 18 mnd)  = Mentale representaties

- Begint meestal met zelf uitspelen van (eigen) gekende ervaringen, met

realistisch materiaal

Vb. lege beker nemen en doen alsof men drinkt

- Handelingen ook bij de ander uitvoeren

Vb. mama krijgt ook een hapje van de ‘soep’

- Stilaan wordt ook meer taal gebruikt

Vb. kind praat tegen pop (“je bent ziek, je moet slapen”)

- Evoluties in symbolisch spel:

• de ander krijgt een actievere rol, meer wisselwerking/dialoog

• het kind kan het verloop of de afloop van een ervaring veranderen, spel

wijkt af van de werkelijkheid

• kinderen worden creatiever met objecten vb. een lepeltje is een vliegtuig

• Betekenisvolle opeenvolgingen van handelingen

• Diverse rollen worden anders ingevuld (bv. stemgebruik)

39
New cards

Parallelspel

spelvorm waarbij kinderen of volwassenen naast elkaar zitten en met vergelijkbaar materiaal bezig zijn, zonder dat er echte interactie of samenwerking plaatsvindt. tussen de 2 en 4 jaar