1/28
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
sentir
(se) zich voelen, (tr) gewaarworden, voelen, (tr) ruiken, (tr) betreuren, spijt hebben over iets
sentar
(intr bien/mal) bevallen, niet bevallen, (-se) gaan zitten
el miedo
angst, vrees
preocupado
bezorgd
triste
bedroefd, triest, verdrietig
el pesar
verdriet
nervioso
onrustig, nerveus, zenuwachtig
alegre
blij, heuglijk, vrolijk
contento
blij, ingenomen, tevreden
encantar
(intr) betoveren, gek zijn op
gustar
(intr) bevallen, houden van, lekker vinden
la atracción
aantrekkelijkheid, attraktie, aantrekkingskracht
la suerte
geluk, aard, soort, lot
cansado
moe, vermoeid
levantar
(se) opstaan, (se) rechtstaan, (tr) oprichten, tillen, heffen
acostar
(se) gaan slapen, (se con) naar bed gaan met iemand, (se) gaan liggen, (tr) naar bed brengen
el sueño
slaap, droom
el ruido
geluid, herrie, lawaai, rumoer
escuchar
(tr) aanhoren, luisteren
el oído
gehoor, oor
oír
(tr) horen, luisteren naar
rico
lekker, rijk
tocar
(tr) aanraken, raken, (tr) een instrument spelen, muziek spelen, (tr) aan de beurt zijn
frío
koel, koud
caliente
heet, warm
ver
(tr) kijken, zien
mirar
(tr) aankijken, bekijken, kijken, staren
la luz
licht, electriciteit