1 Moderniteitsbegrippen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/19

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:19 AM on 5/1/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

20 Terms

1
New cards

Nieuwe Tijd

Einde 18e -> Begin 20e E

  • Eurocentrisch (=> Globaal; moeilijk) 

  • Selective borrowing: elk land ‘leent’ deel van anderen
    -> Moderniteit =/= strak ‘Westers’

2
New cards

Conceptualisering van moderniteit: Moderniteit

is een temporele + analytische categorie die historici gebruiken om de transformaties na het AR te karakteriseren, zoals die zich vooral in de Westerse wereld hebben voorgedaan.

Moderniteit =/= modernisme

Modernisme = term uit kunst/cultuur, begint op =/= momenten naargelang
kunststroming. 

3
New cards

Conceptualisering van moderniteit: Temporele kenmerken

(Eric Hobsbawm)

‘Lange 19e eeuw’ = tussen Franse revolutie + WOI (1789-1914)

‘Korte 20e eeuw’ = tussen WOI + val Berlijnse muur/einde Koude oorlog (1914-1990)

= ‘Age of Extremes’: obv doden, extremisme, periode van oorlog/oorlogsdreiging

-> ‘End of History’: gedacht dat na 20e E X oorlog meer, vrede

‘European civil war’ = interbellum, periode van continu conflict (1914-1945)

1945: Nieuwste tijd => Hedendaagse tijd

4
New cards

Conceptualisering van moderniteit: Kwalitatieve kenmerken

Bestaansconditie, gekenmerkt door maakbaarheidsgedachte, die ontstaat door het verdwijnen van de typische kenmerken van het Ancien Régime: 


A  Standenmaatschappij → Burgerschapsidealen 

B  Sacrale machtslegitimatie → Volkssoevereiniteit 

C  Hegemonie van het geloof → Secularisering 

D Corporatieve en agrarische economie met laag energieverbruik → Vrije markt, Industriële Revolutie, hoog energieverbruik 

E  Lokale politieke entiteiten → Staatsvorming met gecentraliseerde (natie)staten 

F Lokale culturen → Homogene cultuur 

G Lage bevolkingsgroei → Demografische transitie

5
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime

  • Ontstaan rond Franse + Amerikaanse Revolutie, tegen hiërarchisch onderscheid 

  • Filosofische / juridische onderbouwing in context Verlichtingsdenken:

Locke: Natuurlijke, onvervreemdbare rechten (leven, vrijheid, eigendom), tegen willekeur van vorst
Montesquieu: Trias politica (! bij staatsvorming)
Smith: Nadruk op vrije markt (vrijheid burger ⇔ overheid; egoïsme => collectief goed)
Rousseau: Volkssoevereiniteit, volk als ‘moreel lichaam’, volk = 1 eenheid die spreekt + pol moet wil geven, collectivistisch
Kant: Burger als autonoom, vrij, rationeel; constitutionele vertegenwoordiging (vrije verkiezingen, parlement,...)

6
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Standenmaatschappij → Burgerschapsidealen

7
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Sacrale machtslegitimatie → Volkssoevereiniteit

  • Volk = gemeenschap, kies eigen leiders

  • Vervangt sacrale machtslegitimatie (Vorst = 2 lichamen: menselijk + transcendent, vtw goddelijke wil)

  • VK: aanwezig (vb. Munten, zalving) maar effectief – macht
    BEL: ‘koning der Belgen’: over mensen regeren > territorium

  • Idee van een ‘Republiek’ -> verspreiding volkssoevereiniteit
    = President beste manier volk te vtw
    Monarch: nu eerder symbolische macht -> macht bij overheid/regering
    Republiek X altijd democratie, X altijd positief (vb. Rusland)

  • Veel landen identificeren zich als democratieën
    Volkssoevereiniteit = heel actieve idee, ‘doen alsof’; + filosofische kracht

8
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Hegemonie van het geloof → Secularisering


  • X absolute breuk, overgang, eerder een tendens tot secularisering

  • Secularisering: invloed van religie op staat, samenleving en dagelijks leven vermindert (X verdwijnen)
    => Vacuüm => nieuwe instituties (++ => overheid; sommige functies worden (deels) overgenomen door overheid: burgerlijke stand, onderwijs,...)

  • Monopolie op betekenisgeving verdwijnt
    => nieuwe model (wetenschap)

  • Dichotomie stad (individu centraal, vrees van kerk dat geloof verliezen bij verhuizen naar stad) ⇔ platteland (gemeenschap centraal) 

  • Secularisering ≠ irreligiositeit ≠ atheïsme ≠ laïcisme
    (Laïcisme: strakke scheiding kerk ⇔ staat, vb. FR: kerk X betaald dr overheid, BEL wel)

9
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Corporatieve en agrarische economie met laag energieverbruik → Vrije markt, Industriële Revolutie, hoog energieverbruik

  • Smith: ‘Invisible hand’(= ideaal van vrije markt als zelfregulerend systeem; individualisme/concurrentie leiden tot voordeel voor iedereen) 

  • 1e Industriële revolutie (1750-1850): mechanisatie textiel- +staalproductie; steenkool = primaire energiebron (=> stoommachine); efficiëntiestijgingen; arbeidsconcentratie; transportverbetering
    => Verstedelijking

  • 2e Industriële revolutie  (1850-1914)): schaalvergroting; nieuwe sectoren (chemie, machinebouw, rubber, elektrische apparaten); olie = primaire energiebron
    => Mensenrechtenschendingen Congo (rubber)

  • !! Efficiëntie-stijging (doel)

VK als pionier:

  • Dé economische grootmacht v/d 19e eeuw (dr imperialisme + industriële revolutie)

  • Stoommachine (James Watt, 1760s-1780s) 

  • Eerste stoomtreinverbinding (Stockton & Darlington Railway, 1825)

Waarom eerst in het VK?

  • Grondstoffen gemakkelijk ontginbaar (geografie/geologie)

  • Agrarische productiviteitsstijging 18e eeuw → werklozen in agrarische sector →  Arbeidersreservoir (dr bevolkingsgroei)

  • Utilitaristische wetenschaps- en techniekattitude (drang tot experiment, praktisch + toepasbaar)

  • Stabiliteit: politiek + fiscaal stabiele overheid; liberaal economisch klimaat


Energie => transport, consumptie, industrie

  • 19e E: vooral kool, water, hout
    Industriële revolutie: exponentiële stijging (in hoeveelheid + soorten)

  • Toename gebruik => + bevolking, uitstoot, watergebruik,...


=> Leidt tot Great Acceleration: globaal fenomeen waarin Europa initieel leidend is

=> Leidt tot Great Divergence: Europa vs rest v/d wereld, vanaf ca. 1830 => kloof


10
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Lokale politieke entiteiten → Staatsvorming met gecentraliseerde (natie)staten

  • Ancien Regime: elke regio = eigen rechts-, meet-, tolsystemen (= Particularistische rechtssystemen)
    -> Nationale rechtssystemen

  • Groei van overheidsbureaucratieën (bevolking kennen en belasten)
    20e E: exponentiele groei # bevoegdheden 

  • Nationale legers (dienstplicht) ipv huurlingen

11
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Lokale culturen → Homogene cultuur

  • + interactie => gemeenschappelijke cultuur (media, taalstandaardisatie, onderwijs, leger,…)

  • Nationalisme = gemeenschapsvormende kracht

  • Gedragsnormen verspreid + opgelegd via media, onderwijs, leger, jeugdbewegingen, medische instellingen,… 

  • Emanciperend + disciplinerend (vb. Onderwijs, ⇔ ‘deviante’ burgers, heropvoeding, ‘corrigeren’)

  • “Beschavingsmissie” in kolonies

12
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Bestaansconditie die verschilt van Ancient Régime - Lage bevolkingsgroei → Demografische transitie

  • Demografische transitie = groei

Demografische transitiemodel: 

FASE 1: Hoogstationair: Hoog geboortecijfer, hoog sterftecijfer → weinig bevolkingsgroei (pre-industriële samenleving) 

FASE 2: Vroegexpansief: Hoog geboortecijfer, sterftecijfer daalt → sterke bevolkingsgroei (bv. België 19e eeuw) 

FASE 3: Laatexpansief: Geboortecijfer daalt, sterftecijfer blijft dalen → vertraging van de bevolkingsgroei (bv. België 1880-1930) 

FASE 4: Laagstationair: Laag geboortecijfer, laag sterftecijfer → Stabilisatie van de groei (bv. Europa na WOII)

13
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Proces

Moderniteit = proces, met breukmomenten 

  • Ongelijkmatig in tijd en ruimte, met acceleraties en vertragingen 

  • Continuïteiten en discontinuïteiten 

  • Dialectiek van de vooruitgang: Wet van de remmende voorsprong / Wet van de stimulerende achterstand
    VK vroeger + voorsprong -> moeilijk latere vernieuwingen ⇔ landen die later ontwikkelden wel nieuwe  vernieuwingen

  • Gelijktijdigheid van het ongelijktijdige” = combinatie nieuwe + oude kenmerken

14
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Complexe oorzaak-gevolgsrelaties

  • “There is […] comparatively little to be gained from trying to determine whether technological change preceded or exceeded organisational change (or vice versa), since each interacted over time with the other.” (Nick von Tunzelmann) 

  • → Politieke, sociale, economische, culturele, demografische factoren werken op elkaar in + versterken elkaar (X toeschrijven aan 1 oorzaak)

15
New cards

Kwalitatieve kenmerken van moderniteit: Inherente ambivalentie

  • Emancipatorische krachten (vb. verruiming leefwereld, gezondheidszorg, onderwijs, vrouwenrechten, vrije tijd, wetenschap/technologie, nationale gemeenschapsvorming, bureaucratische objectiviteit,…) 

  • Onderdrukkende krachten (vb. Gezondheidszorg => - sterfte => overbevolking)

  • Moderniteit = beschrijvend concept; houdt geen waardeoordeel in (“diagnose”, geen “compliment”)

16
New cards

Wet van de remmende voorsprong

Dialectiek van de vooruitgang: Wet van de remmende voorsprong / Wet van de stimulerende achterstand
VK vroeger + voorsprong -> moeilijk latere vernieuwingen ⇔ landen die later ontwikkelden wel nieuwe  vernieuwingen

17
New cards

Great Acceleration / Great Divergence

nergie => transport, consumptie, industrie

  • 19e E: vooral kool, water, hout
    Industriële revolutie: exponentiële stijging (in hoeveelheid + soorten)

  • Toename gebruik => + bevolking, uitstoot, watergebruik,...

=> Leidt tot Great Acceleration: globaal fenomeen waarin Europa initieel leidend is

=> Leidt tot Great Divergence: Europa vs rest v/d wereld, vanaf ca. 1830 => kloof

18
New cards

Trais politica

Montesquieu

= scheiding der machten

  • → checks and balances in Amerika

  • liberalisme

19
New cards

‘Lange 19e eeuw’ / ‘korte 20e eeuw’

‘Lange 19e eeuw’ = tussen Franse revolutie + WOI (1789-1914)

WOI: Culturele shock -> Einde van de burgerlijke “lange 19e eeuw” 

  • Eurocentrische zelfbeeld geschaad (burgerij verliest hegemonie + ideologie v ‘leiders vd wereld’)

‘Korte 20e eeuw’ = tussen WOI + val Berlijnse muur/einde Koude oorlog (1914-1990)

= ‘Age of Extremes’: obv doden, extremisme, periode van oorlog/oorlogsdreiging

-> ‘End of History’: gedacht dat na 20e E X oorlog meer, vrede

20
New cards

Modernisme

= term uit kunst/cultuur, begint op =/= momenten naargelang

“Reactionair modernisme” (Jeffrey Herf, 1984):

  • Nazisme was enerzijds antimodern door de verwerping van 

    • Liberalisme 

    • Democratie 

    • Modernistische kunst 

  • Anderzijds omarmde het de moderniteit op vlak van 

    • Industriële productie (wapens) 

    • Technologie

    • Bureaucratisch + economische planningkunststroming.