1/21
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Migrant
Een persoon die ten minste één jaar buiten zijn geboorteland of staatsburgerschap heeft gewoond (VN-definitie). Beweegredenen: werk, familie, studies, oorlog, vervolging…
Vluchteling
Persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, sociale groep of politieke overtuiging buiten zijn land verblijft en de bescherming ervan niet kan of wil inroepen (Conventie van Genève, 1951). Recht op asiel = mensenrecht. Status wordt toegekend door een autoriteit.
Verzoeker om internationale bescherming
Persoon die officieel internationale bescherming heeft aangevraagd en wiens vluchtelingenstatus nog niet bepaald is. Elke vluchteling doorloopt eerst deze procedure. Pas bij erkenning wordt men officieel 'vluchteling'.
Intern ontheemde (IDP)
Personen die gedwongen zijn te vluchten of hun woonplaats te verlaten zonder een internationaal erkende staatsgrens te oversteken. 73,5 miljoen mensen intern ontheemd wereldwijd (2024). Grootste aantallen in Soedan, DRC, Myanmar.
Subsidiair beschermde
Europees statuut (2004): persoon die een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer, maar geen individueel risico heeft zoals erkende vluchtelingen. Bijv. mensen uit een oorlogsgebied: het risico geldt voor iedereen, niet specifiek voor het individu.
Globalisering van migratie
Patroon waarvan steeds meer landen worden betrokken bij migratieprocessen. Toename in intercontinentale migratie; gemiddelde afstand nam toe. Europa: van emigratiecontinent naar immigratiecontinent. In 1960 was 75% van intercontinentale migranten Europeanen; in 2017 nog 22%.
Kettingmigratie
Mechanisme waarbij migratie zichzelf reproduceert via sociale netwerken: eerdere migranten helpen familieleden, vrienden of dorpsgenoten om ook te migreren. Italiaanse mijnwerkers die familie naar België haalden; Turkse arbeiders die gezinshereniging stimuleerden.
Transplanted communities
Mechanisme waarbij gemeenschappen zich als geheel verplaatsen en hun sociale structuren, cultuur en netwerken meenemen naar het nieuwe land. Na de migratiestop van 1974 bleven 'tijdelijke gastarbeiders' permanent en vormden hechte gemeenschappen.
Arbeidsmigratie (gastarbeiders)
Migratievorm waar migratie officieel gerekruteerd of spontaan gebeurt met economische motieven, vaak via bilaterale akkoorden tussen landen. België sloot akkoorden met Italië (1946), Spanje (1956), Griekenland (1956), Turkije (1964) en Marokko (1964).
Migratiestop 1974
Beleidskeuze waarbij permanente stop van arbeidsmigratie in België (en meeste West-Europese landen) werd doorgevoerd na de oliecrisis van 1973. Averechts effect: migranten keerden niet terug uit angst niet meer binnen te raken → toename gezinshereniging → migratie werd permanent.
Gezinshereniging & huwelijksmigratie
Migratievorm waarbij migratie van familieleden toeneemt om zich te voegen bij een reeds gevestigde migrant. Huwelijksmigratie = partner halen uit land van herkomst. Bij Turkse Belgen: 75% van de huwelijken was 'imported' (census 1991). Dit daalde sterk bij de tweede generatie.
Koloniale migratie
Migratievorm waarbij migratie plaatsvindt van koloniale onderdanen naar het moederland tijdens de koloniale periode. Algerijnen naar Frankrijk; migranten uit Congo naar België.
Post-koloniale migratie
Migratievorm waarbij migratie plaatsvindt vanuit voormalige kolonies naar het vroegere moederland, na de dekolonisatie. Congolezen naar België na de onafhankelijkheid (1960). Surinamers naar Nederland. Een vorm van kettingmigratie.
Asielmigratie
Migrartievorm waarbij migratie gedreven wordt door conflict, onderdrukking of politieke instabiliteit, en waarbij men internationale bescherming zoekt. Keuze voor bestemming: vooral nabijheid van familie/gemeenschap speelt grote rol; sociaaleconomische factoren minder.
'Fort Europa'
Beleidskeuze met een geleidelijke opbouw van een strengere Europese grens: harmonisatie migratiebeleid, visarestricties, strengere grenscontroles, beperking arbeidsmigratie. Fundamenten al gelegd vóór 1990 tijdens de Koude Oorlog. Migratie werd steeds meer een veiligheidskwestie.
Bilateraal akkoord
Beleidskeuze waarbij een overeenkomst wordt gemaakt tussen twee landen om officiële rekrutering van arbeidsmigranten te organiseren en te reguleren. België–Italië (1946), België–Spanje (1956), België–Turkije en Marokko (1964). Selectiecriteria: regio, fysieke conditie, ideologie.
Euro-koloniale migratie
Migratievorm waarbij migratie plaatsvindt van Europeanen naar de kolonies. Franse kolonisten in Algerije; Belgen in Congo.
Selectieve migratie
Mechanisme waarbij migranten niet representatief zijn voor de totale bevolking van het herkomstland: ze zijn jonger, laaggeschoold of afkomstig uit specifieke regio's. Turkse en Marokkaanse gastarbeiders: jong, laaggeschoold en arm, afkomstig uit zeer specifieke regio's.
Zaïrisering (Mobutu)
Beleid van Mobutu in de jaren '70 om koloniale sporen uit te wissen: naamsveranderingen van steden, nationalisaties, Afrikaanse identiteit promoten. Leopoldstad werd Kinshasa. Dit leidde tot studentenmigratie naar België.
Vervrouwelijking van migratie
Langetermijntrend waarbij het aandeel vrouwen onder internationale migranten toenam. Recent weer een lichte daling. Sterk regionaal verschil: Noord-Afrika/West-Azië heeft het laagste aandeel vrouwelijke migranten.
Continuüm van migratie
Migratie wordt het best begrepen op meerdere assen: intern↔internationaal, vrijwillig↔gedwongen, tijdelijk↔permanent, legaal↔clandestien, hooggeschoold↔laaggeschoold. Grenzen tussen categorieën zijn vloeiend en overlappend (Bade, 2003).
Regularisatie
Officieel beleid waarbij clandestiene of irreguliere migranten achteraf een legale verblijfsstatus krijgen. Na 1974: clandestiene migranten konden geregulariseerd worden tijdens de transitieperiode tot december 1975.