1/369
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
lack of empathy
gevoelens van anderen weinig aanvoelen of meewegen; kernkenmerk van psychopathie
lack of remorse
weinig of geen spijt na schadelijk gedrag; kernkenmerk van psychopathie
lack of guilt
weinig of geen schuldgevoel na overtreding of schade
shallow affect
oppervlakkige, weinig intense emoties; past bij de affectieve kant van psychopathie
callousness
emotionele kilheid en onverschilligheid tegenover leed van anderen
glibness/superficial charm
grandiose sense of self worth vlotte, charmante maar oppervlakkige sociale stijl overdreven gevoel van eigen belangrijkheid of superioriteit
pathological lying
gemakkelijk en herhaald liegen zonder veel innerlijke rem
manipulatief gedrag
anderen misleiden of gebruiken voor eigen voordeel
self centered
sterk gericht op eigen belang en weinig rekening houden met anderen
reward oriented
sterker gericht op beloning dan op mogelijke straf of schade
insensitive to punishment
relatief weinig gevoelig voor straf of negatieve consequenties; komt vaak voor bij psychopathie
fear insensitivity
verminderde gevoeligheid voor angst of dreiging, wat kan bijdragen aan risicovol en antisociaal gedrag
successful psychopaths
mensen met psychopathische trekken die niet per se gewelddadig of crimineel zijn en soms maatschappelijk goed functioneren
psychopathie
is niet elke psychopaat is extreem gewelddadig of een seriemoordenaar niet hetzelfde als geweld
conduct disorder
gedragsstoornis met herhaald agressief, normoverschrijdend en antisociaal gedrag; kan samenhangen met latere psychopathische trekken
antisociaal gedrag
gedrag dat sociale normen schendt en anderen kan schaden
neurodevelopmental perspective
ontstaan door ontwikkeling van brein in samenspel met genetische en omgevingsfactoren
genetische factoren
erfelijke kwetsbaarheden die kans op psychopathische of antisociale trekken vergroten
omgevingsfactoren
invloeden zoals opvoeding, mishandeling en context die ontwikkeling van psychopathische of antisociale kenmerken beïnvloeden
geneenvironment interplay
genen en omgeving beïnvloeden elkaar tijdens de ontwikkeling van psychopathie en antisociaal gedrag
harsh and inconsistent discipline
harde en inconsistente opvoeding die risico op antisociale ontwikkeling vergroot
maltreatment
mishandeling of verwaarlozing als risicofactor voor antisociale ontwikkeling
deviant peers
antisociale leeftijdsgenoten die probleemgedrag kunnen versterken
antisocialbrain
idee dat afwijkingen in hersenstructuur en hersenfunctie bijdragen aan psychopathie en antisociaal gedrag
neurocognitive model antisociality
model dat stelt dat antisociaal gedrag en psychopathische trekken voortkomen uit verstoringen in hersensystemen die betrokken zijn bij emotieverwerking, aandacht, leren van gevolgen, beloningsverwerking en gedragsregulatie
amygdala centered model
model dat de amygdala centraal stelt bij psychopathie en antisociaal gedrag, omdat de amygdala uit verschillende subkernen bestaat die elk andere functies hebben en sterk verbonden zijn met veel andere hersengebieden, waardoor dit gebied belangrijk is voor het koppelen van emotionele signalen aan leren, geheugen en gedrag
amygdala hersengebied
belangrijk voor emotieverwerking, leren van straf en herkennen van distress cues
hyporesponsieve amygdala
amygdala reageert minder sterk op negatieve emotionele signalen; belangrijk bij psychopathie
negatieve affectieve stimuli
distresscues emotionele prikkels zoals angst, verdriet, pijn of distress van anderen signalen van angst, verdriet of pijn bij anderen die bij psychopathie vaak minder sterk worden verwerkt
deficiënte affectieve verwerking
emotionele signalen van anderen, vooral negatieve, minder goed herkennen en verwerken
associatief leren
leren dat gedrag samenhangt met gevolgen
poor associative learning
minder goed leren van verbanden tussen gedrag en negatieve uitkomsten; relevant bij psychopathie
leren van straf gedrag
aanpassen op basis van negatieve gevolgen; verloopt vaak zwakker bij psychopathie
biased attention
minder aandacht voor belangrijke negatieve of emotionele signalen, zoals distress cues
vmPFC (ventromediale prefrontale cortex)
hersengebied betrokken bij waardeinschatting en besluitvorming; werkt samen met de amygdala
striatum
Hersengebied betrokken bij beloning en leren van uitkomsten
frontostriatale koppeling
samenwerking tussen frontale gebieden en striatum voor gedragscontrole en leren
corticolimbische interacties
samenwerking tussen cortex en emotionele gebieden zoals de amygdala; bij psychopathie vaak verstoord response outcome learning
prediction error
signaal dat de uitkomst anders is dan verwacht; nodig om van fouten te leren
link amygdala en psychopathie
bij psychopathie reageert de amygdala zwakker op negatieve emotionele signalen, waardoor empathie, strafleren en verwerking van distress cues verminderd zijn
link brein en psychopathie
verstoringen in amygdala, vmPFC en striatum dragen bij aan kilheid, beloningsgerichtheid en aanhoudend antisociaal gedrag
ectoderm
buitenste kiemlaag van het embryo waaruit het brein en ruggenmerg ontstaan
neural plate
verdikking van het ectoderm waaruit het zenuwstelsel zich gaat ontwikkelen
neural tube
structuur die ontstaat wanneer de neural plate omkrult; groeit later uit tot hersenen, hersenstam en ruggenmerg
specialisatie van het brein
proces waarbij hersengebieden steeds specifieker worden in structuur en functie
caregiving
invloed van zorgdragers op de ontwikkeling van het brein door ervaringen en interacties
neurale ontwikkeling
proliferatie en differentiatie, migratie, synaptogenese, pruning en myelinisatie
proliferatie en differentiatie
eerste fase van neurale ontwikkeling waarin nieuwe cellen ontstaan en specialis
migratie
proces waarbij nieuw gevormde neuronen zich verplaatsen naar hun uiteindelijke plaats in het brein via gliacellen
principe dat hersenweefsel van binnen naar buiten wordt opgebouwd
Inside out groei
synaptogenese
vorming van synapsen tussen neuronen; start na migratie en loopt door na de geboorte
overproductie van synapsen
pruning fase
waarin meer synapsen worden gevormd dan uiteindelijk nodig zijn proces waarbij overbodige of weinig gebruikte synapsen verdwijnen en veelgebruikte verbindingen sterker worden
myelinisatie
proces waarbij axonen een myelineschede krijgen waardoor signalen sneller worden geleid
microcefalie
afwijking waarbij het brein te klein is
macrocefalie
afwijking waarbij het brein te groot is
lissencefalie
afwijking waarbij het brein weinig of geen gyri en sulci heeft; een glad brein
Fetal Alcohol Syndrome
ontwikkelingsstoornis door prenatale blootstelling aan alcohol met gevolgen voor brein, motoriek, cognitie en gezichtsvorming
experience expectant process
vorm van hersenontwikkeling waarbij het brein algemene, soorttypische input verwacht voor normale ontwikkeling, zoals taal, gezichten of visuele stimulatie
experience dependent process
vorm van hersenontwikkeling waarbij unieke individuele ervaringen nieuwe verbindingen vormen, zoals het leren bespelen van een instrument
MRI
niet geschikt voor onderzoek baby's want hard geluid en baby's bewegen te veel
fNIRS (Functionele nabij-infrarood spectroscopie)
is een niet-invasieve, draagbare beeldvormingstechniek die hersenactiviteit meet door veranderingen in de zuurstofvoorziening van het bloed in de hersenschors te volgen met behulp van nabij-infraroodlicht. Het is een mobiel alternatief voor fMRI en EEG, ideaal voor onderzoek naar hersenactiviteit tijdens natuurlijke beweging en sociale interacties
looking time techniques
onderzoeksmethoden waarbij wordt gemeten hoe lang baby's naar een stimulus kijken om iets af te leiden over verwerking of voorkeur
voice processing
verwerking van stemmen door het brein
native language
de moedertaal of vertrouwde taal die baby's al zeer vroeg kunnen onderscheiden
sucking rate
zuigsnelheid; maat die bij babyonderzoek wordt gebruikt om voorkeur of herkenning aan te tonen
Superior Temporal Sulcus
hersengebied dat belangrijk is voor verwerking van menselijke stemmen en sociale signalen
Emotional prosody
discriminatie van het kunnen onderscheiden van bijvoorbeeld blije, boze intonatie
congruente emotionele informatie
situatie waarin gezichtsuitdrukking en stememotie bij elkaar passen, bij 7 maanden laten baby's zien dat ze de emotie in de stem kunnen koppelen aan de passende gezichtsuitdrukking; dit bleek uit een verschil in de ERP/Nc
faceprocessing
verwerking van gezichten en facelike stimuli
face like stimuli
prikkels die op een gezicht lijken door hun configuratie, bijvoorbeeld ogen boven en mond onder
top heavy patroon
patroon waarbij er meer elementen bovenin zitten; pasgeborenen hebben daar een voorkeur voor, ook als het geen echt gezicht is
FFA
fusiform face area gespecialiseerd hersengebied voor gezichtsverwerking bij volwassenen, beschadiging hierin kan leiden tot propagnosie
gaze cues
aanwijzingen uit oog en blikrichting
gaze following
vanaf 3 maanden, het volgen van de blikrichting van een ander persoon
direct gaze
babies voorkeur direct gaze, blik die recht op jou gericht is
seeing is source of knowing
inzicht dat iemand iets weet of aandacht heeft voor iets omdat die persoon het kan zien
functional specialization
functies zijn soms al zichtbaar in gedrag voordat een hersengebied volledig gespecialiseerd
is like me hypothesis
idee dat baby's door mimicry begrijpen dat anderen 'zoals ik' zijn, wat een basis kan vormen voor sociaal begrip en theory of mind
taalcues
bij imitatie woorden zoals "whoops" of "there" die baby's helpen onderscheiden of een handeling expres of per ongeluk gebeurde
hands free condition
als de handen vrij zijn en iemand toch met het hoofd op de knop drukt, imiteren baby's vaker ook de hoofdactie omdat ze aannemen dat daar een reden voor is
precondition op vatting over mirror neurons
idee dat mirror neurons helpen om de intentie van een ander te begrijpen
consequence opvatting over mirror neurons
idee dat mirror neurons juist actief worden nadat de intentie al is begrepen
murhythm suppression
afname van het muritme in EEG, gezien als mogelijke aanwijzing voor mirror neuronactiviteit
falsebelief understanding
begrip dat iemand een overtuiging kan hebben die niet overeenkomt met de werkelijkheid
Sally Anne test
klassieke taak om false belief understanding en expliciete theory of mind te meten
expliciete theory of mind
bewuste, verbaal of gedragsmatig uitgedrukte kennis van mentale toestanden, meestal meetbaar rond 4 jaar
impliciete theory of mind
mogelijk eerder aanwezig, indirect zichtbaar begrip van mentale toestanden, vaak gemeten met kijktijdtaken
violation of expectations
onderzoeksmethode waarbij langere kijktijd wijst op verbazing of een geschonden verwachting
TPJ (temporoparietal junction)
a critical brain region where the temporal and parietal lobes meet, acting as a hub for integrating sensory information, managing social cognition, and distinguishing self from others.
mPFC
mediale prefrontale cortex; hersengebied dat betrokken is bij expliciete theory of mind
mediale prefrontale cortex hersengebied
betrokken bij nadenken over mentale toestanden van jezelf en anderen
sociale cognitie
cognitieve processen waarmee we anderen begrijpen, zoals gezichten, stemmen, intenties en overtuigingen interpreteren
startup kit voor de sociale wereld
idee dat baby's al met basismechanismen worden geboren om sociaal relevante informatie op te pikken, zonder dat dit meteen volwassen verwerkingsprocessen betekent.
Relatie
Een sociale band tussen mensen waarbij sprake is van affiliatie, motivatie om samen te zijn en stress of gemis bij afwezigheid
Psychologische definitie van een relatie
Een relatie wordt gekenmerkt door een positief gevoel bij samenzijn, stress bij scheiding en een sterke motivatie om bij de ander te zijn
Affiliatie
De behoefte om sociale verbindingen aan te gaan en te onderhouden
Hechting
Een sterke, duurzame emotionele band, vaak tussen ouder en kind of romantische partners
Sociale band
Algemene term voor relaties tussen mensen, kan zowel positief als negatief zijn