1/81
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
onvolledige dominantie
geen van beide allelen is volledig dominant, nakomelingen F1-generatie vertonen een intermediair fenotype
(bv: witte vader WW, rode moeder RR = roze baby RW)
codominantie
beide allelen tellen evenveel mee
(homozygote rode RR met homozygote witte WW = baby die rood en wit is RW)
Strepen/vlekken
multipele allelen
Op populatieniveau kunnen er voor 1 gen meer dan 2 allelen voorkomen
→ talrijke combinaties van 2 allelen opleveren
bv: ABO-bloedgroepen
Letale allelen
bv: agouti-gen (een gen dat kleur muizen bepaalt)
agouti-kleur wordt bepaald door het agouti-allel
gemutteerd (A) = bleek, geel, dominant t.o.v. agouti-allel (a)
gele muizen = Aa heterozygoot
agouti-muizen = aa homozygoot
homozygote gele muis? = 2:1 i.p.v. 1:2:1 → allel gele kleur = letaal (sterft embryonale fase)
polygenie
meerdere genen voor hetzelfde kenmerk: onafhankelijke
fenotypisch kenmerk is het resultaat van uiting van meerdere genen
verschillende onafhankelijke genen → samen 1 fenotypisch kenmerk maken
(bv: huidskleur, oogkleur, lengte)
huidskleur = 6 allelen = A, B, C, a, b, c
alleen hoofdletters coderen voor aanmaak pigment
→ hoe meer hoofdletters, hoe donkerder (AABbcc)
→ hoe meer kleine letters, hoe bleker (aabbcc)
Epistasie
meerdere genen voor hetzelfde kenmerk, afhankelijk
fenotypisch kenmerk is het gevolg van meerdere genen. Het tot uiting komen van een gen in fenotype wordt beïnvloed door expressie van een ander gen
bv: vachtkleur labradors:
gen 1: geel, zwart (Z), bruin (z)
gen 2: E (afzetting pigment), e (verhindert afzetting pigment)
zz = bruin, ee = geel (pigment wordt niet afgezet
interactie genen = … (E en e zijn bepalend voor de kleur/ fenotype)
9:3:4 verhouding i.p.v. 9:3:3:1 verhouding
Thomas Hunt Morgan
bevestigde DE hypothese a.d.h.v. kruisingsproeven met witogige en roodogige fruitvliegjes
+ stelde dat allelen lineair gerangschikt zijn op chromosomen
+ heeft 10 mutaties van fruitvliegen ontwikkeld door ze te bestralen
→ genen lichaamskleur en vleugellengte zijn ontkoppeld → nieuwe genencombinanties
chromosomen
komen voor in paren, komen in verschillende vorm en lengte voor (individueel herkenbaar)
+ complexe bewegingen tijdens mitose en meiose
de hypothese
parallellen tussen verdeling allelen volgens wetten van Mendel en de beweging van chromosomen tijdens meiose = leiden snel tot … dat chromosomen de basis vormen voor erfelijkheid
+ allelen liggen fysiek op de chromosomen (chromosomen = dragers genen)
gekoppelde genen
2 genen die samen overerven
onafhankelijkheidswet van Mendel
enkel geldig voor genen die op chromosomen liggen/ver van elkaar verwijderd zijn
Bij genen op hetzelfde chromosoom is deze wet niet langer geldig
mutatie
= plotselinge verandering van erfelijk materiaal → nieuwe allelen
ontkoppeling
2 soorten genen splitsen los van elkaar → nieuwe genencombinaties
recombinanten
ontstaan van nieuwe fenotypes door nieuwe gencombinaties/allelencombinaties
overkruising, crossing-over
in profase meiose I komen homologe chromosomen dicht bij elkaar te liggen; niet-zusterchromatiden wisselen onderling stukken met elkaar uit
chiasma
de plaats waar chromatiden contact maken met elkaar
recombinatiefrequentie
percentage gameten waarin 2 genen ontkoppeld geraken → genetische recombinatie optreedt
tussen 2 genen = constant
→ afhankelijk van de afstand tussen genen op chromosoom
klein = genen dicht op elkaar liggen → overkruising tussen beide = klein
groot = genen ver uit elkaar → grotere kans op overkruising tussen beide genen → ontkoppeld raken
= relatieve afstand van de genen op een chromosoom
koppelingsfrequentie
percentage gameten,waar allelen op hetzelfde chromosoom liggen, same overgeërfd worden
centimorgan
recombinatie- en koppelingsfrequenties worden uitgedrukt in de eenheid …(cM)
genenkaarten
dankzij gene mapping kun je een … opstellen
gene mapping
techniek die de recombinatiefrequentie gebruikt als relatieve afstand van de genen op een chromosoom
geslachtschromosoom
X en Y
vrouw = homogametisch = XX (oögenese: 22 autosomen en het oöcyt dat altijd X is)
man = heterogametisch = XY (spermatogenese: 22 autosomen en een X/Y-chromosoom)
+k bevat ook genen die niet betrokken zijn bij de geslachtsbepaling
autosomen
chromosomen die niet instaan voor de bepaling van het geslacht
meisje
bij bevruchting: spermazoïde bevat X-chromosoom = …
jongen
bij bevruchting: spermazoïde bevat Y-chromosoom = …
even groot
de kans op een zoon of dochter = …
niet-homoloog
X- en Y-chromosomen hebben een verschillende vorm → … beschouwd
X-gebonden overerving
genen die alleen aanwezig zijn op het X-chromosoom kennen:
Y-gebonden overerving
genen die alleen aanwezig zijn op het Y-chromosoom kennen:
pseudo-autosomale regio’s
de uiteinden van de 2 geslachtschromosomen zijn homoloog aan elkaar
die regio noemen we: (PAR)
x-gebonden recessieve aandoening
komt bij mannen tot uiting als ze het allel voor de aandoening op het X-chromosoom bezitten. Bij de vrouw alleen als het allel op beide X-chromosomen zit
Een vrouw die het maar op 1 chromosoom bezit = drager
vb: daltonisme
daltonisme
rood-groenkleurenblindheid
→ slecht werkende kegeltjes in het netvlies → verschil tussen rood en groen moeilijk onderscheiden
x-gebonden overerving
recessief:
meer mannen worden getroffen door de afwijking
komt doorgaans niet in opeenvolgende generaties tot expressie
(kleurenblinde man met gewone ouders, maar grootvader moeders kant wel afwijking vertonen)
dominant:
zodra er 1 X-chromosoom het allel bevat
y-gebonden overerving
enkel bij mannen (overerving)
populatie
groep organismen die zich onderling voortplanten in hetzelfde geografisch gebied
genenpoel
verzameling allelen van alle genen die voortkomen in die populatie
genetische diversiteit
de verschillende allelen in een genenpoel = ….
allelfrequentie
onderzoeken met welke frequentie een allel voorkomt
populatiegenetica
genetische samenstelling van menselijke populaties en de allelfrequenties die aanwezig zijn in de populatie + hoe ze veranderen per generatie bestuderen
de wet van Hardy en Weinberg
uit fenotypen die aanwezig zijn in de populatie kun je de allelfrequentie en de genotypefrequentie afleiden.
geldt voor populatie, maar kwam tot stand op basis van de wetten van Mendel (overerving kenmerken bij individu
= de allelfrequentie in een populatie blijft gelijk
→ p2 + 2pq + q2 = 1
→ p + q = 1
onveranderd
verhouding tussen frequenties blijft in volgende generaties = …
voorwaarden wet van Hardy en Weinberg
er treedt geen natuurlijke selectie op
er treden geen mutaties op
er vindt geen emigratie naar en/of immigratie van andere populaties plaats
de populatie is groot
er is een willekeurige, niet-selectieve partnerkeuze
evenwicht
Allelfrequenties (= fenotypefrequenties) blijven constant in de tijd → populatie in …
eiwitsynthese prokaryoten
transcriptie → translatie (cytoplasma, cytoplasma)
DNA → mRNA → eiwit
eiwitsynthese eukaryoten
transcriptie → splicing → translation (celkern, celkern, cytoplasma)
DNA → pre-mRNA → mRNA → eiwit
splicing
spliceosoom knipt introns (niet-coderend) weg van pre-mRNA (exons blijven over) → mRNA te maken
welke stukken = afhankelijk celtype
=> meerdere mRNA kunnen gemaakt worden uit 1 pre-mRNA
DNA
dubbele helix
nucleotiden
fosfaatgroep
suiker
organische base
basencomplementariteit
histonen
chromatine
chromosomen
histonen
basisch eiwit omringd door DNA in de celkern
genoom
bevat alle genetische informatie, DNA-sequenties in een cel (o.a. mitochondriën en chloroplasten)
= coderend DNA + niet-coderend DNA
transcriptoom
omvat al het RNA in de cel die door transcriptie gevormd is (pre-mRNA, tRNA,mRNA)
proteoom
geheel van eiwitten die aanwezig zijn in een cel
suikerfosfaatskelet
(= de suiker-fosfaatruggengraat) is de structurele basis van DNA en RNA. Het vormt als het ware de twee 'zijkanten van de ladder' van de dubbele helix. Dit stevige raamwerk bestaat uit een keten van afwisselende suikergroepen (desoxyribose bij DNA, ribose bij RNA) en fosfaatgroepen.
nucleosoom
histonen + DNA
eiwitsynthese
Op basis van de … kun je de eiwitsynthese op 3 niveaus bekijken
genoom
transcriptoom
proteoom
gen
DNA-fragment dat de code voor een bepaald eiwit bevat + aanmaak andere types RNA
chromatine
DNA rond histonen gewikkeld
chromatide
verdere spiralisatie van chromatine
chromosoom
bestaat (vlak voor celdeling) uit 2 chromatiden
promotor
DNA-sequentie net voor gen. Dient als startplaats transcriptie, wordt zelf niet overgeschreven
genexpressie
erfelijke info en de basensequentie van het DNA wordt omgezet in een fenotypisch kenmerk
gen → polypeptide → eiwit (proteïne)
64 codoncombinaties
41 aminozuren + 3 stopcodons
aminozuren
eiwitten = +20 verschillende
gekoppeld door peptidebindingen
4 niveaus: primair, secundair, tertiar, quarternair
primair niveau
eiwit keten
lineaire volgorde van aminozuren
secundair niveau
a-helix en b-sheet
vorm door waterstofbruggen
tertiar niveau
3D-opvouwing van 1 keten door interacties tussen restgroepen
quarternair niveau
meerdere tertiaire structuren samen
samenkomen van meerdere opgevouwen ketens
start codon
AUG
de eerste AUG in de code = …
gedegenereerd
= verschillende codons voor hetzelfde aminozuur mogelijk
RNA
enkelstrengig
Adenine, Uracil, Guanine, Cytosine
ribose i.p.v. desoxiribose
korter: code voor 1 eiwit
transcriptie eukaryote cel
3 stappen:
initiatie
elongatie
terminatie
+ nabewerking: splicing
initiatie transcriptie
stap 1 van transcriptie (E-cel)
= aanhechten RNA-polymerase
meerdere eiwitten (transcriptiefactoren) binden op promotor v/h gen → RNA-polymerase-enzym bindt
→ RNA polymerase + transcriptiefactoren = startcomplex (vormen)
elongatie transcriptie
Stap 2 van transcriptie (E-cel)
= werking RNA-polymerase
ATP geeft RNA-polymerase energie → kort stuk DNA-helix komt los in 2 enkelstrengen (helicase) → polymerase bouwt RNA-molecule die complementair is aan originele DNA-streng (start bij 3’)
terminatie transcriptie
Stap 3 transcriptie (E-cel)
= loslaten RNA-polymerase
vorming pre-mRNA stop bij specifieke sequentie (AAUAAA) → DNA-polymerase komt los → poly-A-staart wordt aan pre-mRNA toegevoegd → DNA-dubbele helix sluit terug
Poly-A-staart = bescherming tegen afbraak
transport mRNA
= via exportines (eiwitten) en NES (nucliair Export Signal)
Translatie in Eukaryote cel
gebeurt door ribosomen die vrijkomen in het cytoplasma/ die gebonden zijn aan RER (ruw endoplasmatisch reticulum)
3 stappen:
initiatie
elongatie
terminatie
+ nabewerking: opvouwing polypeptide tot functioneel eiwit
tRNA
molecule die kan binden op een mRNA-codon & kan zorgen dat het juiste aminozuur wordt ingebouwd
anticodon bindt op de mRNA-codon
anticodon
comlementair & anti-parrallel i.v.m. mRNA - codon
ribosoom
opeenvolging van codons die vertaald moet worden tot de overeenkomstige sequentie aminozuren
bestaat uit eiwitten en rRNA

initiatie translatie
= activering aminozuren door aminoacul-tRNA-synthesasen
initiatiefactoren vormen het startcomplex
Initiatiefactoren zorgen voor binding en stabilisatie van de verschillende onderdelen startcomplex
elongatie translatie
polypeptidebinding wordt opgebouwd
terminatie translatie
Op de A-plaats komt een stopcodon voor dat niet bindt met tRNA, maar met een eiwit (= release factor)
gevormde polypeptide, mRNA, tRNA, kleine en grote subeenheid van het ribosoom komen los
→ transport naar golgiapparaat
1 gen, meerdere polypeptiden
alternatieve splicing
meerdere startplaatsen voor transcriptie
eiwitmodificaties
verknippen van polypeptiden
aanhechten sacharideketens
aanhechten fosfaatgroepen