1/34
Een uitgebreide set flashcards over gaswisseling, het transportstelsel en homeostase bij de mens, evenals gaswisseling bij insecten en vissen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Gaswisseling
Het proces waarbij het lichaam zuurstof opneemt en koolstofdioxide afgeeft ten behoeve van de verbranding in cellen.
Diffusie
Het verplaatsen van stoffen van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie, een proces dat vanzelf gaat zolang er een concentratieverschil is.
Neusholte
Onderdeel van het ademhalingsstelsel dat ervoor zorgt dat ingeademde lucht wordt gefilterd, verwarmd en bevochtigd.
Longblaasjes
Kleine zakjes in de longen met een groot oppervlak en een dunne wand waar de gaswisseling tussen lucht en bloed snel plaatsvindt.
Ventilatie
Het proces van in- en uitademen van lucht door het samenknijpen en ontspannen van het middenrif en de tussenribspieren.
Ademvolume
De hoeveelheid lucht die per ademhaling wordt in- en uitgeademd.
Ademfrequentie
Het aantal ademhalingen dat iemand per minuut maakt.
Ademminuutvolume
De totale hoeveelheid lucht die per minuut wordt ingeademd, berekend als ademvolume×ademfrequentie.
Tracheeënstelsel
Het ademhalingssysteem van insecten dat bestaat uit sterk vertakte buisjes (tracheeën) die zuurstof direct naar de cellen brengen.
Stigma’s
Kleine openingen in het pantser van een insect waardoor lucht het lichaam binnenkomt.
Kieuwen
Organen bij vissen bestaande uit dunne plaatjes met een groot oppervlak waarmee zuurstof uit het water wordt opgenomen.
Kleine bloedsomloop
Het deel van het transportsysteem dat bloed vervoert tussen het hart en de longen.
Grote bloedsomloop
Het deel van het transportsysteem dat bloed vervoert tussen het hart en de rest van het lichaam.
Bloedplasma
De vloeistof in het bloed die verantwoordelijk is voor het vervoer van voedingsstoffen, hormonen en afvalstoffen.
Rode bloedcellen
Bloedcellen die gespecialiseerd zijn in het vervoer van zuurstof.
Witte bloedcellen
Bloedcellen die het lichaam beschermen tegen ziektes.
Bloedplaatjes
Onderdelen van het bloed die zorgen voor de bloedstolling.
Slagaders
Bloedvaten met een dikke, elastische wand die bloed van het hart wegvoeren.
Aders
Bloedvaten die bloed terugvoeren naar het hart en kleppen bevatten om terugstromen te voorkomen.
Haarvaten
Zeer dunne bloedvaten waar de uitwisseling van stoffen met de cellen plaatsvindt.
Bovendruk
De bloeddruk die ontstaat op het moment dat het hart samentrekt.
Onderdruk
De bloeddruk op het moment dat het hart zich ontspant.
Weefselvloeistof
Vloeistof die uit de haarvaten lekt naar de cellen om zuurstof en voedingsstoffen te brengen en afvalstoffen op te halen.
Lymfe
Weefselvloeistof die is opgenomen in het lymfestelsel en via lymfevaten terugstroomt naar het bloed.
Placenta
Het orgaan via welke de uitwisseling van zuurstof en voedingsstoffen plaatsvindt bij een ongeboren baby.
Homeostase
Het constant houden van de omstandigheden in het inwendige milieu van het lichaam.
Inwendig milieu
De directe omgeving van de lichaamscellen, bestaande uit bloed en weefselvloeistof.
Lever
Orgaan dat schadelijke stoffen ontgift, gal produceert voor vetvertering en de bloedsuikerspiegel reguleert.
Glycogeen
De vorm waarin glucose door de lever wordt opgeslagen wanneer de bloedsuikerspiegel moet worden gereguleerd.
Nieren
Organen die het bloed filteren en afvalstoffen, overtollig water en zouten verwijderen in de vorm van urine.
Urineleiders
Buisjes die de gevormde urine van de nieren naar de blaas vervoeren.
Onderhuids bindweefsel
De laag onder de lederhuid die vet bevat voor isolatie en bescherming tegen kou en stoten.
Specifieke afweer
Het afweersysteem waarbij het lichaam gericht antistoffen maakt tegen een specifieke ziekteverwekker.
Antistoffen
Stoffen die door de specifieke afweer worden aangemaakt om herinfecties door een bepaalde ziekteverwekker te bestrijden.
Transplantatie
Het verplaatsen van een orgaan of weefsel van een donor naar een patiënt.