1/13
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sociale verouderingsperspectieven - Handelingsperspectief
→ constructivisme
= mensen geven betekenis aan oud zijn, iemands beeld van oud zijn en zijn gedrag worden gevormd door interactie met anderen
Veronderstelt een zekere handelingsvrijheid van individu
= “agency”
→ stelt de individuele oudere centraal als actieve actor
De kern: Ouderen zijn niet simpelweg slachtoffers van hun biologie of de maatschappij, maar maken zelf keuzes die hun leven vormgeven.
Focus: Het gaat om autonomie, zelfregie en betekenisgeving. Hoe iemand omgaat met tegenslag (coping) is hier een belangrijk onderdeel van.
Voorbeeld: Een oudere die ondanks artrose zelf op zoek gaat naar een aangepaste sportgroep om fit te blijven, handelt vanuit dit perspectief.

Sociale verouderingsperspectieven - Structureel perspectief
= welke handelingsruimte biedt de samenleving om ouderdom vorm te geven?
politieke economie van veroudering
= positie ouderen als uitkomst van bredere economische en politieke processen
(bijvoorbeeld ouderen zien als hoge kostenpost)
leeftijdsstratificatie
= indeling van bevolking naar leeftijdsgroepen
(bijvoorbeeld jongeren hebben meer rechten op gebied van onderwijs)
→ kijkt naar de maatschappelijke kaders die bepalen hoe iemand ouder kan worden
De kern: De mogelijkheden van een oudere worden beperkt of juist gestimuleerd door instituties, wetten, economie en sociale ongelijkheid.
Focus: Macht, beleid (zoals de Wmo of Wlz) en maatschappelijke normen. Het zijn de extra-individuele factoren uit het disablement process.
Voorbeeld: Of een oudere zorg krijgt, hangt niet alleen af van eigen inzet, maar van de vraag of de gemeente (Wmo) voldoende budget heeft voor die specifieke wijk.
Sociale verouderingsperspectieven - Levensloopbenadering
→ combinatie
= gaat uit van individuele handelingsvrijheid
Maar veronderstelt dat die wordt vorm gegeven door tijd, plaats en omstandigheden waarin iemand geboren wordt
CAD (cumulative advantage/disadvantage)
= verschillen tussen mensen die in zelfde tijd geboren zijn maar in verschillende (sociale) omstandigheden op bepaalde kenmerken als geld, gezondheid of status, systematisch toenemen in de loop der tijd
→ kijkt naar veroudering als een proces over de tijd (van geboorte tot dood)
De kern: De manier waarop je oud bent, is het resultaat van je hele levensgeschiedenis. Gebeurtenissen van vroeger tellen op (cumulatie).
Focus: Transities (bijv. pensioen), historische gebeurtenissen (bijv. een oorlog of crisis) en sociale relaties (het 'konvooi').
Voorbeeld: Iemand die op jonge leeftijd fysiek zwaar werk deed en weinig pensioen opbouwde, heeft op 80-jarige leeftijd een grotere kans op gezondheidsproblemen en minder financiële middelen.
Formele sociale participatie
= participatie in organisaties
→ verplichting of een afspraak (lidmaatschap)
Bijvoorbeeld elke dinsdagmiddag vrijwilligerswerk in de bibliotheek
Informele sociale participatie
= spontaan (ongebonden) en vindt plaats in de privésfeer
Bijvoorbeeld oma die gaat oppassen
Ouderenparticipatie in vrijwilligersorganisaties
77% van 60+ers is lid van minstens 1 vrijwilligersorganisatie en 66% bezoekt minstens 1 type organisatie
43% van 60+ers actief participerend in commissies en bestuur van zo’n vereniging
Waarom zijn sommige ouderen actief in vrijwilligers werk en andere niet? - 3 factoren
intrinsieke motivatie (altruïsme)
→ dispositie
men moet zelf in staat zijn om arbeidswerk te verrichten (tijd, gezondheid)
→ hulpbronnen
sociale context waarin men zich bevindt (is vrijwilligerswerk de norm?)
Redenen waarom de inzet in vrijwilligerswerk van ouder gelijk is gebleven
Redenen waarom ouderen VAKER vrijwilligerswerk zouden doen:
(individuele kenmerken → handelingsperspectief)
Hoger opgeleid
= mensen met een hogere opleiding zijn statistisch gezien vaker maatschappelijk actief
Betere gezondheid
= ouderen blijven langer vitaal, waardoor ze fysiek en mentaal in staat zijn om taken te blijven verrichten
Groter sociaal netwerk
= men heeft meer contacten, en via die netwerken worden vaker gevraagd voor vrijwillige functies
Redenen waarom ouderen MINDER vrijwilligerswerk zouden doen:
(samenlevingskenmerken: de handelingsruimte)
Langer doorwerken
= door de verhoogde pensioenleeftijd hebben de “jongere ouderen” simpelweg minder vrije tijd dan vroeger
Meer mantelzorgtaken
= er wordt vanuit de overheid een groter beroep gedaan op de informele zorg
Toename 80-plussers
= de groep die te kwetsbaar is om nog actief vrijwilligerswerk te doen, groeit sneller dan de groep vitale ouderen
→
Reden dat de inzet gelijk blijft
= omdat positieve individuele ontwikkelingen precies worden gecompenseerd door de toenemende maatschappelijke druk
Het sociale netwerk
= geheel aan relaties met familie, vrienden, collega’s en kennissen
Verschillende soorten netwerken
ego-centered netwerk
= 1 specifiek iemand is het middelpunt, iedereen heeft eigen netwerk
full netwerk
= een volledige groep en alle relaties tussen de mensen in die groep.
Je kijkt hierbij niet meer vanuit de ogen van de oudere (de 'ego'), maar je zweeft als het ware boven de groep om het totale web van verbindingen te zien.

Het Konvooi Model
1. De Determinanten (De basis)
Aan de linkerkant zie je de factoren die bepalen hoe het sociale netwerk wordt gevormd:
Individu: Persoonlijke kenmerken zoals leeftijd, sekse, religie en opleiding. Deze bepalen wie je bent en welke 'bagage' je meeneemt in je relaties.
Context: De omgeving waarin je leeft, zoals sociale rollen (wat men van je verwacht) en omgevingskenmerken (woon je in de stad of op het platteland?).
2. Behoefte aan steun
Het individu en de context bepalen samen de behoefte aan steun. Een hoogbejaarde persoon in een afgelegen gebied heeft een andere steunbehoefte dan een vitale oudere in een stad.
3. Netwerk structuur en functie (Het Konvooi)
Dit is de kern van het model (omkaderd in het rood):
Structuur: Dit gaat over de vorm van het netwerk, zoals de omvang (hoeveel mensen?) en de samenstelling (familie, vrienden, buren).
Functie: Dit gaat over wat het netwerk daadwerkelijk doet. Bieden ze emotionele steun, praktische hulp of informatie?
Stabiliteit: In de leerstof wordt benoemd dat interventies (zoals respijtzorg) bedoeld zijn om dit konvooi stabiel te houden, zodat de informele zorg niet bezwijkt.
4. Uitkomsten
Helemaal rechts zie je waar het konvooi toe leidt. De kwaliteit van het netwerk is bepalend voor:
Welbevinden: Hoe gelukkig en tevreden de oudere is.
Integratie: In hoeverre de oudere zich nog onderdeel voelt van de maatschappij.
Eenzaamheid: Als het konvooi uitdunt of de functie tekortschiet, stijgt het risico op sociale of emotionele eenzaamheid.
Waarom staat er 'Handelingsperspectief' boven? Dit geeft aan dat de oudere zelf (als individu) invloed heeft op dit proces. Door keuzes te maken in de omgang met anderen of door steun te vragen, kan de oudere proberen de uitkomsten (zoals eenzaamheid) te beïnvloeden, ondanks de beperkingen van de context of leeftijd.

Emotionele eenzaamheid
= gemis aan kwaliteit van relaties
→ gaat om gemis van een hechte, intieme band met 1 specifiek persoon (vaak partner of hartsvriendin), diegene kan omringd zijn door 100 mensen en toch emotioneel eenzaam zijn.
“ik mis een echt goede vriend of intieme partner”
Voorbeeld: iemand woont in een druk verzorgingstehuis waar de hele dag activiteiten en mensen zijn, maar zijn echtgenote is vorig jaar overleden (verlies van partner!!!!!).
Ondanks de vele mensen om zich heen voelt hij toch een diepe leegte.
verlies van partner en andere dierbaren !!!
Sociale eenzaamheid
= gemis aan kwantiteit van relaties
→ iemand heeft te weinig mensen om op terug te vallen voor gezelligheid of praktische steun
“wanneer ik er behoefte aan heb, kan ik niet meer bij een groep vrienden of kennissen terecht”
Voorbeeld: wanneer iemand niet meer de deur uit kan komen door functionele beperkingen en hierdoor niet meer naar de lokale bridgeclub kan komen.
functionele beperkingen
slechthorendheid, slechtzien
cognitieve achteruitgang
Eenzaamheid: Italië vs Nederland
Eenzame ouderen: Italië > Nederland
Italië:
persoonlijke netwerken kleiner
relatieverwachtingen hoger in collectivistische of familiecultuur
→ individualistische cultuur beschermt