1/249
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
1. Histologie is weefselleer
juist
2. Cytologie betekent weefselleer
fout
3. De cytologie (= celleer) bestudeert de bouw en functie van de cel
juist
4. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen vanaf het juveniel of larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier
fout
5. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier.
fout
6. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het ei tot de dood van het volwassen dier
juist
7. De embryologie is onderdeel van de ontogenie
juist
8. Heterotypische betrekkingen zijn betrekkingen tussen organismen van verschillende populaties
juist
9. Onder biologische evolutie verstaat men de progressieve ontwikkeling van dieren en planten uit voorouders met verschillende en in regel minder complexe morfologie en fysiologie
juist
10. Micro-evolutie is het proces waarbij 1 soort splitst in verschillende soorten of omgevormd wordt in een andere soort, binnen de grenzen van hetzelfde genus
juist
11. Analoge organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie.
juist
12. Analoge organen hebben dezelfde oorsprong, maar niet dezelfde functie; ze hebben zich ontwikkeld door convergente evolutie.
fout
13. Homologe organen hebben dezelfde structuur maar een verschillende functie.
fout
14. Homologe organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie
fout
15. Vleugel van vogel en de arm van de mens zijn homologe organen.
juist
16. Volgens de biogenetische wet van Haeckel is de fylogenie een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie.
fout
17. Fylogenie is een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie
fout
18. Bij polytypische diersoorten gebruikt men een trinominale nomenclatuur
juist
19. De nomenclatuur van een ondersoort of ras is Latijns en binominaal.
fout
20. Een taxon is monofyletisch als er 1 voorouder aan de basis stond van alle organismen binnen dit taxon, en geen enkel organisme van een ander taxon
juist
21. Het 5-rijkensysteem van Whittaker is gebaseerd op 3 organisatieniveau's; het eukaryotisch meercellig en meerkernig niveau is samengesteld uit het rijk van de planten (Metaphyta) en het rijk van de dieren (Metazoa).
fout
22. Het 5-rijkensysteem van Whittaker omvat 3 organismeniveau's; het eukaryotisch meercellig en meerkernig bestaat uit het rijk van de planten, dieren en schimmels.
juist
23. Mitochondria en een Golgi-apparaat komen zowel voor bij de Prokaryota als bij de Eukaryota.
fout
24. Evolutie kan zich alleen voordoen als aan alle vereisten van de wet van Hardyen Weinberg is voldaan.
fout
25. Complexogen duiden op een verre fase van evolutie.
juist
26. Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de gametogenesis altijd maar 1 rijpe eicel.
fout
27. Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de oögenese maar 1 ovum, de gevormde poollichaampjes zijn het resultaat van asymmetrische cytokinese.
fout
28. Reptilia, Aves en Mammalia hebben een telolecithaal eitype.
fout
29. Piscis, Reptilia, Aves en Mammalia bezitten mesolecitale eitjes.
fout
30. Bij het centrolecitale eitype ligt het dooiermateriaal aan de animale pool
fout
31. Uit de primaire gonocyten ontstaan in de testes de spermatogoniën, waaruit na reductiedeling de spermatozoïden ontstaan.
fout
32. De spermiogenese is de transformatie van spermatocyten naar spermatozoa
fout
33. Een inwendige bevruchting wordt gekenmerkt door het feit dat het mannetje zijn spermatozoa rechtstreeks in het geslachtskanaal van de wijfjes brengt.
fout
34. De corticale korrels, die na het binnendringen van de spermatozoïde in de eicel hun inhoud uitstorten tussen de plasmamembraan en de vitelliene membraan van de eicel, bevatten o.a. enzymen die de vitelliene membraan ombouwen tot een fertilisatiemembraan
juist
35. Over de corticale reacties: de corticale korrels, die bij een bevruchting hun inhoud uitstorten tussen het plasmamembraan en het vitelliene membraan, bevatten onder meer enzymen die dat vitelliene membraan ombouwen tot een bevruchtingsmembraan
juist
36. Het klievingstype van een eicel wordt enkel bepaald door het type eicel (dus door de hoeveelheid en de plaats van de dooier).
fout
37. De verschillende types van klieving van een zygote zijn alleen afhankelijk van de ligging van de dooier.
fout
38. Door voortdurende delingen van de zygote ontstaat de morula, een celklompje met binnenin de klievingholte of blastoceel.
fout
39. Bij een meroblastische klieving wordt de buitenste laag van het ei volledig in de delingen betrokken.
fout
40. Centrolecitale eieren van bijvoorbeeld vogels ondergaan een meroblastische discoïdale klieving.
fout
41. Het zenuwstelsel en het spierstelsel ontstaan uit het ectoderm
fout
42. Epidermis, zenuwstelsel en bloedvatenstelsel ontstaan uit het mesoderm
fout
43. Het zenuwstelsel is van endodermale oorsprong
fout
44. In epitheelweefsel vindt men geen bloed- of lymfevaten terug, de voeding komt uit het bindweefsel via het basaalmembraan
juist
45. Eénlagig plaat- of plaveiselepitheel is een dekepitheel dat een grote doorlaatbaarheid voor gassen en vloeistoffen bezit; het komt o.a. voor in longblaasjes
juist
46. Onze epidermis is een verhoornd meerlagig plaatepitheel, afkomstig van ectoderm
juist
47. Bij apocriene kliercellen wordt het secreet uit de cel gestoten via exocytose
fout
48. Merocriene kliercellen geven hun secreet af via exocytose
juist
49. Losmazig en dicht bindweefsel bevatten steeds collageenvezels
juist
50. Bij endesmale beenvorming ontstaat het beenweefsel rechtstreeks uit het embryonaal bindweefsel.
juist
51. Bij compact lamellair been liggen de lamellen voor het grootste gedeelte rond de kanalen van Havers; deze laatste zijn gevuld met rood beenmerg
fout
52. Spongieus lamellair been in de holtes van osteonen wordt opgevuld door rood beenmerg
fout
53. Spierweefsel bestaat uitsluitend uit spiervezels; laatste worden gekenmerkt door de aanwezigheid van myofibrillen, die zorgen voor de contractie
fout
54. De spiercellen van skeletspierweefsel zijn syncytia
juist
55. Een syncitium is een secundair meerkernige cel, gevormd door versmelting van verschillende eenkernige cellen.
juist
56. Bij samentrekking van de spieren verkorten vooral de sarcomeren
juist
57. De contractiele eiwitten actine en myosine komen zowel in amoeben als in zoogdieren voor
juist
58. Spierfilamenten verkorten bij contractie
fout
59. Bij spiercontractie verkorten vooral de actinefilamenten
fout
60. Over spiercontractie: door binding van Ca2+ (afkomstig van sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, verandert de positie van de tropomyosinemoleculen en komen er bindingsplaatsen vrij op actinefilamenten waarop de koppen van de myosinemoleculen zich kunnen binden.
juist
61. De spiercontractie gebeurt door binding van Ca2+ (van het sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, waardoor de positie van de tropomyosine verandert en de bindingsplaatsen voor de koppen van de myosinemoleculen vrijkomen
juist
62. Bloed bestaat voor ongeveer 45% uit gefigureerde elementen en voor 55% uit water.
fout
63. Bloed bestaat voor 90% uit water.
fout
64. Bij zoogdieren worden de erytrocyten gevormd in het rode beenmerg van platte en lange beenderen.
juist
65. Erytrocyten van zoogdieren worden gevormd in het rode beenmerg in de lange en platte beenderen. Deze cellen hebben geen kern.
juist
66. Thromobocyten bevatten thromoboplastine, een stof die zorgt voor de omzetting van prothrombine tot thrombine; thrombine speelt een rol bij de omzetting van fibrinogeen tot fibrine.
juist
67. Elk neuron heeft slechts 1 axon
juist
68. De Schwancellen in het centraal zenuwstelsel zijn niet gemyeliniseerd.
fout
69. Oligondrocyten (een type neurogliacellen) vormen cellulaire uitlopers die een myelineschede kunnen leggen rond nabijgelegen axonen in het centraal zenuwstelsel
juist
70. Bij een bipolair neuron draagt het perikaryon één dendriet en één axon. Deze neuronvorm komt vooral voor bij zintuigen.
juist
71. Over de zenuwimpuls: de actiepotentiaal wordt beschouwd door opening van voltagegevoelige K kanalen, waardoor K+-ionen de zenuwcel binnenkomen en de membraan potentiaal minder negatief maken (depolarisatie van de membraan).
fout
72. Zenuwimpuls: actiepotentiaal wordt opgebouwd door opening van voltagegevoelige K+kanalen in het plasmamembraan, waarop K+-ionen de cel instromen en de membraanpotentiaal minder negatief maken. Dit is de depolarisatie van het membraan.
fout
73. Het vrijstellen van neurotransmitters uit synaptische vesikels in de synaptische spleet gebeurt onder invloed van Ca2+-ionen
juist
74. De Deuterostomia zijn de Metazoa waarbij de uiteindelijke mond niet uit blastoporus ontstaat
juist
75. Bij de Epineurii bevindt het centraal zenuwstelsel zich helemaal boven het spijsverteringsstelsel.
juist
76. Bij een acoelomaat organisme is het mesoderm altijd afwezig.
fout
77. Bij schizocoelomaten, zoals de Annelida en de Arthropoda, ontstaat het mesoderm als uitgroeiing (outpockets) van de endoderm.
fout
78. Bij de Enterocoelomata ontstaat het mesoderm als uitgroeiingen ('outpockets') van het endoderm.
juist
79. Stelling over de holozoïsche en saprozoïsche voeding (duid maar gewoon juist aan)
juist
80. Holozoïsch heterotrofe ééncelligen voeden zich via fagocytose
juist
81. De belangrijkste functie van de contractiele vacuolen bij Protozoa is het verwijderen van osmotisch binnengedrongen water
juist
82. Flagellumstructuur: ter hoogte van de blefaroplast komen 9x3 periferische en 2 axiale microtubuli voor.
fout
83. Bij ongeslachtelijke voortplanting door tweedeling bij protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.
fout
84. Bij aseksuele voortplanting van de Protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.
fout
85. De protozoa delen zich enkel transversaal.
fout
86. Bij schizogenie wordt een deling van de kern direct gevolgd door een deling van het cytoplasma
fout
87. Bij schizogenie deelt de cel zich na elke kerndeling
fout
88. Bij isogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen mannelijke en vrouwelijke gameten.
fout
89. Bij geslachtelijke voortplanting door isogamie zijn de gameten morfologisch en fysiologisch niet van elkaar te onderscheiden
fout
90. Bij anisogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen de 'mannelijke' en de 'vrouwelijke' gameten; beide gameten zijn beweeglijk
fout
91. Bij haplonten gebeurt de reductiedeling voor zygotevorming
fout
92. Bij diplonten treedt de reductiedeling kort voor de zygotevorming op
juist
93. Bij een diplobionte ééncellige gaat de reductiedeling onmiddellijk de bevruchting vooraf; de meiose is dus zygotisch
fout
94. Ciliophora zijn diplobionten gedurende het grootste deel van hun leven; de reductiedeling treedt kort voor de zygotevorming op
juist
95. Volvox aureus is protandrisch hermafrodiet
juist
96. Doordat alle Euglenida zich uitsluitend autotroof voeden, worden ze gerangschikt bij de Fytoflagellata.
fout
97. Paraglycogeen is een reservestof die uitsluitend bij de Euglenida voorkomt
juist
98. Bij promastigote Crithidia ligt de blefaroplast voor de kern
fout
99. Bij de Leptomonas-vorm of promastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern
fout
100. Bij Crithidia-vorm of epimastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern
juist