Dierkunde tuyaux aangepast 2021

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/249

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:48 PM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

250 Terms

1
New cards

1. Histologie is weefselleer

juist

2
New cards

2. Cytologie betekent weefselleer

fout

3
New cards

3. De cytologie (= celleer) bestudeert de bouw en functie van de cel

juist

4
New cards

4. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen vanaf het juveniel of larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier

fout

5
New cards

5. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het larvaal stadium tot de dood van het volwassen dier.

fout

6
New cards

6. De ontogenie bestudeert de ontwikkelings- en groeiprocessen van een dier vanaf het ei tot de dood van het volwassen dier

juist

7
New cards

7. De embryologie is onderdeel van de ontogenie

juist

8
New cards

8. Heterotypische betrekkingen zijn betrekkingen tussen organismen van verschillende populaties

juist

9
New cards

9. Onder biologische evolutie verstaat men de progressieve ontwikkeling van dieren en planten uit voorouders met verschillende en in regel minder complexe morfologie en fysiologie

juist

10
New cards

10. Micro-evolutie is het proces waarbij 1 soort splitst in verschillende soorten of omgevormd wordt in een andere soort, binnen de grenzen van hetzelfde genus

juist

11
New cards

11. Analoge organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie.

juist

12
New cards

12. Analoge organen hebben dezelfde oorsprong, maar niet dezelfde functie; ze hebben zich ontwikkeld door convergente evolutie.

fout

13
New cards

13. Homologe organen hebben dezelfde structuur maar een verschillende functie.

fout

14
New cards

14. Homologe organen hebben een verschillende origine, maar een gelijkaardige functie

fout

15
New cards

15. Vleugel van vogel en de arm van de mens zijn homologe organen.

juist

16
New cards

16. Volgens de biogenetische wet van Haeckel is de fylogenie een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie.

fout

17
New cards

17. Fylogenie is een korte en gewijzigde herhaling van de ontogenie

fout

18
New cards

18. Bij polytypische diersoorten gebruikt men een trinominale nomenclatuur

juist

19
New cards

19. De nomenclatuur van een ondersoort of ras is Latijns en binominaal.

fout

20
New cards

20. Een taxon is monofyletisch als er 1 voorouder aan de basis stond van alle organismen binnen dit taxon, en geen enkel organisme van een ander taxon

juist

21
New cards

21. Het 5-rijkensysteem van Whittaker is gebaseerd op 3 organisatieniveau's; het eukaryotisch meercellig en meerkernig niveau is samengesteld uit het rijk van de planten (Metaphyta) en het rijk van de dieren (Metazoa).

fout

22
New cards

22. Het 5-rijkensysteem van Whittaker omvat 3 organismeniveau's; het eukaryotisch meercellig en meerkernig bestaat uit het rijk van de planten, dieren en schimmels.

juist

23
New cards

23. Mitochondria en een Golgi-apparaat komen zowel voor bij de Prokaryota als bij de Eukaryota.

fout

24
New cards

24. Evolutie kan zich alleen voordoen als aan alle vereisten van de wet van Hardyen Weinberg is voldaan.

fout

25
New cards

25. Complexogen duiden op een verre fase van evolutie.

juist

26
New cards

26. Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de gametogenesis altijd maar 1 rijpe eicel.

fout

27
New cards

27. Uit 1 Oögonium ontstaat tijdens de oögenese maar 1 ovum, de gevormde poollichaampjes zijn het resultaat van asymmetrische cytokinese.

fout

28
New cards

28. Reptilia, Aves en Mammalia hebben een telolecithaal eitype.

fout

29
New cards

29. Piscis, Reptilia, Aves en Mammalia bezitten mesolecitale eitjes.

fout

30
New cards

30. Bij het centrolecitale eitype ligt het dooiermateriaal aan de animale pool

fout

31
New cards

31. Uit de primaire gonocyten ontstaan in de testes de spermatogoniën, waaruit na reductiedeling de spermatozoïden ontstaan.

fout

32
New cards

32. De spermiogenese is de transformatie van spermatocyten naar spermatozoa

fout

33
New cards

33. Een inwendige bevruchting wordt gekenmerkt door het feit dat het mannetje zijn spermatozoa rechtstreeks in het geslachtskanaal van de wijfjes brengt.

fout

34
New cards

34. De corticale korrels, die na het binnendringen van de spermatozoïde in de eicel hun inhoud uitstorten tussen de plasmamembraan en de vitelliene membraan van de eicel, bevatten o.a. enzymen die de vitelliene membraan ombouwen tot een fertilisatiemembraan

juist

35
New cards

35. Over de corticale reacties: de corticale korrels, die bij een bevruchting hun inhoud uitstorten tussen het plasmamembraan en het vitelliene membraan, bevatten onder meer enzymen die dat vitelliene membraan ombouwen tot een bevruchtingsmembraan

juist

36
New cards

36. Het klievingstype van een eicel wordt enkel bepaald door het type eicel (dus door de hoeveelheid en de plaats van de dooier).

fout

37
New cards

37. De verschillende types van klieving van een zygote zijn alleen afhankelijk van de ligging van de dooier.

fout

38
New cards

38. Door voortdurende delingen van de zygote ontstaat de morula, een celklompje met binnenin de klievingholte of blastoceel.

fout

39
New cards

39. Bij een meroblastische klieving wordt de buitenste laag van het ei volledig in de delingen betrokken.

fout

40
New cards

40. Centrolecitale eieren van bijvoorbeeld vogels ondergaan een meroblastische discoïdale klieving.

fout

41
New cards

41. Het zenuwstelsel en het spierstelsel ontstaan uit het ectoderm

fout

42
New cards

42. Epidermis, zenuwstelsel en bloedvatenstelsel ontstaan uit het mesoderm

fout

43
New cards

43. Het zenuwstelsel is van endodermale oorsprong

fout

44
New cards

44. In epitheelweefsel vindt men geen bloed- of lymfevaten terug, de voeding komt uit het bindweefsel via het basaalmembraan

juist

45
New cards

45. Eénlagig plaat- of plaveiselepitheel is een dekepitheel dat een grote doorlaatbaarheid voor gassen en vloeistoffen bezit; het komt o.a. voor in longblaasjes

juist

46
New cards

46. Onze epidermis is een verhoornd meerlagig plaatepitheel, afkomstig van ectoderm

juist

47
New cards

47. Bij apocriene kliercellen wordt het secreet uit de cel gestoten via exocytose

fout

48
New cards

48. Merocriene kliercellen geven hun secreet af via exocytose

juist

49
New cards

49. Losmazig en dicht bindweefsel bevatten steeds collageenvezels

juist

50
New cards

50. Bij endesmale beenvorming ontstaat het beenweefsel rechtstreeks uit het embryonaal bindweefsel.

juist

51
New cards

51. Bij compact lamellair been liggen de lamellen voor het grootste gedeelte rond de kanalen van Havers; deze laatste zijn gevuld met rood beenmerg

fout

52
New cards

52. Spongieus lamellair been in de holtes van osteonen wordt opgevuld door rood beenmerg

fout

53
New cards

53. Spierweefsel bestaat uitsluitend uit spiervezels; laatste worden gekenmerkt door de aanwezigheid van myofibrillen, die zorgen voor de contractie

fout

54
New cards

54. De spiercellen van skeletspierweefsel zijn syncytia

juist

55
New cards

55. Een syncitium is een secundair meerkernige cel, gevormd door versmelting van verschillende eenkernige cellen.

juist

56
New cards

56. Bij samentrekking van de spieren verkorten vooral de sarcomeren

juist

57
New cards

57. De contractiele eiwitten actine en myosine komen zowel in amoeben als in zoogdieren voor

juist

58
New cards

58. Spierfilamenten verkorten bij contractie

fout

59
New cards

59. Bij spiercontractie verkorten vooral de actinefilamenten

fout

60
New cards

60. Over spiercontractie: door binding van Ca2+ (afkomstig van sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, verandert de positie van de tropomyosinemoleculen en komen er bindingsplaatsen vrij op actinefilamenten waarop de koppen van de myosinemoleculen zich kunnen binden.

juist

61
New cards

61. De spiercontractie gebeurt door binding van Ca2+ (van het sarcoplasmatisch reticulum) op de troponinemoleculen, waardoor de positie van de tropomyosine verandert en de bindingsplaatsen voor de koppen van de myosinemoleculen vrijkomen

juist

62
New cards

62. Bloed bestaat voor ongeveer 45% uit gefigureerde elementen en voor 55% uit water.

fout

63
New cards

63. Bloed bestaat voor 90% uit water.

fout

64
New cards

64. Bij zoogdieren worden de erytrocyten gevormd in het rode beenmerg van platte en lange beenderen.

juist

65
New cards

65. Erytrocyten van zoogdieren worden gevormd in het rode beenmerg in de lange en platte beenderen. Deze cellen hebben geen kern.

juist

66
New cards

66. Thromobocyten bevatten thromoboplastine, een stof die zorgt voor de omzetting van prothrombine tot thrombine; thrombine speelt een rol bij de omzetting van fibrinogeen tot fibrine.

juist

67
New cards

67. Elk neuron heeft slechts 1 axon

juist

68
New cards

68. De Schwancellen in het centraal zenuwstelsel zijn niet gemyeliniseerd.

fout

69
New cards

69. Oligondrocyten (een type neurogliacellen) vormen cellulaire uitlopers die een myelineschede kunnen leggen rond nabijgelegen axonen in het centraal zenuwstelsel

juist

70
New cards

70. Bij een bipolair neuron draagt het perikaryon één dendriet en één axon. Deze neuronvorm komt vooral voor bij zintuigen.

juist

71
New cards

71. Over de zenuwimpuls: de actiepotentiaal wordt beschouwd door opening van voltagegevoelige K kanalen, waardoor K+-ionen de zenuwcel binnenkomen en de membraan potentiaal minder negatief maken (depolarisatie van de membraan).

fout

72
New cards

72. Zenuwimpuls: actiepotentiaal wordt opgebouwd door opening van voltagegevoelige K+kanalen in het plasmamembraan, waarop K+-ionen de cel instromen en de membraanpotentiaal minder negatief maken. Dit is de depolarisatie van het membraan.

fout

73
New cards

73. Het vrijstellen van neurotransmitters uit synaptische vesikels in de synaptische spleet gebeurt onder invloed van Ca2+-ionen

juist

74
New cards

74. De Deuterostomia zijn de Metazoa waarbij de uiteindelijke mond niet uit blastoporus ontstaat

juist

75
New cards

75. Bij de Epineurii bevindt het centraal zenuwstelsel zich helemaal boven het spijsverteringsstelsel.

juist

76
New cards

76. Bij een acoelomaat organisme is het mesoderm altijd afwezig.

fout

77
New cards

77. Bij schizocoelomaten, zoals de Annelida en de Arthropoda, ontstaat het mesoderm als uitgroeiing (outpockets) van de endoderm.

fout

78
New cards

78. Bij de Enterocoelomata ontstaat het mesoderm als uitgroeiingen ('outpockets') van het endoderm.

juist

79
New cards

79. Stelling over de holozoïsche en saprozoïsche voeding (duid maar gewoon juist aan)

juist

80
New cards

80. Holozoïsch heterotrofe ééncelligen voeden zich via fagocytose

juist

81
New cards

81. De belangrijkste functie van de contractiele vacuolen bij Protozoa is het verwijderen van osmotisch binnengedrongen water

juist

82
New cards

82. Flagellumstructuur: ter hoogte van de blefaroplast komen 9x3 periferische en 2 axiale microtubuli voor.

fout

83
New cards

83. Bij ongeslachtelijke voortplanting door tweedeling bij protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.

fout

84
New cards

84. Bij aseksuele voortplanting van de Protozoa gebeurt de deling steeds transversaal.

fout

85
New cards

85. De protozoa delen zich enkel transversaal.

fout

86
New cards

86. Bij schizogenie wordt een deling van de kern direct gevolgd door een deling van het cytoplasma

fout

87
New cards

87. Bij schizogenie deelt de cel zich na elke kerndeling

fout

88
New cards

88. Bij isogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen mannelijke en vrouwelijke gameten.

fout

89
New cards

89. Bij geslachtelijke voortplanting door isogamie zijn de gameten morfologisch en fysiologisch niet van elkaar te onderscheiden

fout

90
New cards

90. Bij anisogamie is er slechts een beperkt morfologisch verschil tussen de 'mannelijke' en de 'vrouwelijke' gameten; beide gameten zijn beweeglijk

fout

91
New cards

91. Bij haplonten gebeurt de reductiedeling voor zygotevorming

fout

92
New cards

92. Bij diplonten treedt de reductiedeling kort voor de zygotevorming op

juist

93
New cards

93. Bij een diplobionte ééncellige gaat de reductiedeling onmiddellijk de bevruchting vooraf; de meiose is dus zygotisch

fout

94
New cards

94. Ciliophora zijn diplobionten gedurende het grootste deel van hun leven; de reductiedeling treedt kort voor de zygotevorming op

juist

95
New cards

95. Volvox aureus is protandrisch hermafrodiet

juist

96
New cards

96. Doordat alle Euglenida zich uitsluitend autotroof voeden, worden ze gerangschikt bij de Fytoflagellata.

fout

97
New cards

97. Paraglycogeen is een reservestof die uitsluitend bij de Euglenida voorkomt

juist

98
New cards

98. Bij promastigote Crithidia ligt de blefaroplast voor de kern

fout

99
New cards

99. Bij de Leptomonas-vorm of promastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern

fout

100
New cards

100. Bij Crithidia-vorm of epimastigote vorm van de Kinetoplastida bevindt de blefaroplast zich net voor de kern

juist