1/15
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
luchtvochtigheid
lucht in troposfeer = vevat # waterdamp ( uitgedrukt in g/m³ )
= absolute luchtvochtigheid = Vabs
hoe + temp, hoe + luchtvochtigheid (=/= dat er minder regen is maar gewoon dat het langer duurt vooraleer neerslag )
Vrel = hoeveel waterdamp er in de lucht zit vergeleken met heoveel erin zou kunnen zitten => Vrel = ( Vabs/maximale hoeveelheid ) * 100
bij heel koud weer kan de lucht maar een kleine heoveelheid waterdamp bevatten vooraleer er neerslag plaatsvind ( = wanneer Vrel 100% is )
Vmax = de maximale hoeveelheid waterdamp die lucht kan bevatten vooraleer er neerslag plaatsvind afh. van temperatuur (= voordat verzadigt is natuurlijk )
condensatie van waterdamp
lucht waarin Vmax bereikt is w. verzadigd genoemd ( Vrel is dan 100% )
indien temp. zou dalen w. deel van waterdamp gecondenseert ( kan ook gebeuren doordat er extra waterdamp aan lucht w. toegevoegd ( bv.: door verdamping van oppervlaktewater ) ) => waterdruppels
indien temp; lager dan 0°C => waterdamp verrijpen en ijskristallen w. gevormd => wolken of mist dicht bij aardoppervlak
verschillende agregatietoestanden
ijs naar water : bevriezen ( warmte komt vrij ) en smelten (
water naar damp : condenseren ( wwarmte komt vrij ) en verdampen
damp naar ijs = verrijpen ( warmte komt vrij )
ijs naar damp = sublimeren
dalende en stijgende luchtbeweging
bij stijgende lucht ezt lucht uit waardoor ze afkoelt ( koude lucht kan minder waterdamp bevatten )
=> Vmax daalt en Vrel stijgt => lucht sneller verzadigd
daardoor ontstaat : condensatie, wolken, regen
gebeurt vaak bij weerfronten/lagedrukgeieden en langs bergen ( lucht stijgt en koelt af en vormt dan wolken en regen etc. )
ook aanvoer koude lucht of warmteverlies door uistraling vanuit het aardoppervlak kan temperatuur doen dalen en condenseren
dalende lucht => lucht word samengedukt en temperatuur stijgt
kan meer waterdamp bevatten => Vmax stijgt en Vrel daalt => lucht w. onverzadigd => wolken verdwijnenen en lucht w. droger
condensatiekernen
= kleine stofdeeltjes ( superklein = 1um (=micrometer) )
waterdamp condenseert moeilijk zomaar “in het niets”
=> waterdamp plakt eerst aan zo klein korretje en daarna begint het daarmee een waterdruppel/ijskristal te vormen
komen in atmosfeer door vulkaanuitbarstingen, bosbranden, uitstoot industire en andere menselijke activiteiten etc.
wolkentypes
bestaan uit waterdruppels en of ijskristallen, gevormd door condensatie of verrijping van waterdamp
basisindeling gebaseerd op uitzicht :
cumuluswolken verticale ontwikkeling en hebben randen
stratuswolken horizontaal uitgesmeerd
ook onderscheden obv hoogte
hoge wolken ( +5000m ) = “cirro'“ => altijd uit ijskristallen
middelhoge wolken ( tussen 2000-7000m ) = “alto'“
lage wolken ( kleiner 200 ) geen voorvoegsel; vooral waterdruppels tenzij koud weer
zeer dunne hoge wolken = cirrus zonder cumulus of stratus )
indien neerslag uit wolk = nimbo als voorvoegsel bij stratus en nimbus bij achtervoegsel cumulus
columonimussoms gepaard met ondweer (donder, bliksem, mogelijk hagel, hevige windstoten )
neerslagvormen
er valt niiet uit eleke wolk neerslag ; pas wanneer druppels amenvloeien of ijskristallen vergroten en ze dus voldoende groot ( en zwaar ) w. om te vallen
gematigde gebieden => neerslag start in trpoosfeer ( soms met vallen sneeuw zelfs in zomer )
=>temperatuur onderkant van troposfeer bpeaalt welke neerslag aardoppervlak bereikt
2 vormen neerslag bekend : regen ( = gesmolten sneeuwvlokken bij vallen ) ) en sneeuw ( bestaat uit ijskristalen )
aanvriezende regen en ijsregen
naast ook andere neerslagvormen zoals aanvriezende regen en ijsregen
ontstaan indien temperatuur <0°C ( neerslag onderweg wel luchtlaag gepaseerd warmer dan 0°C )
=> temperatuurinversie , onderste luchtlaag stijgt temperatuur met de hoogte, sneeuwvlokken smelten in de warmere tussenlaag
ijsregen is regendruppen in onderste laag onder warmere tussenlaag weer bevrokren => ijskorrel gevormd
bij aanvriezende regen raakt neerslag aardoppervlakt in vloeibare toestand maar daarna wel bevriezen => = ijzel
neerslag bij fronten
meeste weeerkaarten rode, blauwe en paarse lijnen ( vaak in buurt lagedrukkern ) , lijnen = fronten
ontstaan daarvan :
tussen 40°N en 65°N koude lucht uit noorden met warme lucht uit de subtropen ( beide luchtsoorten mengen zich niet )
grensvlak tussen beide luchtsoorten w. een vfront genoemd =>in deze gebieden vaak (+) naast elkaar => hele zone = polaire frontzone
= continue veranderingen ( frontzone, fronten splisen, vloeien samen etc. )
wamre zijde aan front => warme lucht omhoog ( gedwongen door koude luchtmassa eronder ) => stijgende lucht koelt af => waterdamp in lucht gecondenseer ( en waterduppels gevormd ) front gekenmerkt door veel bewolking en vaak ook neerslag
drie soorten fronten
warmtefront : warme lucht uit zuiden richting koude lucht ( kuoude lucht weggeduwd door warme lucht => warme lucht langs front naar boven symbool = halve cirkel + rood ( rgeeft aan van welke richting beweegt )
koufront : koude lucht verdrijft warme, warme gedwongen stijgen, blauwe kleur en symbool driehoek
occlusiefront : warmtefrnt als gevolg van koufront ( beweegt sneller ) => warmtefront w. ingehaald en beide fronten smelten, parse kleur en afwisselend halve cirkels en driehoekjes
zie afbeelding boek p.163
extra informatie fronten
front = botsing tussen luchtmassas met verscihllende kenmerken die niet met elkaar mengen = grensvlak
bij wisselvallig weer voornamelijk
botsing koude en warme luchtmassa = storing ( zie afbeelding ppt )
front = veel wolken
verschillende luchtsoorten niet zommaar mengen, duideljijke overgang koude naar warme lucht
koufront is aggresiever ( warme lucht hoogte => meer wolke, meer neerslag, hevigere nerslag en soms onweer en hagel )
vaak boven atlantische oceaan en dan met westewind over west europa
frontale depressie ( niet )
= lagedrukgebieden waar 1/+ fronten vasthangen ( over atlantische oceaan anar europese vasteland )
verschillende stappen :
frontale depressie nadert streken en trket eerst warmtefront over , bewelking w. steeds lager, dikker en donkerder => start regen en vaak licht/matig
achter warmtefront tijdelijk droger & ± hoge tmeperaturen ( gebied = warme sector )
na warme sector koufront => matig/intense neerslag, temperatuur daalt bij doortocht vankoufront
koufront voorbij, klaart meestal op, bui wel nog mogelijk
hoe beinvloed luchtdrukgebieden het weer en klimaat - start
onze gebiedern grote weersveranderingen => verplaatsing luchtdrukgebieden en veranderingen windrichting
algemeen op aarde redelijk vast patroon ( gemiddelde ligging gebieden en windrichtingen beinvloed neerslagverdeling )
hoge en lage drukgebieden basis
luchtdruk gewicht van massa lucht op oppervlak in hPA ( gem. = 1013 hPa )
varierend en meestal tussen 950 en 1050, in kern van orkanen luchtdruk lager dan 900
meer dan 1013 hogedrukgebieden/maxima/anticyclonen, in hogedrukgebieden daalt lucht in lagedrukgebieden/minima/depressies is luchtdruk lager dan 1013 en stijgt lucht
gebieden lucht afkoelt => hogedurukgebied
gebied lucht opwarmt => lagedrukgebieden
delen van luchtdrukgebied waar hoogst/laagst = kern van hoge/lage druk ( aangeduid met H voor hoge en L voor lage )
tussen en rond luchtdrukkernen isobearen ( punten verbinden eenezlfde luchtdruk )
ontstaan gebieden door temperatuurverschillen ( stap 1 en 2 )
2 luchtkolommen zelfde breedte en hoogte, elk punt in kolom = luchtmolecule, massadichtheid bij beide (=), in deze fase geen druk en temperatuurverschil
temperatuur in kolom 2 toeneemt => luchtmolecule sneller ewegen ( deel naar hogere luchtlagen ) => luchtkolom zet uit en massadichtheid neemt
afkoeling bij 1ste kolom => molecule dichter op elkaar, luchtkolom krimpt => massadichtheid neemt toe (luchtdruk op aardoppervlak blijf (=)
=> 2de kolom nu wel grotere luchtdruk dan 1ste in de hoogte
ontstaan van hoge en lagedrukgebieden door temperatuurverschillen stap 3 en 4
door luchtdrukverschil => luchtmolecule 2de kol