aardrijkskunde_luchtdruk_deel 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/15

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:32 PM on 5/31/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

16 Terms

1
New cards

luchtvochtigheid

  • lucht in troposfeer = vevat # waterdamp ( uitgedrukt in g/m³ )

= absolute luchtvochtigheid = Vabs

  • hoe + temp, hoe + luchtvochtigheid (=/= dat er minder regen is maar gewoon dat het langer duurt vooraleer neerslag )

  • Vrel = hoeveel waterdamp er in de lucht zit vergeleken met heoveel erin zou kunnen zitten => Vrel = ( Vabs/maximale hoeveelheid ) * 100

  • bij heel koud weer kan de lucht maar een kleine heoveelheid waterdamp bevatten vooraleer er neerslag plaatsvind ( = wanneer Vrel 100% is )

  • Vmax = de maximale hoeveelheid waterdamp die lucht kan bevatten vooraleer er neerslag plaatsvind afh. van temperatuur (= voordat verzadigt is natuurlijk )

2
New cards

condensatie van waterdamp

  • lucht waarin Vmax bereikt is w. verzadigd genoemd ( Vrel is dan 100% )

  • indien temp. zou dalen w. deel van waterdamp gecondenseert ( kan ook gebeuren doordat er extra waterdamp aan lucht w. toegevoegd ( bv.: door verdamping van oppervlaktewater ) ) => waterdruppels

  • indien temp; lager dan 0°C => waterdamp verrijpen en ijskristallen w. gevormd => wolken of mist dicht bij aardoppervlak

3
New cards

verschillende agregatietoestanden

ijs naar water : bevriezen ( warmte komt vrij ) en smelten (

water naar damp : condenseren ( wwarmte komt vrij ) en verdampen

damp naar ijs = verrijpen ( warmte komt vrij )

ijs naar damp = sublimeren

4
New cards

dalende en stijgende luchtbeweging

  • bij stijgende lucht ezt lucht uit waardoor ze afkoelt ( koude lucht kan minder waterdamp bevatten )

=> Vmax daalt en Vrel stijgt => lucht sneller verzadigd

daardoor ontstaat : condensatie, wolken, regen

  • gebeurt vaak bij weerfronten/lagedrukgeieden en langs bergen ( lucht stijgt en koelt af en vormt dan wolken en regen etc. )

  • ook aanvoer koude lucht of warmteverlies door uistraling vanuit het aardoppervlak kan temperatuur doen dalen en condenseren


  • dalende lucht => lucht word samengedukt en temperatuur stijgt

  • kan meer waterdamp bevatten => Vmax stijgt en Vrel daalt => lucht w. onverzadigd => wolken verdwijnenen en lucht w. droger

5
New cards

condensatiekernen

= kleine stofdeeltjes ( superklein = 1um (=micrometer) )

  • waterdamp condenseert moeilijk zomaar “in het niets”

=> waterdamp plakt eerst aan zo klein korretje en daarna begint het daarmee een waterdruppel/ijskristal te vormen

  • komen in atmosfeer door vulkaanuitbarstingen, bosbranden, uitstoot industire en andere menselijke activiteiten etc.

6
New cards

wolkentypes

  • bestaan uit waterdruppels en of ijskristallen, gevormd door condensatie of verrijping van waterdamp

  • basisindeling gebaseerd op uitzicht :

  1. cumuluswolken verticale ontwikkeling en hebben randen

  2. stratuswolken horizontaal uitgesmeerd

  • ook onderscheden obv hoogte

  1. hoge wolken ( +5000m ) = “cirro'“ => altijd uit ijskristallen

  2. middelhoge wolken ( tussen 2000-7000m ) = “alto'“

  3. lage wolken ( kleiner 200 ) geen voorvoegsel; vooral waterdruppels tenzij koud weer

  1. zeer dunne hoge wolken = cirrus zonder cumulus of stratus )

  2. indien neerslag uit wolk = nimbo als voorvoegsel bij stratus en nimbus bij achtervoegsel cumulus

  3. columonimussoms gepaard met ondweer (donder, bliksem, mogelijk hagel, hevige windstoten )

7
New cards

neerslagvormen

  • er valt niiet uit eleke wolk neerslag ; pas wanneer druppels amenvloeien of ijskristallen vergroten en ze dus voldoende groot ( en zwaar ) w. om te vallen

  • gematigde gebieden => neerslag start in trpoosfeer ( soms met vallen sneeuw zelfs in zomer )

=>temperatuur onderkant van troposfeer bpeaalt welke neerslag aardoppervlak bereikt

  • 2 vormen neerslag bekend : regen ( = gesmolten sneeuwvlokken bij vallen ) ) en sneeuw ( bestaat uit ijskristalen )

8
New cards

aanvriezende regen en ijsregen

  • naast ook andere neerslagvormen zoals aanvriezende regen en ijsregen

  • ontstaan indien temperatuur <0°C ( neerslag onderweg wel luchtlaag gepaseerd warmer dan 0°C )

=> temperatuurinversie , onderste luchtlaag stijgt temperatuur met de hoogte, sneeuwvlokken smelten in de warmere tussenlaag

  • ijsregen is regendruppen in onderste laag onder warmere tussenlaag weer bevrokren => ijskorrel gevormd

  • bij aanvriezende regen raakt neerslag aardoppervlakt in vloeibare toestand maar daarna wel bevriezen => = ijzel

9
New cards

neerslag bij fronten

  • meeste weeerkaarten rode, blauwe en paarse lijnen ( vaak in buurt lagedrukkern ) , lijnen = fronten

ontstaan daarvan :

  • tussen 40°N en 65°N koude lucht uit noorden met warme lucht uit de subtropen ( beide luchtsoorten mengen zich niet )

  • grensvlak tussen beide luchtsoorten w. een vfront genoemd =>in deze gebieden vaak (+) naast elkaar => hele zone = polaire frontzone

= continue veranderingen ( frontzone, fronten splisen, vloeien samen etc. )

  • wamre zijde aan front => warme lucht omhoog ( gedwongen door koude luchtmassa eronder ) => stijgende lucht koelt af => waterdamp in lucht gecondenseer ( en waterduppels gevormd ) front gekenmerkt door veel bewolking en vaak ook neerslag

10
New cards

drie soorten fronten

  1. warmtefront : warme lucht uit zuiden richting koude lucht ( kuoude lucht weggeduwd door warme lucht => warme lucht langs front naar boven symbool = halve cirkel + rood ( rgeeft aan van welke richting beweegt )

  2. koufront : koude lucht verdrijft warme, warme gedwongen stijgen, blauwe kleur en symbool driehoek

  3. occlusiefront : warmtefrnt als gevolg van koufront ( beweegt sneller ) => warmtefront w. ingehaald en beide fronten smelten, parse kleur en afwisselend halve cirkels en driehoekjes

zie afbeelding boek p.163

11
New cards

extra informatie fronten

front = botsing tussen luchtmassas met verscihllende kenmerken die niet met elkaar mengen = grensvlak

  • bij wisselvallig weer voornamelijk

  • botsing koude en warme luchtmassa = storing ( zie afbeelding ppt )

  • front = veel wolken

  • verschillende luchtsoorten niet zommaar mengen, duideljijke overgang koude naar warme lucht

  • koufront is aggresiever ( warme lucht hoogte => meer wolke, meer neerslag, hevigere nerslag en soms onweer en hagel )

  • vaak boven atlantische oceaan en dan met westewind over west europa

12
New cards

frontale depressie ( niet )

  • = lagedrukgebieden waar 1/+ fronten vasthangen ( over atlantische oceaan anar europese vasteland )

verschillende stappen :

  1. frontale depressie nadert streken en trket eerst warmtefront over , bewelking w. steeds lager, dikker en donkerder => start regen en vaak licht/matig

  2. achter warmtefront tijdelijk droger & ± hoge tmeperaturen ( gebied = warme sector )

  3. na warme sector koufront => matig/intense neerslag, temperatuur daalt bij doortocht vankoufront

  4. koufront voorbij, klaart meestal op, bui wel nog mogelijk

13
New cards

hoe beinvloed luchtdrukgebieden het weer en klimaat - start

  • onze gebiedern grote weersveranderingen => verplaatsing luchtdrukgebieden en veranderingen windrichting

  • algemeen op aarde redelijk vast patroon ( gemiddelde ligging gebieden en windrichtingen beinvloed neerslagverdeling )

14
New cards

hoge en lage drukgebieden basis

  • luchtdruk gewicht van massa lucht op oppervlak in hPA ( gem. = 1013 hPa )

  • varierend en meestal tussen 950 en 1050, in kern van orkanen luchtdruk lager dan 900

  • meer dan 1013 hogedrukgebieden/maxima/anticyclonen, in hogedrukgebieden daalt lucht in lagedrukgebieden/minima/depressies is luchtdruk lager dan 1013 en stijgt lucht

  • gebieden lucht afkoelt => hogedurukgebied

  • gebied lucht opwarmt => lagedrukgebieden

  • delen van luchtdrukgebied waar hoogst/laagst = kern van hoge/lage druk ( aangeduid met H voor hoge en L voor lage )

  • tussen en rond luchtdrukkernen isobearen ( punten verbinden eenezlfde luchtdruk )

15
New cards

ontstaan gebieden door temperatuurverschillen ( stap 1 en 2 )

  1. 2 luchtkolommen zelfde breedte en hoogte, elk punt in kolom = luchtmolecule, massadichtheid bij beide (=), in deze fase geen druk en temperatuurverschil

  2. temperatuur in kolom 2 toeneemt => luchtmolecule sneller ewegen ( deel naar hogere luchtlagen ) => luchtkolom zet uit en massadichtheid neemt

afkoeling bij 1ste kolom => molecule dichter op elkaar, luchtkolom krimpt => massadichtheid neemt toe (luchtdruk op aardoppervlak blijf (=)

=> 2de kolom nu wel grotere luchtdruk dan 1ste in de hoogte

16
New cards

ontstaan van hoge en lagedrukgebieden door temperatuurverschillen stap 3 en 4

  1. door luchtdrukverschil => luchtmolecule 2de kol