1/56
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
celcyclus
de georganiseerde manier waarop de cel groeit en daarna deelt. Opgedeeld in een delingsfase (mitose en cytokinese) en interfase (celgroei - DNA-synthese en replicatie - celgroei)
M-fase
=Celdeling: verdeling over 2 cellen
Mitose: hier gebeurd deling van de celkern en het DNA
Cytokinese: opslplitsing cytoplasma over 2 dochtercellen
G1-fase
= celgroei
De cel groeit, kopiert organellen, maakt bouwstenen volgende fases
Meer transcriptie en translatie DNA dan normaal
G0-fase
cel kan hierin afsplitsen tijdens G1 en celcyclus verlaten
zit in rust, zal niet verder delen
bv. spiercellen
S-fase
= DNA-synthese en replicatie
Cel synthetiseert een kopie van het DNA (= replicatie)
G2-fase
= celgroei
de cel groeit verder, maakt eiwitten en organellen
reorganisatie vna de inhoud als voorbereiding voor de mitose
DNA-helicase
breekt waterstofbruggen tussen basenparen ter hoogte van grote A-T concentratie (maar 2 waterstofbruggen dus makkelijker te breken)
vormt replicatievork en schuift op terwijl de 2 strengen aangevuld worden met basenparen adhv andere eiwitten
semi-conservatief betekenis
dubbele streng wordt gebroken en elke streng wordt gebruikt als voorbeeld om aan te vullen met nieuwe complementaire basen. Dit betekent dat de nieuwe dubbele strengen die ontstaan telkens bestaan uit 1 oude en 1 nieuwe streng en ze dus ‘semi-conservatief’ zijn
bidirectioneel verloop helicase
streng wordt in 2 richtingen tegelijk gesplitst waardoor replicatielus ontstaat. er ontstaan ook verschillende lussen tegelijk zodat heel het proces op veel verschillende plekken tegelijk verloopt en zo sneller gaat
replicatievork
y-vormige uiteinde van een replicatielus, hier splitst de helicase en vertrekt heel het proces
primase
aangezien DNA-polymerase enkel een bestaande streng kan verleggen heb je primase nodig
bindt een primer - kort stukje RNA, complementair aan basen - aan het 3’ uiteinde van de streng. van hier kan DNA -polymerase verder en dit vervangt ook het RNA-stukje door DNA
antiparallelle primers
de primers hebben een tegengestelde oriëntatie op de bovenste vs onderste lus aangezien ze altijd aan het 3’ beginnen. DNA-polymerase herkent het 3’ uiteinde van de primer als start
DNA-polymerase
repliceert het DNA
kan enkel strengen verlengen → herkent 3’ uiteinde van primer als start en verlengt DNA van hieruit zodat het van 5’ → 3’ gaat
snelle streng
leading strand
onderste streng → kan gewoon van 5’ → 3’ bouwen zonder te onderbreken
trage streng
lagging strand
moet van 3’ naar 5’ bouwen wat niet kan. Dit zorgt dat er hier discontinu verder gebouwd moet worden adhv okazaki fragmenten. De primase zet telkens een primer waarvan DNA-polymerase een klein stukje basen kan binden. Daarna kan er niet verder gegaan worden maar moet er een nieuwe primer gemaakt worden
DNA polymerase schuift erover en vervangt de eerdere primers door DNA
ligase
bindt alle individuele okazaki fragmenten aan elkaar als lijm
informatie op DNA
genetisch materiaal met instructies
celgroei
celfunctie
reacties op de omgeving
Histonen
gespecialiseerde eiwitten die DNA organiseren en structureren, DNA rolt zich hierrond op
bobijntje/octomeer
groepje van 8 + geladen histoen waar - geladen DNA omheen zit ggewikkeld
nucleosoom
complex van 2 DNA-windingen rond 8 histonen
chromatinevezel
het totale complex van DNA, histonen en extra eiwitten
11 nm breed, parelsnoervormig
euchromatine
niet gecompacteerde chromatinevezels
DNA is toegankelijk om te lezen en kopiëren
meest voorkomende staat tijdens groei en functioneren van de cel
heterochromatine
strak opgerold DNA als voorbereiding op celdeling
DNA niet toegankelijk om te lezen
H1-histonen
histonen die binden tussen nucleosomen om dna te compacteren en spiraliseren en zo klein mogelijk op e rollen
gecompacteerde chromatinevezel: 30 nm diameter
lusovmrig DNA - zeer sterk gecompacteerd (breedtes)
lus: 300 nm breed
nog verder: 700 nm
chromosoom
verst opgerolde staat van compactering
langwerpige deeltjes van 1400 nm breedte, erg kort
chromosoom opbouw
2 identieke zusterchromatiden (1 basis en 1 gekopiërde)
verbonden in het centromeer
uiteinden van de chromosomen: telomeren
korte armen: p-armen
lange armen: q-armen
telomeren
uiteinden van de chromosomen
bestaan uit kleine stukjes DNA dat meermaals herhaald is
bedoelt om de rest van het DNA te beschermen tegen verlies van nucleotiden tijdens de replicatie. Na elke replicatie stukje telomeer verloren
aangemaakt adhv het enzym telomerase
bv. stamcellen veel telomerase want delen veel
homologen
= chromosomenpaar
2 chromosomen met dezelfde grootte, vorm en gelijkaardige informatie op dezelfde plekken (bv. beide info over bloedgroep hoewel wat de info zegt kan verschillen)
1 van moeder 1 van vader
diploide cellen
gepaarde chromosomen, van elk 2
bevatten 46 chromosomen opgedeeld in 23 paren
2n
lichaamscellen
haploide cellen
ongepaarde chromosomen, van elk maar 1
bevat 23 chromosomen zonder paren
n
geslachtscellen
karyogram (namen - hoe gemaakt - doel - wat te zien)
= karyotype = chromosomenkaart
chromosomen van een delende cel worden gekleurd, gefotografeerd onder een lichtmicroscoop en gerangschikt. Autosome: groot → klein / 1→ 22. Heterosomen: rechtsonder nr. 23
gebruikt om afwijkingen in aantal of vorm van chromosomen op te sporen
autosomen
22 paar, geeft lichaamskenmerken
heterosomen
1 paar, geeft geslachtskenmerken
geslachtschromosomen
trisomie 21
3 chromosomen ipv 2 bij nr 21 → 47 chromosomen
syndroom van down, lichamelijke en mentale gevolgen
turner-syndroom
maar 1 heterosoom: X → 45 chromosomen
meisjes worden onvruchtbaar geboren
mitose (wat + fases)
delingsfase v/d celcyclus
DNA wordt opgesplitst (chromosomen ontstaan, zusterchromatiden worden opgesplitst en elk 1 helft komt bij nieuwe dochtercel)
profase (vroge profase - prometafase) → metafase → anafase → telofase
cytokinese (wat + wanneer)
opdeling van het cytoplasma over dochtercellen
begint tegelijk met anafase / telofase (afh van cel)
mitose: late G2-fase
DNA is verdubbeld, chromosomen zijn aan het vormen en bestaan uit 2 zusterchromatiden
centriolen zijn verdubbeld
celmembraan en nucleolus nog aanwezig
mitose - vroege profase
chromosomen compacteren
spoelfiguur gevormd uit microtubuli tussen het centriolenpaar, organisert en verschuift de chromosomen ijdens de mitosen
nucleus verdwijnt
signaal naar celkern om af te breken
prometafase (late profase)
gecompacteerd chromosoom klaar
kernmembraan verdwijnt, chromosomen vrij in cytoplasma
microtubulus grijpen de chromosomen en brengen in positie
kinetochore microtubulus
microtubuli die binden aan het kinetochoor en chromosomen in positie zullen brengen
kinetochoor
eiwitdeel op centromeer van elke zusterchromatide, hier zullen de kinetochore microtubuli hen vastgrijpen
polaire microtubulus
grijpen microtubuli van de ander epool vast om de spoelfiguur te stabiliseren. Groeien van de asterfiguur naar het midden en zullen later de cel uit elkaar trekken
asterfiguur
verankert aan het celmembraan. gevormd door microtubuli die tijdens de prometafase (late profase) naar de rand van de cel grijpen
metafase
cel neemt toe in volume
de chromosomen worden naar het evenaarsvlak gebracht adhv de kinetochore microtubuli
de kinetochoren van de zusterchromatiden zijn vastgehecht aan de microtubuli van de tegenegestelde spoelpool
spoelcontrolepunt
cel checkt of alle chromosomen op de juiste plek zitten en de kinetochoren correct gebonden zijn om het genetisch material correct te delen. anders wordt de deling stil gelegd tot proleem is opgelost
anafase
kinetochore microtubuli trekken 1 chromosoom vn het paar naar de pool zodat de zusterchromatiden doorbreken
eiwitverbindingen van de centromeer worden afgebroken
de polaire microtubuli verlengen en duwen zich van elkaar af zodat de cel langer en langer wordt en de centriolen steeds verder uit elkaar staan
telofase
cel is bijna klaar met delen
microtubuli en spoelfiguren verdwijnen, nieuwe celkernnen en kernmembraan worden gevormd
elke nieuwe celkern heeft een zusterchromatide
cytokinese dierencel
deling van het cytoplasma, start tijdens ana/telofase afhankelijk van soort cel
cel wordt dichtgeknepen zoals met een touw adhv een eiwitring van actine
klievingsplooi ontstaat in beide kanten en cel wordt ‘afgesnoerd’
cytokinese plantencel
celwand is te stijf om eiwitring te kunnen vormen
celplaat wordt gevormd vanuit het midden van de cel en vormt een nieuwe celwand die de oorpsronkelijke cel in 2 splitst
gameten
geslachtscellen, eicle en zaadcel
principe meiose
diploide cel 2n → 4 haploïde cellen n
meiose I
proces verloopt zoals mitose behalve:
Profase 1: corssing over
metafase 1: homologe paren komen op evenaarsvlak en worden uit elkaar gehaald ipv chromatiden
anafase 1: hele chomosomen worden naar pool gebracht
crossing over
tijdens profase 1
homologe chromosomen komen adhv synaptonemaal eiwitcomplex exact te overlappen
overeenkomstige delen liggen samen, meerdere crossings over vinden plaats → unieke chromosomen met unieke allelencombinaties
meiose 2
mitose voor haploïde cellen
profase 2: centriolenpaar verdubbeld, spoelfiguur gevormd en microtubuli nemen chromosoom
anders: compacteren dna en afbreken van kernmembraan is niet nodig
Metafase, anafase, telofase en cytokinese zelfde als bij mitos
restulaat na meiose II
4 haploide cellen met elk 1 chromatide
bv. 1 diploide cel 4 chromosomen → 4 haploide cellen elk 2 chromatiden met elk unieke combinatie genetisch materiaal
non-disjunctie
tijdens de anafase van meiose 2 kunnen er fouten optreden waardoor een ongelijk aantal genetsich materiaal in de dochtercellen terrecht komt - bv. trisomie 21