1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
RIASEC-model
Model van Holland om interesses te classificeren
R = realistisch/praktisch, voorkeur voor werken in de buitenlucht, technische beroepen.
I = analytisch, cijfermatig, dingen doorgronden.
A = artistieke veld, out of the box denken, weinig regels.
S = sociaal domein, werken met mensen.
O = ondernemen, actie georiënteerd.
C = regels toepassen, punctueel werken
Persoon-omgeving karakteristieken
Assessment interesses gericht op persoon én omgeving → persoon in omgeving zien
John Holland
Psycholoog die mensen in leidingsgevende posities plaatste, schreef ‘the psychology of vocational choice’ en heeft gepubliceerd in meerdere tijdschriften, ontwikkelde RIASEC-model
Basisassumpties
– Beroepskeuze is een expressie van de persoonlijkheid à stelt eerder de vraag hoe meten we de persoonlijkheid?
– Interessevragenlijsten zijn persoonlijkheidsvragenlijsten.
– Stereotypen over beroepen hebben een psychologische en sociologische betekenis à bestaan.
– Mensen met eenzelfde beroep hebben een gelijkend persoonlijkheidsprofiel en persoonlijkheidsontwikkeling.
– Gegeven hun gelijke profielen zullen dezelfde beroepsbeoefenaars relatief gelijkaardig reageren, problemen oplossen en situaties structureren à veel aandacht om vanuit verschillende disciplines iets te bewerkstelligen.
– Tevredenheid met het beroep, stabiliteit in de uitoefening en prestatie zijn functie van P(erson)-E(nvironment) match.
Werkassumpties
– Personen kunnen worden beschreven naar hun gelijkenis met zes theoretische menstypen: het Realistische, Intellectuele, Artistieke, Sociale, Ondernemende en Conventionele type.
– Hetzelfde geld voor omgevingen bijv. beroepen of opleidingen.
– Personen zoeken omgevingen die hen toelaten om uitdrukking te geven aan hun geprefereerde activiteiten, belangstellingen en waarden à eventueel omgeving manipuleren; omgevingen worden ook door de personen gemaakt à klopt voor een stuk, verschillen zijn te zien maar ook variabiliteit.
> Verschillen binnen een groep zijn doorgaans groter dan tussen een groep.
– (Criterium)gedrag (bijv. tevredenheid of prestatie) is de resultante van de interactie tussen persoon en omgeving.
Realistische menstype
= activiteiten waarin heel direct en manipulatief kan omgaan met dingen, goed technisch inzicht, handvaardig en gebruikmakende van lichaamskracht.
Werkomgeving → werken met machines, stimuleert en beloont mechanisch-technische en motorische vaardigheden.
Intellectuele menstype
= de hem omringende, natuurkundige, biologische en culturele verschijnselen via observatie en onderzoek te doorgrond en te beheersen, wetenschappelijke en mathematische vaardigheden.
Werkomgeving → onderzoekende werkzaamheden teneinde problemen op te lossen of kennis te vergaren. Stimuleert en beloont analytische, wetenschappelijke, technische en verbale vaardigheden.
Artistieke menstype
= heeft een voorkeur voor vrije, ongestructureerde activiteiten waarin hij zich op kunstmatige wijze kan uiten. Bezit artistieke vaardigheden.
Werkomgeving → creatieve bezigheden op gebied van literatuur, muziek en/of beeldende kunst, waarden die worden gestimuleerd zijn esthetiek, verbeelding en oorspronkelijkheid.
Sociale menstype
= houdt van werkzaamheden waarin hij met andere mensen kan omgaan, teneinde deze te informeren, onderwijzen, ontwikkelen, genezen, verzorgen of amuseren.
Werkomgeving → met mensen werken in helpende of dienstverlenende zin. Verlangt interpersoonlijke, communicatieve en contactuele vaardigheden.
Ondernemende menstype
= streeft organisatorische, politieke of economische doelen na. Geeft goed leiding en weet anderen van iets te overtuigen.
Werkomgeving → ook met mensen werken maar in commerciële, politieke of leidinggevende zin. Verlangt ook interpersoonlijke vaardigheden maar van overtuigende en gezaghebbende aard.
Conventionele menstype
= heeft voorkeur voor duidelijke, geordende werkzaamheden die een precieze en systematische aanpak vergen, bezit administratieve vaardigheden.
Werkomgeving → draait om handhaven en toepassen van regels en voorschriften, omgeving stimuleert en beloont administratieve vaardigheden en vereist vermogen om volgens strikte normen en standaarden te werken.
Selfdirected search
Jezelf ‘typeren’ in een lettercode, waarbij de eerste letter het type is waarmee grootste similariteit wordt vastgesteld.
Persoon via … of beroepskeuze onderzoek, omgeving via zelfbeoordeling, incumbent method, expert method of combinaties
Incumbent method
Methode om de omgeving te beoordelen binnen RIASEC raamwerk aan de hand van gemiddelden
Expert method
Methode om de omgeving te beoordelen binnen RIASEC raamwerk door mensen te bevragen die beroep uitvoeren om self-directe search op de omgeving in te vullen
O*NET
Occupational network, belangrijke bron om informatie over banen te krijgen (omgeving) inclusief RIASEC-lettercode. Bijv. klinisch psycholoog = ISA
SIMON
Model voor zelf-assessment van interesses en matching van opleiding → Studie- en Interesse MONitor → combinatie van incumbent en expert method
Hexagonaal model
RIASEC-beschrijvingen zijn prototypisch (= overstijgend); vergelijken met onderlinge verhoudingen:
Aan elkaar grenzende types.
Alternaterende types.
Oppositionele types.
Empirisch berekenen en kijken naar correlaties = hoe kleinere of zelfs negatieve correlatie, hoe groter de afstand

Consistentie
Tussen lettercode → hoe groter afstand tussen eerste letters in volgorde lettercode, hoe minder consistent → vooral focus op eerste twee letters (R en I) → kan wel verschillen in metrische afstand
Persoonstype = hoe consistenter, hoe stabiele de persoonlijkheid
Omgevingscode = hoe consistenter, hoe minder verscheiden de eigenschappen
→ doordat als iemand perfect consistent is, zullen de types die bij elkaar liggen meer correleren
Differentiatie
Er kunnen verschillende (metrische) afstanden zijn tussen typen; hoe meer uiteenlopend, hoe meer gedifferentieerd, hoe duidelijker het interessepatroon is.
→ index voor differentiatie interesseprofiel = Iachen index
Iachan index
Index waarmee de differentiatie van interesseprofielen wordt bepaald
Congruentie
Fit tussen de persoon en omgeving → streven naar goede match
Incongruent = omgeving heeft weinig aandacht voor de karakteristieken die persoon belangrijk vindt
Index om dit aan te duiden = Zener-Schnuelle index
Zener-Schnuelle index

Index waarbij wordt aangegeven hoe congruent de persoon-omgeving fit met scores van 0-6
Objectieve fit
Fit op basis van codes en regels
Subjectieve fit
Mening, gepersonaliseerd, bijv. of iemand denkt dat die past in xyz op basis van xyz → perspectief van individu
Supplementaire fit
Gelijke eigenschappen
Complementaire fit
Ongelijke eigenschappen, vullen elkaar aan
Commensurate measurement
Persoon en omgeving op dezelfde manier/kenmerken beoordelen
ASA-model
Toepassing van de P-O fit → homogeniteit binnen organisaties door trechtermodel:
× Attraction = organisatie aantrekkelijk maken waardoor bepaalde mensen erop afkomen.
× Selection = bepaalde procedures waardoor bepaalde mensen wegvallen.
× Attrition = langzame verdere uitdunning door negatieve evaluatie.
AS(TM)A model
Toevoeging aan ASA-model:
× Transformation = mensen veranderen ook; ontwikkelen (bijv. skills) in bepaalde richting in omgeving.
× Manipulation = mensen geven een eigen touch aan hun baan; meer den van x of minder doen van y, bijv. onderzoek.
Clustermodel
Alternatief model van Gati: hiërarchisch model waarbij typen binnen cluster sterker correleren dan typen die tot verschillende clusters behoren

Komt overeen met model Holland, maar ook verschillende orde-predicties (bepaalde predicties gemeenschappelijk, maar ook een aantal uniek voor Holland en een aantal uniek voor Gati → voorspellen niet hetzelfde verband)
→ winst model Holland
Model Prediger
Alternatieve formulering Holland model, voegt dimensies toe

Rounds en Tracey
Aangepast clustermodel, verdelen clusters anders

Female-male ratio
Problematisch, vooral in STEM
Beroepskeuze ZelfOnderzoek (BZO)
Onderzoek om de stabiliteit van interesses te onderzoeken, door te meten:
× Activiteiten (die men wel eens zou willen proberen).
× Beroepen (die men wel eens zou willen proberen).
× Vaardigheden/competenties (waarover men denkt te beschikken).
× Eigenschappen (die men denkt te hebben).
Gravitation hypothesis
Mensen zoeken naar omgeving die bij hun interesses passen
Stabiliteit
Differentiatie neemt af met leeftijd
Interesses redelijk stabiel, vooral sterke rangorde stabiliteit
Werk komt overeen met interesses
Realistisch type meest stabiel, ondernemend type minst
Kritiek Holland model
× Komt tijdens uitvoering belabberd uit.
× Hexagoon is geen geschikt model, want nooit perfect, congruentie niet geldig.
× Congruentie voor tevredenheid voorspelt niet.
× Zelfde model voor omgeving en persoon twijfelachtig; niet genoeg onderzocht op omgeving.
× Niet genoeg validiteit.
LOLA
Alternatief model afgestemd op loopbaan
× Goede verhouding tussen invultijd en welke gegevens je eruit krijgt.
× Sterk afgestemd op volwassen → zakelijk voor wat betreft toonzetting en gebruiksmogelijkheden.
× Minder ‘doorzichtig’ en meer selectief dan BZO/PPT.
× In theoretisch opzicht zo dicht mogelijk bij originele ideeën John Holland blijven.
× Invuller → gestimuleerd in zijn/haar exploratieproces → leuk om te doen.
× Voor gebruik volstrekte compatibiliteit met oude instrumentarium.
→ nieuwe labels domeinen PAKSOC

PAKSOC

× Realistisch → praktisch.
× Intellectueel → analytisch.
× Artistiek → kunstzinnig.
× Sociaal.
× Ondernemend.
× Conventioneel.
Praktisch
× Hands-on (met handen werken).
× Outdoor (graag in de natuur).
× Technics (machines en techniek).
Analytisch
× Physics/sciences (STEM en onderzoek).
× Theory (graag bijleren).
× ICT (programmeren).
Kunstzinnig
× Creativity (huis- tuin en keukencreativiteit).
× Art (interesse in kunst).
Sociaal
× Care (zorgen voor anderen).
× Education/instruction (werken met mensen vanuit instructie functie).
Ondernemend
× Leadership (leider zijn, verantwoordelijkheid hebben).
× Organising (werk naar zich toe trekken).
× Scoring (verkopen, commercieel, competitief).
× Status and power (politiek, entrepeneur, strategische element).
Conventioneel
× Structure (voorkeur voor regels).
× Business orientation (idee van kostenbewust zijn).
LIV
Vragenlijst waarmee de domeinen van interesses worden vergeleken met specifieke eigenschappen/persoonlijkheidsdomeinen
Change indicator
Geeft aan of iemand het gevoel heeft dat er iets moet veranderen
Oppervlakkige (fleeting) interesses
Niet zo’n grote bereidheid om bepaalde interesses uit te voeren, alleen als het uitkomt/leuk is
Verankerde (anchored) interesses
Grote bereidheid om bepaalde interesses uit te voeren, bijv. ook in de tuin werken als het regent