1/47
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
bedrijngingen voor edolecten
verslavingen worden vaste gelgeld in het adolescent gedrag→ en evolueren naar ernstige verslavingen
evoulutie Cannabis
− Meer gebruik in TSO en BSO in vergelijking met ASO
− Zelfs bij licht gebruik van cannabis meer kans op overstappen gevaarlijkere
verslavende middelen
− Vroege startlft cannabis: verhoogd risico op psychische stoornissen,
verslaving, het gebruik van harddrugs, en mogelijks op cognitieve stoornissen
Andere illegale drugs en lachgas:
Zeer zelden gebruik op regelmatige basis
Verslaving:
Biologische verslaving: het lichaam raakt zo gewend aan de aanwezigheid
van de actieve stoffen dat het niet meer in staat is om zonder te
functioneren
Psychische verslaving: zonder drugs is men steeds minder goed
opgewassen tegen de dagelijkse stress in hun leven
• Signalen drugs: stemmingswisselingen, prestaties worden minder en het
leven draait meer rond drugs
alchol
• Daling ooit gebruik van alcohol in SO over laatste tien jaar
• Wekelijks bingedrinken: : 1,0% bij -16-jarigen, 11,8% bij 16-18 jarigen
• Indrinken bij uitgaande jongeren in Vlaanderen = toegenomen 29
hoe vroeger de leeftijd op eerste glass à hoe meer verslavingskans
Risico’s van bingedrinken
− Overlast
− Irrationeel gedrag (het begaan van stommiteiten)
− Agressie of verbaal geweld
− Alcoholvergiftiging
− Het verlies van bewustzijn
− Hartstilstand
• Drinken met mate: ook risico’s?
− Invloed op de hersenen: minder goed kunnen maken van keuzes en beheersen van impulsen
− Permanente beschadiging: begrijpen visuele info (meisjes) en volgehouden aandacht (jongens)
TABAK: DE GEVAREN VAN ROKEN
• Algemene daling over de jaren heen
• Meer rokers in BSO
• Jongens roken meer dan meisjes
• Sociale sancties
• Nieuwe trend: e-sigaretten (vapen)
o Nicotine kan de hersenen van adolescenten beschadigen
o Verontreinigende stoffen kunnen leiden tot ernstige shade gezondheid
o Hoge nictonegehaalte is erg verslavend
o Verkoop is verboden onder de 18 jaar
Redenen gebruik alcohol, drugs en tabak
− Volwassen/status
− Machogedrag
− Ontsnappingsmechanisme
− Stresshantering
− Vals consensuseffect
− Plezier
− Experimenteren = spannend
− Imitatie
• Rolmodellen
• Peer pressure
FORMEEL-OPERATIONEEL STADIUM
(11 jaar en ouder)
− Beperking concreet-operationeel stadium opgelost
− Kenmerken
• Denken
» Verder dan de concrete situatie
» Abstract
• Hypothetisch-deductief redeneren
• Propositioneel denken
Hypothetisch-deductief redeneren
= starten met een algemene theorie over alle mogelijke factoren die van invloed kunnen zijn op een gebeurtenis. Vanuit deze theorienspecifieke hypotheses/voorspellingen opstellen over wat er zou
kunnen gebeuren. Tot slot op een systematische manier de voorspellingen nagaan.
Propositioneel denken
= gebruik van abstracte logica in de afwezigheid van concrete voorbeelden.
ontwikkeling FORMEEL-OPERATIONEEL STADIUM
− Tot stand komen door fysieke maturatie en omgevingservaring
− Volledig formeel-operationeel denken vanaf 15j
− Maar
• Makkelijker in situaties waarmee we ervaring hebben
• Cultuur
• Niet altijd gebruik van maken (cognitief economisch), bv. heuristieken
De effecten van formele operaties op het denken van adolescenten
− Kritischer en gevoelig voor ‘tekortkomingen’ ander
− Capaciteit om te denken over mogelijkheden (versus realiteit) idealisme
− Discussiëren om te discussiëren
Kenmerken verdere progressie van congtieve ontwikkeling van adolecenten
− Geheugencapaciteit +
− Aandacht beter verdelen (vb. studeren met muziek)
− Abstract – hypothetisch denken
− Kennis+
− Strategieën
Metacognitieve kennis
= kennis over het cognitief functioneren van mensen in het algemeen en van zichzelf in het bijzonder
Metacognitieve vaardigheden
= zelfregulatiestrategieën die betrekking hebben op het plannen, op- de-voet-volgen, bijsturen en controleren van de eigen cognitieve processen
Adolescenten: empathie/inlevingsvermogen
− Toch: egocentrisme
Gevolgen:
(a) Kritische houding
(b) Geen kritiek verdragen
(c) Snel commentaar
− 2 specifieke uitingsvormen
(1) Imaginair publiek
(2) Persoonlijke fabel
Imaginair publiek
− Fictieve toeschouwers
− Alle blikken zijn gericht op de adolescent
Persoonlijke fabel
− Ik ben uniek
− Gevolg:
• Onbegrip – eenzaamheid
• Gevoel van onsterfelijkheid, onkwetsbaarheid
KOHLBERGS THEORIE VAN MORELE ONTWIKKELING
Moraliteit is een systeem van overtuigingen, waarden en onderliggende
beoordelingen over goed en kwaad
• Kohlberg
− Morele dilemma’s, bv. Heinz dilemma
− = verhaal met conflict tussen twee of meer morele waarden
(bv. ‘rechtvaardigheid’ versus ‘recht op leven’)
− Wat moet hoofdpersonage doen + waarom?
persiode 1 van KOHLBERGS
− Preconventionele moraal: = onveranderlijke regels, gebaseerd op belonen en straffen
Stadium 1, Gehoorzaamheid om straf te vermijden,
stadium 2 Conformistisch gedrag om beloning te krijgen = naïef hedonisme
perdiode 2 van KOHLBERGS
Conventionele moraal
= morele problemen benaderen op basis van eigen positie als goede,
verantwoordelijke leden van maatschappij
− Stadium 3:
• Conformistisch gedrag om afkeuring te vermijden; nette-jongen-mentaliteit
» Regels volgen om afkeuring te vermijden – aardig gevonden te worden
• Anticipatie op afkeuring van anderen
• Normen en waarden van ouders, familie, leerkracht,… bepalen goed gedrag
− Stadium 4:
• Regels van grotere systemen naleven
• Conformistisch gedrag om straf van de samenleving te vermijden
• Nadruk op respecteren van autoriteit en naleven van sociale orde
• Anticipatie op schuld en schande
periode 3 van KOHLBERGS
Postconventionele moraal
− Stadium 5:
• Houden aan wetten van samenleving, maar: wetten/normen kunnen worden
herzien indien ze indruisen tegen algemeen belang of verouderd zijn
• Onderscheid tussen ‘goed’ volgens de regels en ‘goed’ volgens morele
normen
= persoonlijke keuze en universele waarden die de regels van de
specifieke maatschappij waarin ze leven overstijgen
− Stadium 6:
• Nadruk op individuele principes en geweten
• Wetten die niet conform de eigen ethische principes zijn, worden niet
gehoorzaamd. Het eigen morele kompas primeert.
VERDER LEREN
Einde leerplicht = 18 jaar
• 18-21 jarigen:
− 2 subgroepen: werkende en studerende jongeren
− Steeds meer jongeren die verder studeren
• 46,7% van de mensen ouder dan 25 in België bezit een diploma hogern onderwijs
• Geslacht: Vrouwen halen een significant beter studierendement dan mannen
• Genderspecificiteit in beroepskeuzes
Ginzberg: → 3 perioden in het beroepskeuzeproces
Fantasieperiode (tot 11 jaar)
• Periode waarin kinderen beroepskeuzesmaken en verwerpen zonder rekening te houden met
vaardigheden, capaciteiten en beschikbaarheid van banen
Tentatieve periode (adolescentie)
• Periode waarin adolescenten op een pragmatische manier beginnen na te denken over de eisen van verschillende beroepen enover de vraag of hun eigen capaciteiten daarop aansluiten
Realistische periode (vroege volwassenheid)
• Periode waarin jongvolwassenen zich verdiepen in specifieke carrièreopties door ervaring op te
doen met bepaalde beroepen of door een bepaalde opleiding te volgen
DE ZES PERSOONLIJKHEIDSTYPEN VAN HOLLAND
• Realistisch
− Nuchtere, praktische probleemoplossers, fysiek sterk, minder sociale
vaardigheden
• Intellectueel / Investigatief
− Voorkeur voor het theoretische en abstracte, minder sociale vaardigheden
• Artistiek
− Voorkeur voor creatieve uitingen
• Sociaal
− Goede verbale vaardigheden en interpersoonlijke vaardigheden
• Ondernemend
− Voortvarend, voorkeur voor risico’s, goede leiders
• Conventioneel
− Voorkeur voor uiterst gestructureerde taken
Cognitieve ontwikkeling adolencentie
begrip van abstracte zaken
• Eigen plek verwerven in de maatschappij
• Een beeld vormen van zichzelf als individu
Lichamelijke ontwikkeling: adolencentie
ingrijpende fysieke veranderingen
• Bewustwording van eigen lichaam
• Reacties van anderen waarmee ze niet vertrouwd zijn
ZELFBEELD adolecentie
− Bredere visie op zichzelf: zelfbeschrijving op basis van perceptie door zelf én
perceptie door anderen
− Vergelijking tussen de verschillende aspecten van het ik
• Begin adolescentie: mogelijk verwarring door twee tegengestelde delen van het zelf
(bv. zelfbeeld – ideaal zelf)
• Einde adolescentie: aanvaarding dat in verschillende situaties gedragingen en
gevoelens kunnen verschillen
Genderverschillen bij eigenwaarden adolcentie
meisjes < eigenwaarde jongens
(vooral in vroege adolescentie)
• Meisjes:
» Meer zorgen over uiterlijk, sociaal succes en schoolprestaties
» Balans tussen belang van sociaal succes & goede schoolprestaties is
fragiel bij meisjes (vraag hoe wordt het uitgevoerd? vragenlijsten -à maar bij mijsjes meer aanvaard voor zelfbeeld is niet gelukkig
• Jongens voelen zich incompetent als ze niet aan het stereotype beeld
voldoen
rikson: Kernconflict adolescentie
identiteit versus identiteitsverwarring
Positieve pool: Bewustzijn van eigen uniekheid en eigen capaciteiten
− Actief zoeken en experimenteren vorming van een stabiele en
geïntegreerde identiteit
• Negatieve pool: Onvermogen om de juiste rollen in het leven te identificeren
− Geen stabiele identiteit:
Psychosociaal moratorium
een periode waarin adolescenten zich tijdelijk onttrekken aan de verantwoordelijkheden van de volwassenheid en verschillende rollen en mogelijkheden uitproberen
MARCIA’S THEORIE VAN IDENTITEITSONTWIKKELING
• Uitgangspunt = theorie van Erikson
James Marcia:
• Identiteitsontwikkeling is afhankelijk van
− Crisis: actief zoeken, kiezen tussen verschillende alternatieven
− Binding: psychologische investering in de gemaakte keuze
4 identiteitsstatussen mogelijk in de ontwikkeling
Identity achievement
− + crisis, + binding
− Psychisch meest gezond, meer gemotiveerd om iets te bereiken, groter ethisch besef
Identity foreclosure
vroegtijdige afsluiting)
− - crisis, + binding
− Gelukkig en tevreden met zichzelf, maar veel behoefte aan goedkeuring,
vaak autoritair
Moratorium
(actief onderzoek)
− + crisis, - binding
− Relatief nerveus, psychische conflicten, levendig, zoeken intimiteit met
anderen
Identity diffusion
(geen keuze)
− - crisis, - binding
− Losbandig, springen van de hak op de tak
− Moeilijk om hechte relaties aan te gaan, sociaal teruggetrokken
Emerging adulthood:
ontluikende volwassenheid
− Van einde tienerjaren tot 25-30 jaar
− Overgangsfase
− Periode van onzekerheid, waarin jongeren hun best doen om vast te stellen
wie ze zijn en hoe hun levenspad eruit ziet
De zoektocht naar autonomie
Sociale ontwikkeling vanaf de puberteit: 2 bewegingen
− Losmaken van de ouders
− Aansluiting bij leeftijdgenoten
Toename van autonomie
gevolgen:
• Ouders worden minder geïdealiseerd en meer beschouwd als individuen
• Adolescent wordt zelfstandiger en beschouwt zichzelf meer als een afzonderlijk
individu
• Wijziging in de ouder-kindrelatie
» Asymmetrie gelijkwaardigheid
De mythe van de generatiekloof
Ouders en adolescenten hebben over veel maatschappelijke en religieuze
zaken dezelfde mening
• Grotere overeenkomst tussen jongeren en ouders dan tussen jongeren en
anderen
• Jongeren vaak wat progressiever
− Ouders en adolescenten hechten dezelfde waarde aan hun onderlinge relatie
• Veel liefde en respect van de adolescent voor zijn ouders
• De meeste ouder-adolescent relaties zijn overwegend positief wapent
tegen druk leeftijdsgenoten
Ouder-kindconflicten in de adolescentie
Conflicten rond…
• Kwesties van persoonlijke smaak
• Opeisen van autonomie en onafhankelijkheid door adolescent
− Vooral in vroege adolescentie
• Verschillen in definities van/gedachten over wat wel of niet gepast is
• Verschil in denken over de ‘ouderlijke’ regels
• Grotere neiging om in discussie te gaan
− Geleidelijke aanvaarding door de ouders
Toegeeflijker, meer ruimte en autonomie voor adolescent
RELATIES MET LEEFTIJDGENOTEN: HET BELANG
VAN ‘ERBIJ HOREN’
anaf basisschool: contacten met leeftijdgenoten komen steeds meer voor en
worden belangrijker
− Waarom?
• Sociale vergelijking
• Ouders : onvoldoende mogelijkheid tot sociale vergelijking
• Leeftijdgenoten vormen een referentiegroep
geven informatie over de mate waarin rollen en gedrag waarmee
geëxperimenteerd wordt sociaal aanvaardbaar zijn
CLIQUE
• 2 tot 12 mensen
• Jongens en meisjes
• Frequent sociaal contact
• Steun zoeken
CROWD
Groter
• Individuen met gemeenschappelijke
eigenschappen (bv. muziek, sport,
interesses)
• Groep met eigen stijl, idealen en
strevingen
• Niet per sé persoonlijk contact
Tegencultuur = Als jongere ‘beter’ doen
dan de gevestigde waarde
Seksekloof
− Seksesegregatie/seksekloof verdwijnt
− Meer interesse in andere sekse op vlak van persoonlijkheid en seksualiteit
− Geleidelijk proces:
• Contact tussen vriendengroepen van jongens en meisjes
• Nieuwe vriendengroepen met jongens én meisjes
• Meer individuele contacten
Peer pressure
= de druk die leeftijdgenoten uitoefenen om zich te conformeren aan hun gedrag
en attitudes
Terreinhypothese
• Ouders en leeftijdgenoten hebben invloed op een apart domein
» Vrienden: vrije tijd, kledij, sociale problemen
» Ouders: school, deelname aan de maatschappij, politiek,…
Evolutie van conformiteit
− Schooltijd:
• Conformeren aan ouders
− Vroege en midden adolescentie:
• Conformeren aan leeftijdgenoten, andere volwassenen en ouders
− Einde adolescentie:
• Minder conformeren
• Meer onafhankelijke, eigen mening