1/23
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Peptidoglycaan
= vaak gezien als de celwand van de bacterie
→ bestaat uit 2 suikermoleculen die worden samengehouden door kleine peptides
geven stevigheid aan de cel
beschermt de cel tegen osmotische veranderingen en stress door de omgeving

Outer membrane → Gram-
= extra beschermlaag die Gram+ niet hebben
bestaat uit vetten en eiwitten
lipoproteïne verbinden de outer membrane aan de peptidoglycaan laag

Outer membrane: opbouw
Binnenste laag: vooral fosfolipiden (normale membraanvetten)
Buitenste laag: vooral LPS (lipopolysaccharide)
Opbouw:
Lipid A: het “anker” in het membraan (dit deel is toxisch en heet endotoxine)
Core polysaccharide
O-polysaccharide (O-antigen): steekt naar buiten en varieert per bacteriestam (handig voor herkenning/serotypering)

O polysaccharides (O-antigenen)
Carbohydrate chain
= een keten van suikers
buitenste deel van LPS op outer membrane van Gram-negatieve bacteriën
steekt letterlijk naar buiten uit de bacteriën en maakt zo contact met omgeving/gastheer
Kan bijdragen aan hechting doordat suikergroepen kunnen interageren met receptoren of structuren op gastheercellen of slijm.
De suikersamenstelling en volgorde van die keten verschilt enorm.
→ antigen
= iets dat het afweersysteem kan herkennen

Capsule
bestaat voornamelijk uit polysaccharides
beschermt tegen stress uit de omgeving
kan ook gebruikt worden als voedingsmiddel
→ is betrokken bij aanhechting tot gastheercellen
→ kan fagocytose inhiberen
→ bescherming van oppervlakte-antigenen
→ zonder capsule zijn veel bacteriën niet pathogeen
→ capsule samenstelling varieert veel tussen bacteriën van de zelfde soort

Fimbriae/pili
betrokken bij aanhechting
steken uit de cel, maar korter dan de flagella
vooral aanwezig op Gram-negatieve bacteriën (fimbriae ook in Gram-negatief)
pili bestaan uit 1 eiwit: het piline eiwit

Verschil tussen fimbriae/pili
fimbriae → alleen voor aanhechting
pili → kan meerdere functies hebben
Andere functies van pili
Mobiliteit
Overdragen van genetisch materiaal (conjugation-pilus)
Betrokken bij aanmaak van de biofilm
Fragmenten van pili (S pili) kunnen binden en daarbij antistoffen inactiveren
Variatie van pili structuur zorgt ervoor dat ze uit de handen van het immuunsysteem kunnen blijven

Flagellaat
wordt alleen gebruikt voor mobiliteit
erg lange structuur: veel langer dan de cel zelf
zorgt ervoor dat de cel relatief verre afstanden kan afleggen
is alleen gevonden in baccilli

Flagellaat: structuur
→ bestaat uit 3 delen:
filament
haak
basale lichaam
→ zorgt voor opportunistische infecties door snelle verandering van locatie → ontsnapt aan gastheer verdediging → kan zorgen voor systemische infectie (een infectie die niet op 1 plek blijft, zoals bijvoorbeeld E. coli)

Axiale filamenten
= flagellaat-achtige structuren van spirocheten
bevinden zich tussen de inner en outer membrane en zijn om de cel heen gebonden
zorgt voor mobiliteit bij het ronddraaien van de bacterie (als een schroevendraaier)
→ de schroevendraai beweging zorgt ervoor dat de pathogeen door weefsel heen kan komen
→ hierdoor kan het ook de bloedbaan binnenkomen

Virulentiefactoren van Gram- bacteriën (secretiesystemen)
→ bacteriën maken stoffen die buiten de cel werken om de gastheer te helpen infecteren, zoals enzymen of gifstoffen. Die virulentiefactoren moeten door de “cell envelope” naar buiten
→ bij Gram- bacteriën is dit extra moeilijk omdat ze een dubbele membraan hebben
= hiervoor hebben Gram- bacteriën speciale transport eiwitten:
Type I tot type VI secretiesystemen
= elk type werkt net iets anders en kan andere lading exporteren
→ type III secretie
= een soort moleculaire injectiespuit van veel Gram- bacteriën. Systeem bouwt een naald-achtig kanaal van de bacterie naar de gastheercel en injecteert effector-eiwitten direct in het cytoplasma van de gastheercel
→ die effectoren manipuleren de gastheercel zodat de bacterie beter kan:
binnendringen of opgenomen worden
immuunreacties onderdrukken/ontwijken
celstructuur veranderen
ontsteking sturen
(kan verschillen per pathogeen)

Mycolzuren
= een andere klasse bacteriën naast Gram- en Gram+
hebben een celwand met een dikke, wasachtige laag van lange vetzuren (mycolzuren)
bijvoorbeeld: mycobacterium (tuberculosis), cornyebacterium (difterie)
zijn genetisch gezien meest dichtbij Gram+ bacteriën
→ maar kleuren niet/nauwelijks Gram+

Mycolzuren: klinische relevantie
die mycolzuurlaag is extreem dicht → stoffen komen veel moelijker naar binnen dan bij Gram-
de envelop werkt als een sterke bescherm barrière tegen schade van buitenaf
mycobacteriën kunnen beter overleven waardoor stoffen van je afweer hun doel minder goed bereiken
→ veel antibiotica kunnen niet (genoeg) door de envelope heen
→ daarom is Tuberculose moeilijker te behandelen en duurt therapie lang
→ veel TB-medicijnen richten zich hierom juist op de opbouw ervan, als je de envelope-synthese verstoort, verzwakt/sterft de bacterie

Bij M. Tuberculose → zijn overleving in afweercellen (extracellulaire eiwitten)
Het blokkeert de fusie van het fagosoom met het lysosoom
Het kan ontsnappen uit het fagosoom
→ extracellulaire eiwitten zijn centraal in beide processen
→ M. Tuberculose scheidt dus ook eiwitten uit
= ze hebben een type VII secretiesysteem
Functie: transport van specifieke virulentie-eiwitten door de dikke, mycolzuur-rijke celwand naar buiten
→ deze eiwitten dragen bij aan o.a. overleving in macrofagen, immuunmodulatie (fagosoom) en membraandisruptie

Requirements for infection:
Entry of host
→ all places on/in body where a pathogen can enter
Airways
= by inhalation of water droplets and dust particles
Gastrointestinal tract
= second favorite site of entry, although there are efficient barriers agains infection
Urogenital tract
= sexually transmitted disease
→ 40% of hospital-acquired infections
Skin
= largest organ of our body; largest surface to penetrate
→ must be damaged
→ parenteral route = entry via damage to the skin (injections, cuts etc.)
Requirements for infection:
Establishment
→ defence against clean-up
conjuctiva
= tears
respiratory tract
= capture particles with mucus, then remove them using the cilia
gastrointestinal system
= thick mucous, continuous
reproductive organs and urinary tract
= mucous layer, low pH (vagina), flow of urine
Establishment: Sleutel-slot principe
= bacteriën hebben aan hun oppervlak adhesines (hechtingsmoleculen; vaak eiwitten op pili/fimbriae of andere oppervlaktestructuren)
→ die adhesines binden specifiek aan bepaalde receptoren op de gastheercel
→ zonder hechting worden bacteriën vaak weggespoeld
→ hechting bepaald vaak welk weefsel een bacterie kan infecteren!
Voorbeelden: Fibronectin / Helicobacter

Establishment: Formatie van biofilm (cyclus)
initial, reversible cell deposition
= losse bacteriën komen langs en plakken tijdelijk vast
→ reversibel! ze kunnen nog relatief makkelijk weer los door stroming
irreversible cell adsorption
= als de omstandigheden goed zijn:
bacteriën zetten adhesie-genen aan
geen sterkere bindingen maken
starten met het maken van de matrix (EPS)
quorum sensing and secretion of polysaccharides
= de switch naar echte biofilm
→ bacteriën meten hoeveel buren er zijn via quorum sensing → bij voldoende dichtheid gaan ze massaal polysacchariden uitscheiden
→ dat vormt de EPS-matrix (de lijm) waarin de bacteriën ingebed raken
biofilm development and inflammatory host response
= de biofilm wordt dikker en krijgt 3D-vormen
→ cellen groeien in lagen & er ontstaan kanaaltjes voor aanvoer van voedingsstoffen
Tegelijk reageert je lichaam:
je ziet frustrated phagocytes
gevolg: langdurige ontsteking en weefselschade
detachment, erosion and sloughing (verspreiding)
= stukjes biofilm of losse bacteriën laten los door

Formatie van biofilm: quorum sensing (3)
= manier waarop bacteriën samen beslissen wanneer ze bepaalde genen aanzetten

Requirements for infection:
Interaction with host’s immune system
→ 2 extreme strategies to deal with immune system
Frontal attack strategy = confront immune system → often causing acute infection: multiply as fast as possible and spread rapidly
→ a lot of damage! For example: Vibrio cholerae
Stealth attack strategy = hide from immune system → often causing chronic or persistent infection: staying in the host for a long time
→ causing little damage For example: Helicobacter pylori

Mechanisms of immune evasion by Helicobacter pylori (1-9)
resides in the stomach
infects proximately 50% of the world population → 20% eventually develop symptoms (gastric cancer)
role model for chronic infection
Kolonisatie in de maagwand (mucuslaag) = H. pylori gaat niet los in het maagzuur leven, maar kruipt de slijmlaag in dicht bij het epitheel → daar is de pH minder extreem en is het ook minder bereikbaar voor veel afweerfactoren
Overleven bij lage pH via urease = de bacterie maakt het enzym urease → dit zet ureum om in ammoniak + CO2 → Ammoniak bindt H → de omgeving wordt lokaal minder zuur waardoor H. pylori kan overleven
Ontwijken van het aangeboren (innate) immuunsysteem = normaal herkennen Toll-like receptors (TLRs) bacteriële patronen zoals LPS en flagelline
Ontwijken van het verworven (adaptive) immuunsysteem via virulentiefactoren CagA en VacA = H. pylori scheidt belangrijke effectoren uit, vooral CagA en VacA → die kunnen immuuncellen bijsturen/remmen en helpen zo een chronische infectie in stand te houden
CagA remt B-celrespons (JAK-STAT remming) = deze figuur zoomt in op 1 effect: CagA kan B-celproliferatie remmen door interferentie met de JAK-STAT signaalroute Gevolg: zwakkere antistofrespons, waardoor bacterie langer kan blijven zitten
CagA remt ook B-cel apoptose → kan bijdragen aan kanker = geprogrammeerde celdood → waardoor B-cellen langer kunnen overleven → dit helpt de bacterie indirect (ontregeling) en kan bijdragen aan maligniteit
VacA remt T-cel proliferatie en cytokineproductie = T-cellen moeten actief worden en delen (prolifereren) om een sterke adaptieve respons te maken → VacA kan de TCR-signalling blokkeren (T-cell receptor) waardoor - T-cellen minder goed activeren en minder delen - minder cytokines worden aangemaakt Gevolg: een zwakkere T-cel hulp
Overleven in/inside epithelial cells = H. pylori kan ook tijdelijk intracellulair overleven in epitheelcellen → als een pathogeen in cellen zit, is het: - minder zichtbaar voor antistoffen - vaak moeilijker te clearen door immuunsysteem
Veranderen van virulentiefactoren (antigenic variation / phase variation) = “genetic rearrangement” → de bacterie kan delen van virulentiefactoren aanpassen/variëren
Effect: het immuunsysteem maakt een gerichte respons tegen versie A, maar de bacterie “switcht” naar versie B → immune escape en persistentie

Requirements for infection:
Damage to the host
(lokaal vs. systemisch)
→ wordt veroorzaakt door:
het pathogeen zelf (enzymen, toxines)
door de gastheer zijn eigen systeem in antwoord tot het pathogeen (ontsteking)
Schade door het pathogeen is:
lokaal
= lokale schade van gastheercellen of weefsel
→ normaal gecontroleerd door immuunrespons van gastheer
systemisch
= systemische schade door toxine productie door het pathogeen
Requirements for infection:
Spreading to other hosts
→ chapter 6