Franse Grammatica en Objectbeschrijving

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/17

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards gebaseerd op college-aantekeningen over Franse grammatica (passé récent, passé composé, imparfait), bezit en het beschrijven van objecten (vorm, materiaal, afmetingen).

Last updated 3:01 PM on 6/18/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

18 Terms

1
New cards

Hoe vorm je de 'passé récent' in het Frans?

Met het werkwoord 'venir' + 'de' + de infinitief van het hoofdwerkwoord.

2
New cards

Wat betekent de 'passé récent'?

Iets dat zojuist of net ('juist' / 'net') is gebeurd.

3
New cards

Wat zijn de regelmatige uitgangen voor het voltooid deelwoord in de 'passé composé'?

Werkwoorden op -ER krijgen -é, op -IR krijgen -i, en op -RE krijgen -u.

4
New cards

Welke werkwoorden behoren tot 'la maison d'être'?

Naître, sortir, tomber, monter, descendre, venir, intervenir, aller, devenir, rester, décéder/mourir, partir, retourner, arriver, rentrer.

5
New cards

Hoe wordt de 'imparfait' gevormd?

Door de stam van de 'nous'-vorm van de tegenwoordige tijd te nemen en de uitgangen -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient toe te voegen.

6
New cards

Wat is de spellingsregel voor 'commencer' en 'manger' in de imparfait?

Bij de vormen van je, tu, il/elle/on en ils/elles krijgt 'commencer' een ç (commençais) en 'manger' een extra e (mangeais).

7
New cards

Hoe vraag je in het Frans waar een object voor dient?

À quoi ça sert?

8
New cards

Welke zinnen gebruik je om het nut van een voorwerp te beschrijven?

Ca sert à… (Dient om…), One pour… (Men gebruikt het voor…), of On l'utilise pour… (Men gebruikt het om te…).

9
New cards

Noem de Franse 'pronoms toniques' (beklemtoonde voornaamwoorden).

Moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles.

10
New cards

Vertaal de volgende vormen: carré, rectangulaire, rond, ovale, plat, pointu.

Carré (vierkant), rectangulaire (rechthoekig), rond (rond), ovale (ovaal), plat (plat), pointu (puntig).

11
New cards

Wat zijn de Franse woorden voor de dimensies 'kort', 'lang', 'hoog' en 'laag'?

Court (kort), long/longue (lang), haut (hoog), bas/basse (laag).

12
New cards

Wat betekenen de termen 'épais', 'étroit' en 'large'?

Épais (dik), étroit (smal), large (breed).

13
New cards

Vertaal de toestandwoorden: sec, lisse, humide, brillant.

Sec (droog), lisse (glad), humide (vochtig), brillant (blinkend).

14
New cards

Wat is het verschil tussen 'vieux', 'ancien', 'neuf', 'd'occasion' en 'usagé'?

Vieux (oud), ancien (oud), neuf (nieuw), d'occasion (tweedehands), usagé (gebruikt).

15
New cards

Vertaal de materialen: en bois, en pierre, en verre, en tissu, en cuir.

En bois (van hout), en pierre (van steen), en verre (van glas), en tissu (van stof), en cuir (van leer).

16
New cards

Vertaal de materialen: en plastique, en papier, en carton, en métal, en or, en argent.

En plastique (van plastic), en papier (van papier), en carton (van karton), en métal (van metaal), en or (van goud), en argent (van zilver).

17
New cards

Wat betekenen de gewichts- en temperatuurwoorden: lourd, léger, chaud, froid, tiède?

Lourd (zwaar), léger (licht), chaud (warm), froid (koud), tiède (lauw).

18
New cards

Vertaal de termen voor capaciteit en consistentie: vide, plein, dur, flexible.

Vide (leeg), plein (vol), dur (hard), flexible (flexibel).