1/17
Flashcards gebaseerd op college-aantekeningen over Franse grammatica (passé récent, passé composé, imparfait), bezit en het beschrijven van objecten (vorm, materiaal, afmetingen).
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Hoe vorm je de 'passé récent' in het Frans?
Met het werkwoord 'venir' + 'de' + de infinitief van het hoofdwerkwoord.
Wat betekent de 'passé récent'?
Iets dat zojuist of net ('juist' / 'net') is gebeurd.
Wat zijn de regelmatige uitgangen voor het voltooid deelwoord in de 'passé composé'?
Werkwoorden op -ER krijgen -é, op -IR krijgen -i, en op -RE krijgen -u.
Welke werkwoorden behoren tot 'la maison d'être'?
Naître, sortir, tomber, monter, descendre, venir, intervenir, aller, devenir, rester, décéder/mourir, partir, retourner, arriver, rentrer.
Hoe wordt de 'imparfait' gevormd?
Door de stam van de 'nous'-vorm van de tegenwoordige tijd te nemen en de uitgangen -ais, -ais, -ait, -ions, -iez, -aient toe te voegen.
Wat is de spellingsregel voor 'commencer' en 'manger' in de imparfait?
Bij de vormen van je, tu, il/elle/on en ils/elles krijgt 'commencer' een ç (commençais) en 'manger' een extra e (mangeais).
Hoe vraag je in het Frans waar een object voor dient?
À quoi ça sert?
Welke zinnen gebruik je om het nut van een voorwerp te beschrijven?
Ca sert à… (Dient om…), One pour… (Men gebruikt het voor…), of On l'utilise pour… (Men gebruikt het om te…).
Noem de Franse 'pronoms toniques' (beklemtoonde voornaamwoorden).
Moi, toi, lui, elle, nous, vous, eux, elles.
Vertaal de volgende vormen: carré, rectangulaire, rond, ovale, plat, pointu.
Carré (vierkant), rectangulaire (rechthoekig), rond (rond), ovale (ovaal), plat (plat), pointu (puntig).
Wat zijn de Franse woorden voor de dimensies 'kort', 'lang', 'hoog' en 'laag'?
Court (kort), long/longue (lang), haut (hoog), bas/basse (laag).
Wat betekenen de termen 'épais', 'étroit' en 'large'?
Épais (dik), étroit (smal), large (breed).
Vertaal de toestandwoorden: sec, lisse, humide, brillant.
Sec (droog), lisse (glad), humide (vochtig), brillant (blinkend).
Wat is het verschil tussen 'vieux', 'ancien', 'neuf', 'd'occasion' en 'usagé'?
Vieux (oud), ancien (oud), neuf (nieuw), d'occasion (tweedehands), usagé (gebruikt).
Vertaal de materialen: en bois, en pierre, en verre, en tissu, en cuir.
En bois (van hout), en pierre (van steen), en verre (van glas), en tissu (van stof), en cuir (van leer).
Vertaal de materialen: en plastique, en papier, en carton, en métal, en or, en argent.
En plastique (van plastic), en papier (van papier), en carton (van karton), en métal (van metaal), en or (van goud), en argent (van zilver).
Wat betekenen de gewichts- en temperatuurwoorden: lourd, léger, chaud, froid, tiède?
Lourd (zwaar), léger (licht), chaud (warm), froid (koud), tiède (lauw).
Vertaal de termen voor capaciteit en consistentie: vide, plein, dur, flexible.
Vide (leeg), plein (vol), dur (hard), flexible (flexibel).