1/99
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Volkomen concurrentie
Marktvorm met veel aanbieders, homogeen product, vrije toetreding en volledige transparantie.
Monopolie
Marktvorm met slechts één aanbieder die de prijs zelf kan vaststellen.
Oligopolie
Marktvorm met een klein aantal aanbieders die elkaar sterk beïnvloeden.
Monopolistische concurrentie
Marktvorm met veel aanbieders van een heterogeen product (bijv. horeca of kleding).
Homogeen product
Een product dat in de ogen van de consument identiek is aan dat van andere aanbieders.
Heterogeen product
Een product waarbij de consument verschil ziet in merk, kwaliteit of service.
Transparante markt
Markt waarbij vragers en aanbieders volledig op de hoogte zijn van prijzen en producten.
Toetredingsdrempels
Belemmeringen die het voor nieuwe bedrijven moeilijk maken om een markt te betreden.
Prijszetter
Een aanbieder die zelf zijn prijs kan bepalen (monopolist).
Prijsnemer
Een aanbieder die de marktprijs moet accepteren als gegeven (volkomen concurrentie).
Maximumprijs
Door de overheid ingestelde prijs om consumenten te beschermen; veroorzaakt een vraagoverschot.
Minimumprijs
Door de overheid ingestelde prijs om producenten te beschermen; veroorzaakt een aanbodoverschot.
Productensurplus
Het verschil tussen de marktprijs en de prijs waarvoor de aanbieder het minimaal wilde verkopen.
Consumentensurplus
Het verschil tussen de betalingsbereidheid van de consument en de werkelijke marktprijs.
Welvaartsverlies
De afname van het totale surplus (harberger-driehoek) door marktverstoringen.
Gevangenendilemma
Situatie waarin het najagen van eigenbelang leidt tot een slechtere uitkomst voor het collectief.
Dominante strategie
De keuze die een speler altijd het beste resultaat geeft, ongeacht wat de ander doet.
Nash-evenwicht
Een situatie waarbij geen enkele speler zijn positie kan verbeteren door eenzijdig een andere keuze te maken.
Meeliftersgedrag
Profiteren van een collectieve voorziening zonder eraan mee te betalen (free-riders).
Collectieve dwang
Middelen (zoals belastingen of wetten) om meeliftersgedrag te voorkomen.
Zelfbinding
Een speler geeft vooraf aan wat hij gaat doen om het gedrag van anderen te beïnvloeden.
Negatief extern effect
Onbedoelde schade van productie of consumptie aan derden, niet verrekend in de prijs.
Positief extern effect
Onbedoeld voordeel van productie of consumptie voor derden (bijv. een mooie tuin).
Collectieve goederen
Goederen waarbij uitsluiting niet mogelijk is en die niet via de markt geleverd worden.
Individuele goederen
Goederen die via de markt verkocht worden en waarbij uitsluiting wel mogelijk is.
Intertemporele substitutie
Het verschuiven van consumptie door de tijd (nu sparen of lenen).
Nominale rente
De rente in euro's die je krijgt of moet betalen.
Reële rente
De rente gecorrigeerd voor inflatie (de werkelijke koopkrachtverandering).
Inflatie
De stijging van het algemeen prijspeil waardoor geld minder waard wordt.
Deflatie
De daling van het algemeen prijspeil.
CPI (Consumentenprijsindex)
Maatstaf voor de inflatie op basis van een pakket goederen van een gemiddeld huishouden.
Stroomgrootheid
Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten (bijv. inkomen per jaar).
Voorraadgrootheid
Grootheid die op een specifiek moment wordt gemeten (bijv. je banktegoed op 1 januari).
Menselijk kapitaal
De kennis, vaardigheden en ervaring die mensen bezitten.
Aanvullend pensioen
Pensioen dat je zelf opbouwt via een werkgever (kapitaaldekkingsstelsel).
Lorenzkurve
Grafiek die de mate van inkomensongelijkheid in een land weergeeft.
Gini-coëfficiënt
Getal tussen 0 en 1 dat de inkomensongelijkheid meet (0 = totale gelijkheid).
Primair inkomen
Inkomen verdiend met de productiefactoren (loon, pacht, rente, winst).
Secundair inkomen
Het besteedbare inkomen (primair inkomen - belastingen/premies + subsidies).
Nivellering
Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.
Denivellering
Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.
Draagkrachtbeginsel
Het principe dat hogere inkomens een groter percentage belasting betalen.
Profijtbeginsel
Het principe dat je betaalt naar de mate waarin je gebruikmaakt van een overheidsdienst.
Marginaal belastingtarief
Het belastingpercentage dat je betaalt over je laatst verdiende euro.
Gemiddeld belastingtarief
De totale betaalde belasting als percentage van het brutoloon.
BBP (Bruto Binnenlands Product)
De totale waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land.
Economische groei
De procentuele toename van het reële BBP over een periode.
Nominaal BBP
De waarde van de productie gemeten in huidige prijzen (niet gecorrigeerd voor inflatie).
Reëel BBP
De waarde van de productie gecorrigeerd voor prijsveranderingen (volume).
Trendmatige groei
De gemiddelde economische groei over een langere periode.
Hoogconjunctuur
Periode waarin de economische groei hoger is dan de trendmatige groei.
Laagconjunctuur
Periode waarin de economische groei lager is dan de trendmatige groei.
Recessie
Situatie waarbij het BBP gedurende minstens twee opeenvolgende kwartalen krimpt.
Geaggregeerde vraag
De totale vraag naar goederen en diensten in een economie (C + I + O + E - M).
Geaggregeerd aanbod
Het totale aanbod van goederen en diensten in een economie.
Starre prijzen
Prijzen die op korte termijn niet direct veranderen (bijv. door cao-contracten).
Prijsrigiditeit
Hetzelfde als starre prijzen; de traagheid waarmee prijzen zich aanpassen.
ECB (Europese Centrale Bank)
Instantie die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid in de eurozone.
Prijsstabiliteit
Het hoofddoel van de ECB (inflatie van rond de 2% op de middellange termijn).
Appreciatie
Een stijging van de wisselkoers van een valuta door vraag en aanbod.
Depreciatie
Een daling van de wisselkoers van een valuta.
Wisselkoers
De prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta.
Betalingsbalans
Overzicht van alle economische transacties tussen een land en het buitenland.
Lopende rekening
Onderdeel van de betalingsbalans (export en import van goederen en diensten).
Kapitaalrekening
Onderdeel van de betalingsbalans (investeringen, leningen en beleggingen).
Exportpositie
De mate waarin een land in staat is om goederen te verkopen aan het buitenland.
Interne waarde van geld
De koopkracht van geld in het eigen land.
Externe waarde van geld
De waarde van een valuta uitgedrukt in andere valuta (wisselkoers).
Overheidstekort
Het verschil tussen de overheidsinkomsten en overheidsuitgaven in een jaar.
Staatsschuld
De totale schuld van de overheid op een bepaald moment.
EMU-normen
Regels voor EU-landen (bijv. tekort max 3% BBP, schuld max 60% BBP).
Procyclisch beleid
Beleid dat de conjunctuurbeweging versterkt (bezuinigen in crisis).
Anticyclisch beleid
Beleid dat de conjunctuurbeweging dempt (extra uitgeven in crisis).
Automatische stabilisatoren
Mechanismen (zoals uitkeringen) die de conjunctuur dempen zonder nieuw beleid.
Ingebouwde stabilisatoren
Hetzelfde als automatische stabilisatoren.
Beroepsbevolking
Mensen tussen 15 en 75 jaar die werken of actief werk zoeken.
Werkloosheidspercentage
Het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking.
Structurele werkloosheid
Werkloosheid door veranderingen aan de aanbodkant (machines, verplaatsing productie).
Conjunctuurwerkloosheid
Werkloosheid door een tekort aan vraag naar goederen en diensten.
Frictiewerkloosheid
Kortstondige werkloosheid tijdens de zoekperiode naar een nieuwe baan.
Seizoenswerkloosheid
Werkloosheid die ontstaat omdat bepaald werk alleen in bepaalde periodes is.
Participatiegraad
Het percentage van de bevolking (15-75 jaar) dat tot de beroepsbevolking behoort.
Loonstarheid
Het verschijnsel dat lonen niet direct dalen bij een overschot op de arbeidsmarkt.
Verzekering
Een overeenkomst waarbij je tegen betaling van premie een risico afwentelt op een verzekeraar.
Premie
Het bedrag dat je periodiek betaalt voor een verzekering.
Averechtse selectie
De situatie waarin mensen met een hoog risico zich vaker verzekeren dan mensen met een laag risico.
Moreel wangedrag (Moral hazard)
Je roekelozer gedragen omdat je toch verzekerd bent.
Asymmetrische informatie
Situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere partij.
Solidariteit
De bereidheid van mensen met een laag risico om mee te betalen voor mensen met een hoog risico.
Inkomensafhankelijke premie
Premie waarvan de hoogte afhangt van de hoogte van je inkomen.
Directe belastingen
Belastingen over inkomen, winst en vermogen (betaal je rechtstreeks aan de fiscus).
Indirecte belastingen
Belastingen die in de prijs van producten zitten (zoals btw en accijns).
Draagkracht
De mate waarin iemand in staat is om belasting te betalen.
Staatsobligatie
Een leningbewijs van de overheid met een vaste looptijd en rente.
Productiefactoren
De middelen die nodig zijn voor productie (kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap).
Welvaart in enge zin
De mate waarin je je behoeften kunt bevredigen met goederen en diensten (koopkracht).
Welvaart in brede zin
De mate waarin je je behoeften kunt bevredigen inclusief immateriële zaken (milieu, vrije tijd).
Aandelen
Bewijzen van mede-eigendom van een bedrijf.
Obligaties
Schuldbewijzen van een lening aan een bedrijf of overheid.
Dividend
Het deel van de winst dat wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders.