Economie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:20 AM on 4/26/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Volkomen concurrentie

Marktvorm met veel aanbieders, homogeen product, vrije toetreding en volledige transparantie.

2
New cards

Monopolie

Marktvorm met slechts één aanbieder die de prijs zelf kan vaststellen.

3
New cards

Oligopolie

Marktvorm met een klein aantal aanbieders die elkaar sterk beïnvloeden.

4
New cards

Monopolistische concurrentie

Marktvorm met veel aanbieders van een heterogeen product (bijv. horeca of kleding).

5
New cards

Homogeen product

Een product dat in de ogen van de consument identiek is aan dat van andere aanbieders.

6
New cards

Heterogeen product

Een product waarbij de consument verschil ziet in merk, kwaliteit of service.

7
New cards

Transparante markt

Markt waarbij vragers en aanbieders volledig op de hoogte zijn van prijzen en producten.

8
New cards

Toetredingsdrempels

Belemmeringen die het voor nieuwe bedrijven moeilijk maken om een markt te betreden.

9
New cards

Prijszetter

Een aanbieder die zelf zijn prijs kan bepalen (monopolist).

10
New cards

Prijsnemer

Een aanbieder die de marktprijs moet accepteren als gegeven (volkomen concurrentie).

11
New cards

Maximumprijs

Door de overheid ingestelde prijs om consumenten te beschermen; veroorzaakt een vraagoverschot.

12
New cards

Minimumprijs

Door de overheid ingestelde prijs om producenten te beschermen; veroorzaakt een aanbodoverschot.

13
New cards

Productensurplus

Het verschil tussen de marktprijs en de prijs waarvoor de aanbieder het minimaal wilde verkopen.

14
New cards

Consumentensurplus

Het verschil tussen de betalingsbereidheid van de consument en de werkelijke marktprijs.

15
New cards

Welvaartsverlies

De afname van het totale surplus (harberger-driehoek) door marktverstoringen.

16
New cards

Gevangenendilemma

Situatie waarin het najagen van eigenbelang leidt tot een slechtere uitkomst voor het collectief.

17
New cards

Dominante strategie

De keuze die een speler altijd het beste resultaat geeft, ongeacht wat de ander doet.

18
New cards

Nash-evenwicht

Een situatie waarbij geen enkele speler zijn positie kan verbeteren door eenzijdig een andere keuze te maken.

19
New cards

Meeliftersgedrag

Profiteren van een collectieve voorziening zonder eraan mee te betalen (free-riders).

20
New cards

Collectieve dwang

Middelen (zoals belastingen of wetten) om meeliftersgedrag te voorkomen.

21
New cards

Zelfbinding

Een speler geeft vooraf aan wat hij gaat doen om het gedrag van anderen te beïnvloeden.

22
New cards

Negatief extern effect

Onbedoelde schade van productie of consumptie aan derden, niet verrekend in de prijs.

23
New cards

Positief extern effect

Onbedoeld voordeel van productie of consumptie voor derden (bijv. een mooie tuin).

24
New cards

Collectieve goederen

Goederen waarbij uitsluiting niet mogelijk is en die niet via de markt geleverd worden.

25
New cards

Individuele goederen

Goederen die via de markt verkocht worden en waarbij uitsluiting wel mogelijk is.

26
New cards

Intertemporele substitutie

Het verschuiven van consumptie door de tijd (nu sparen of lenen).

27
New cards

Nominale rente

De rente in euro's die je krijgt of moet betalen.

28
New cards

Reële rente

De rente gecorrigeerd voor inflatie (de werkelijke koopkrachtverandering).

29
New cards

Inflatie

De stijging van het algemeen prijspeil waardoor geld minder waard wordt.

30
New cards

Deflatie

De daling van het algemeen prijspeil.

31
New cards

CPI (Consumentenprijsindex)

Maatstaf voor de inflatie op basis van een pakket goederen van een gemiddeld huishouden.

32
New cards

Stroomgrootheid

Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten (bijv. inkomen per jaar).

33
New cards

Voorraadgrootheid

Grootheid die op een specifiek moment wordt gemeten (bijv. je banktegoed op 1 januari).

34
New cards

Menselijk kapitaal

De kennis, vaardigheden en ervaring die mensen bezitten.

35
New cards

Aanvullend pensioen

Pensioen dat je zelf opbouwt via een werkgever (kapitaaldekkingsstelsel).

36
New cards

Lorenzkurve

Grafiek die de mate van inkomensongelijkheid in een land weergeeft.

37
New cards

Gini-coëfficiënt

Getal tussen 0 en 1 dat de inkomensongelijkheid meet (0 = totale gelijkheid).

38
New cards

Primair inkomen

Inkomen verdiend met de productiefactoren (loon, pacht, rente, winst).

39
New cards

Secundair inkomen

Het besteedbare inkomen (primair inkomen - belastingen/premies + subsidies).

40
New cards

Nivellering

Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.

41
New cards

Denivellering

Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.

42
New cards

Draagkrachtbeginsel

Het principe dat hogere inkomens een groter percentage belasting betalen.

43
New cards

Profijtbeginsel

Het principe dat je betaalt naar de mate waarin je gebruikmaakt van een overheidsdienst.

44
New cards

Marginaal belastingtarief

Het belastingpercentage dat je betaalt over je laatst verdiende euro.

45
New cards

Gemiddeld belastingtarief

De totale betaalde belasting als percentage van het brutoloon.

46
New cards

BBP (Bruto Binnenlands Product)

De totale waarde van alle geproduceerde goederen en diensten in een land.

47
New cards

Economische groei

De procentuele toename van het reële BBP over een periode.

48
New cards

Nominaal BBP

De waarde van de productie gemeten in huidige prijzen (niet gecorrigeerd voor inflatie).

49
New cards

Reëel BBP

De waarde van de productie gecorrigeerd voor prijsveranderingen (volume).

50
New cards

Trendmatige groei

De gemiddelde economische groei over een langere periode.

51
New cards

Hoogconjunctuur

Periode waarin de economische groei hoger is dan de trendmatige groei.

52
New cards

Laagconjunctuur

Periode waarin de economische groei lager is dan de trendmatige groei.

53
New cards

Recessie

Situatie waarbij het BBP gedurende minstens twee opeenvolgende kwartalen krimpt.

54
New cards

Geaggregeerde vraag

De totale vraag naar goederen en diensten in een economie (C + I + O + E - M).

55
New cards

Geaggregeerd aanbod

Het totale aanbod van goederen en diensten in een economie.

56
New cards

Starre prijzen

Prijzen die op korte termijn niet direct veranderen (bijv. door cao-contracten).

57
New cards

Prijsrigiditeit

Hetzelfde als starre prijzen; de traagheid waarmee prijzen zich aanpassen.

58
New cards

ECB (Europese Centrale Bank)

Instantie die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid in de eurozone.

59
New cards

Prijsstabiliteit

Het hoofddoel van de ECB (inflatie van rond de 2% op de middellange termijn).

60
New cards

Appreciatie

Een stijging van de wisselkoers van een valuta door vraag en aanbod.

61
New cards

Depreciatie

Een daling van de wisselkoers van een valuta.

62
New cards

Wisselkoers

De prijs van een valuta uitgedrukt in een andere valuta.

63
New cards

Betalingsbalans

Overzicht van alle economische transacties tussen een land en het buitenland.

64
New cards

Lopende rekening

Onderdeel van de betalingsbalans (export en import van goederen en diensten).

65
New cards

Kapitaalrekening

Onderdeel van de betalingsbalans (investeringen, leningen en beleggingen).

66
New cards

Exportpositie

De mate waarin een land in staat is om goederen te verkopen aan het buitenland.

67
New cards

Interne waarde van geld

De koopkracht van geld in het eigen land.

68
New cards

Externe waarde van geld

De waarde van een valuta uitgedrukt in andere valuta (wisselkoers).

69
New cards

Overheidstekort

Het verschil tussen de overheidsinkomsten en overheidsuitgaven in een jaar.

70
New cards

Staatsschuld

De totale schuld van de overheid op een bepaald moment.

71
New cards

EMU-normen

Regels voor EU-landen (bijv. tekort max 3% BBP, schuld max 60% BBP).

72
New cards

Procyclisch beleid

Beleid dat de conjunctuurbeweging versterkt (bezuinigen in crisis).

73
New cards

Anticyclisch beleid

Beleid dat de conjunctuurbeweging dempt (extra uitgeven in crisis).

74
New cards

Automatische stabilisatoren

Mechanismen (zoals uitkeringen) die de conjunctuur dempen zonder nieuw beleid.

75
New cards

Ingebouwde stabilisatoren

Hetzelfde als automatische stabilisatoren.

76
New cards

Beroepsbevolking

Mensen tussen 15 en 75 jaar die werken of actief werk zoeken.

77
New cards

Werkloosheidspercentage

Het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking.

78
New cards

Structurele werkloosheid

Werkloosheid door veranderingen aan de aanbodkant (machines, verplaatsing productie).

79
New cards

Conjunctuurwerkloosheid

Werkloosheid door een tekort aan vraag naar goederen en diensten.

80
New cards

Frictiewerkloosheid

Kortstondige werkloosheid tijdens de zoekperiode naar een nieuwe baan.

81
New cards

Seizoenswerkloosheid

Werkloosheid die ontstaat omdat bepaald werk alleen in bepaalde periodes is.

82
New cards

Participatiegraad

Het percentage van de bevolking (15-75 jaar) dat tot de beroepsbevolking behoort.

83
New cards

Loonstarheid

Het verschijnsel dat lonen niet direct dalen bij een overschot op de arbeidsmarkt.

84
New cards

Verzekering

Een overeenkomst waarbij je tegen betaling van premie een risico afwentelt op een verzekeraar.

85
New cards

Premie

Het bedrag dat je periodiek betaalt voor een verzekering.

86
New cards

Averechtse selectie

De situatie waarin mensen met een hoog risico zich vaker verzekeren dan mensen met een laag risico.

87
New cards

Moreel wangedrag (Moral hazard)

Je roekelozer gedragen omdat je toch verzekerd bent.

88
New cards

Asymmetrische informatie

Situatie waarin de ene partij meer weet dan de andere partij.

89
New cards

Solidariteit

De bereidheid van mensen met een laag risico om mee te betalen voor mensen met een hoog risico.

90
New cards

Inkomensafhankelijke premie

Premie waarvan de hoogte afhangt van de hoogte van je inkomen.

91
New cards

Directe belastingen

Belastingen over inkomen, winst en vermogen (betaal je rechtstreeks aan de fiscus).

92
New cards

Indirecte belastingen

Belastingen die in de prijs van producten zitten (zoals btw en accijns).

93
New cards

Draagkracht

De mate waarin iemand in staat is om belasting te betalen.

94
New cards

Staatsobligatie

Een leningbewijs van de overheid met een vaste looptijd en rente.

95
New cards

Productiefactoren

De middelen die nodig zijn voor productie (kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap).

96
New cards

Welvaart in enge zin

De mate waarin je je behoeften kunt bevredigen met goederen en diensten (koopkracht).

97
New cards

Welvaart in brede zin

De mate waarin je je behoeften kunt bevredigen inclusief immateriële zaken (milieu, vrije tijd).

98
New cards

Aandelen

Bewijzen van mede-eigendom van een bedrijf.

99
New cards

Obligaties

Schuldbewijzen van een lening aan een bedrijf of overheid.

100
New cards

Dividend

Het deel van de winst dat wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders.