1/11
Deze flashcards dekken de kernbegrippen van de 20ste-eeuwse filosofie met betrekking tot vrijheid, determinisme, lichaam en geest, en genderidentiteit.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Geworpen ontwerp
Het concept van Heidegger waarbij de mens ongewild in omstandigheden wordt geplaatst (geworpenheid), maar binnen die grenzen de vrijheid heeft om zijn leven vorm te geven (ontwerp).
Sein zum Tode
Het besef van onze eigen sterfelijkheid volgens Heidegger, wat het leven dringend maakt en de mens aanzet tot een authentiek bestaan.
Existence precedes essence
Het principe van Sartre dat de mens geen vooraf bepaalde natuur heeft, maar zichzelf en zijn betekenis creëert door middel van zijn eigen keuzes.
Mauvaise foi
Zelfbedrog volgens Sartre, waarbij mensen doen alsof ze geen keuze hebben om te ontsnappen aan hun radicale vrijheid en verantwoordelijkheid.
Structuralisme
De stroming (onder meer Foucault) die stelt dat de mens niet autonoom is, maar wordt gevormd door structuren zoals taal, macht en instituties.
Dualisme
De filosofie van Descartes die stelt dat de geest (denken) en het lichaam (materie) twee gescheiden substanties zijn die interageren via de pijnappelklier.
Fysicalisme (Monisme)
De overtuiging dat alles materie is en dat de geest gelijkstaat aan hersenactiviteit, waardoor gedrag bepaald wordt door natuurwetten.
Emergentie
De theorie dat de geest voortkomt uit de hersenen maar meer is dan de som der delen, waardoor er op een hoger niveau nieuwe eigenschappen zoals vrije wil kunnen ontstaan.
De Ander
Een term van Simone de Beauvoir om aan te duiden hoe vrouwen historisch gezien door de maatschappij als afhankelijk en secundair ten opzichte van de man zijn gedefinieerd.
Naturalistische visie (emoties)
De visie van Ekman dat er zes universele basisemoties zijn (blijdschap, verdriet, woede, angst, verbazing, walging) die biologisch bepaald zijn.
Niet-talige hypothese
Het idee dat zelfbewustzijn geleidelijk ontstaat bij organismen die zichzelf in stand houden, onafhankelijk van het vermogen om taal te gebruiken.
Rationeel dier
De definitie van de mens volgens Aristoteles, waarbij de nadruk ligt op de rede als onderscheidend kenmerk.