1/22
Deze flashcards behandelen de belangrijkste concepten en historische fasen van media-effecten in de politieke communicatie, gebaseerd op de les van Peter Van Aelst.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Effecten op Kennis
Media-effecten die betrekking hebben op informatie en feiten, oftewel wat we weten over een onderwerp (bijv. de samenstelling van de Vlaamse regering).
Effecten op Opinies/Attitudes
Media-effecten die invloed hebben op de mening of houding ten opzichte van een onderwerp, zoals het vertrouwen in politici.
Effecten op Gedrag
Media-effecten die bepalen hoe mensen handelen, bijvoorbeeld of en op wie ze gaan stemmen.
Symbolische realiteit
Het beeld van de werkelijkheid dat ontstaat door mediëring, die samen met de 'objectieve' realiteit ons totale beeld van de werkelijkheid vormt.
Causaliteit (Media-onderzoek)
De moeilijkheid om vast te stellen of mediagebruik het publiek beïnvloedt of dat publiekskenmerken bepalen welke media men gebruikt (correlatie is niet per se causatie).
Almighty media (Fase 1)
De periode tussen 1920 en 1940 waarin men geloofde dat media een direct en onmiddellijk effect hadden op een passief publiek (Stimulus-response model).
Hypodermic needle (Injectienaald-theorie)
Een metafoor uit de 'Almighty media' fase die stelt dat media-boodschappen als het ware rechtstreeks in het publiek worden 'geïnjecteerd'.
Minimal effects hypothesis (Fase 2)
De periode tussen 1940 en 1960 waarin onderzoek (zoals van Lazarsfeld) aantoonde dat de impact van media op het publiek beperkt en indirect is.
Two-step flow of communication
Een model van Lazarsfeld waarbij informatie vanuit de massamedia eerst de opinieleiders bereikt, die het vervolgens doorgeven aan hun sociale netwerk.
Opinieleider
Individuen binnen een sociaal netwerk die informatie uit de media interpreteren en verspreiden naar anderen, waardoor zij de publieke opinie beïnvloeden.
Selectieve blootstelling (Selective exposure)
Het fenomeen waarbij mensen vooral media consumeren die aansluiten bij hun bestaande overtuigingen om dissonante informatie te vermijden.
Uses and gratifications theory
Een theorie die de focus verlegt van wat media met mensen doen naar wat mensen met media doen (bijv. informatie, entertainment of sociale cohesie).
Back to powerful mass media (Fase 3)
De fase vanaf de jaren 70 die kritiek gaf op de minimale-effectenhypothese en nadruk legde op langetermijneffecten en veranderende technologie.
Spiral of Silence (Zwijgspiraal)
Theorie van Noelle-Neumann die stelt dat mensen hun mening niet durven te uiten als ze denken dat deze afwijkt van de dominante publieke opinie in de media.
Sociaal constructivisme
Een theoretisch kader waarin de media mede betekenis geven aan onze sociale realiteit zonder onmiddellijk meetbaar effect.
Cultivation theory (Gerbner)
Een theorie die stelt dat media (vooral televisie) op lange termijn het beeld dat mensen hebben van de werkelijkheid vormgeven, bijvoorbeeld over geweld.
Conditional effects (Fase 4)
De periode in de jaren 80 en 90 waarin men stelde dat media wel effect hebben, maar dat dit afhangt van specifieke omstandigheden en voorwaarden.
Agenda-setting
De theorie dat media bepalen welke onderwerpen door het publiek als belangrijk worden beschouwd.
Priming
Het proces waarbij media-aandacht voor een onderwerp de criteria beïnvloedt waarmee het publiek politieke actoren beoordeelt.
Framing
De manier waarop een onderwerp wordt gepresenteerd in de media, wat de interpretatie door de ontvanger stuurt.
A new era of minimal effects? (Fase 5)
De huidige fase (Bennett & Iyengar, 2008) waarbij door technologisering en fragmentatie mensen vooral hun eigen mening bevestigd zien en effecten weer beperkter lijken.
Inadvertent audience
Het publiek dat 'per ongeluk' naar het nieuws kijkt (bijv. voor of na een ander programma), een groep die door de toename aan kanalen bijna is verdwenen.
Filter bubbels
Het resultaat van selectieve blootstelling op sociale media waarbij gebruikers alleen nog informatie zien die hun wereldbeeld bevestigt.