1/96
VUB
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Kelk
Buitenste krans van bloembladeren en bestaat uit …bladeren. Meestal groen.
Kroon
Binneste krans van bloembladeren, bestaat uit …bladeren. Vaak gekleurd
Bloembekleedselen of Perianthium
De kelk en de kroon samen
Bloemdek of Perigonium
Bij sommige bloemen is er maar 1 krans van bloembladeren, dit noemt men het …
Meeldraden
Mannelijk geslachtsorgaan bestaande uit helmdraad, een helmknop die bestaat uit enkele helmhokjes. In deze helmhokjes word stuifmeel of pollen aangemaakt.
Androecium
Alle mannelijke organen van de bloem, zijnde: de meeldraden opgebouwd uit helmdraad en een helmknop opgebouwd uit helmhokjes
Stamper
Vrouwelijk geslachtsorgaan bestaande uit een vruchtbeginsel, een stijl en een stempel. Binnen het vruchtbeginsel bevinden zich 1 of meer zaadknoppen met een eicel. De stamper ontstaat uit 1 of meerdere vruchtbladeren die met elkaar vergroeien.
Gynoecium
Alle vrouwelijke organen van de bloem, zijnde: De stamper opgebouwd uit een vruchtbeginsel, een stijl en een stempel.
Houtige planten
Produceren lignine => dikkere stengels, steviger (vaak bomen of struiken)
Kruidachtig
produceren geen lignine => flexibele stengels
Schutblad
klein blad/schud aan de voet van een bloeiwijze of op het hoofdeel van de bloeiwijze of aan de voet van een bloemdeeltje
Steunblad
Bladachtig of vlezig, soms stekelig of beklierd aanhangsel aan of nabij de voet van de bladsteel. Meestal 2 per blad, zelden 1
Hypogyne bloembodem
bloembodem onder vruchtbeginsel (streep onder de G bij bloemformule)

Perigyne bloembodem
Bloembodem rond vruchtbeginsel (streep boven en onder G bij bloemformule)

Epigyne bloembodem
Bloembodem boven vruchtbeginsel (Streep boven G bij bloemformule)

Vruchtbeginsel
Het onderste deel van de stamper dat 1 of meer zaadbeginsels/ -knoppen bevat
spoor
Uitgroeing van kruis of kelk in de vorm van een holle, kegel of trechtervormige buis, die gesloten is aan het distale uiteinde en die vaak nectar bevat.
Eenhuizig
Plant die beide geslachten heeft (niet hetzelfde als tweeslachtig, dat is enkel over de bloem)
tweehuizig
Plant met maar 1 geslacht (niet hetzelfde als eenslachtig, dat gaat over de bloem)
Bloeiwijze
Geheel waarop bloemen gerangschikt zijn met bijhorende stengeldelen en schutbladen. Er worden 3 categorien onderscheden: Racemeuze, Cymeuze en pluimen.
Racemeuze bloeiwijzen
De hoofdas blijft doorgroeien, terwijl de laterale posities bloemen dragen of hetzelfde patroon herhalen. Meestal kan men zien dat de bovenste knoppen vaak nog moeten uitkomen terwijl de onderste zelfs al aan het verwelken zijn

Cymeuze bloeiwijzen
De hoofdas eindigt met een bloem, terwijl de zijassen het patroon herhalen.

Pluimen
Alle vertakkingen eindigen met een bloem. Zeer veel vertakkingen, soms vele verschillende types vertakkingen gecombineerd binnen de pluim. (alles wat niet racemeus of cymeus is)

Aar
Racemeuze bloeiwijze: De bloemen zitten direct op de hoofdas, de bloemsteeltjes zijn afwezig of zeer kort. Eventuele schutblaadjes aanwezig.

Katje
Racemeuze bloeiwijze: De bloemen hangen naar beden op de hoofdas, de bloemsteeltjes zijn afwezig of zeer kort, eventueel schutblaadjes aanwezig. De hoofdas groei dus naar beneden. Over het algemeen bestaan katjes uit een zeer groot aantal kleine onopvallende bloemen, typisch voor windbestuiving

Bloeikolf
Racemeuze bloeiwijze: Zoals een aar, maar de hoofdas is verdikt en vlezig. Een groot schutblad is aanwezig welke zich rondom de bloeiwijze wikkelt (zeer typisch voor de familie Araceae)

tros
Racemeuze bloeiwijze: Zoals een aar, maar met bloemsteeltjes

Tuil
Racemeuze bloeiwijze: Zoals een tros, maar de bloemsteeltjes van de onderste bloemen zijn de langste zodat alle bloemen op dezelfde hoogte eindigen (deze tuil eindigt niet in bloemen, maar in bloemhoofdjes!!)

Scherm
Racemeuze bloeiwijze: : De steeltjes van de bloemen (= stralen) hebben allemaal een gemeenschappelijk aanhechtingspunt. De bloemen langs de rand zijn het oudst, en deze in het midden zijn het jongst. Omdat de bloeiwijze dus doorgroeit naar het midden wordt dit gezien als een racemeuze bloeiwijze

Hoofdje
Racemeuze bloeiwijze: De bloemen bevinden zich allemaal op een gemeenschappelijke bloembodem. De bloemen langs de rand zijn het oudst, en deze in het midden zijn het jongst. Omdat de bloeiwijze dus doorgroeit naar het midden wordt dit gezien als een racemeuze bloeiwijze

Buisbloemen
Deze bloemen bevinden zich in het midden van het hoofdje, ze zijn straalsgewijs symmetrisch, bezitten 5 vergroeide kroonbladen (B) en 5 meeldraden (C) en een onderstandig vruchtbeginsel (A). D is de stijl met stempel

Lintbloemen
Deze bloemen bevinden zich langs de rand van het hooftje of over het volledig hoofdje. Ze zijn 2 zijdig symmetrische en bestaan ui 5 vergroeide kroonbladen (D) maar lijken samen 1 kroonblad, 5 meeldraden (C) en een onderstandig vruchtbeginsel (A). B zijn de gereduceerde kelkbladeren die pluisjes vormen bij vruchtvorming.

straalbloemen
Bij plantensoorten waar zowel buisbloemen als lintbloemen voorkomen zijn de lintbloemen vaak steriel, we noemen deze lintbloemen dan …
Bijscherm
Cymeuze bloeiwijze: Men maakt onderscheid tussen een 2 takkig bijscherm wat typisch is voor Caryophyllaceae en een 1 takkig bijscherm of schicht wat typisch is voor Boraginaceae.

Eutrophicatie
Het toevoegen van vele nutrienten zoals stikstof en fosfor
Gymnosperemen
Naaktzadigen, parafyletische groep: Alle groepen in zelke zaadplanten zijn die geen angiospermen zijn, Zaadplanten waarvan zaden niet zijn ingesloten in een vrucht
Angiospermen
Zaadplanten waarvan zaden zijn ingesloten in een vrucht
Bloemformule
Eerste teken geeft weer of de bloem spiraalsgewijs, straalsgewijs of tweezijdig symmetrisch is. Het 2e teken K geeft aan uit hoeveel kelkbladen de keltk bestaat en of ze vergroeid zijn. het 3de teken C doet hetzelfde maar voor kroonbladen. Het 2e en #e teken kan vervangen worden door een P (Peranthium) wanneer er geen kroon of kelk is maar enkel een bloemdek. De A staat voor hoeveel meeldraden er zijn en of ze vergroeid zijn of niet (oneindig betekend meer dan 12). De G toont aan uit hoeveel vergroeide vruchtbladen de stamper bestaat. Het superscript toont het aantal hokken in de stamper en het subscript hoeveel zaden per hok. Er zord ook een streepje onder, boven en onder of enkel boven toegevoegd aan de G om aan te tonen of het vruchtbeginsel Hypogynisch, peryginisch of epigynisch respecteivelijk is.

Plesiomorfe kenmerken
Kenmerken van primitievere taxa (kenmerken van voorouder van angiospermen) DIt zijn:

Apomorfe kenmerken
Afgeleide kenmerken, komen steeds meer voor hoe ‘nieuwer’de planten, deze zijn niet aanwezig in de voorouders. Dit zijn:

Monocotylen, verschillen met dicotylen
1 zaadlob tov 2 bij dicotylen. Dit is makkelijk te herkennen aan de kiemblaadjes, elk zaadlob word 1 kiemblad.
De nerven van de bladeren zijn parallel tov netvormig
Vasculaire bundels van monocotylen liggen niet in een ring duz ze kunne geen cambium aanmaken (hieruit komt secundaire diktegroei) dicotylen hebben dit wel.
Dicotylen hebben een dikkere penworten waaruit meerdere zijwortels kome.
Bloemdelen bij monocotylen zijn per 3 of 6, bij dicotylen zijn die per 4 of 5.

Levensvormen van Raunkiaer
Planten kunnen ingedeeld worden volgens hun levensvorm: waar zijn de overlevingstructuren welke de winter overleven en waaruit de plant in de lente kan verder groeien (de knoppen)
Fanerofyt
Levensvorm van Ruankiaer: houtige overblijvende plant zoals een boom of struik met de knoppen hoog boven het maaiveld
Chamaefyt
Levensvorm van Ruankiaer: Net als fanerofyt maar met de knoppen laag boven het maaiveld
Hemicryptofyt
Levensvorm van Ruankiaer: De knoppen bevinden zich net boven of net onder de grond, waardoor ze tijdens de winter beschermd zijn tegen de koude dankzij sneeuw of strooisellaag.
Cryptofyt of geofyt
Levensvorm van Ruankiaer: Enkel de ondergrondse delen overleven de winter, ondergrondse delen kunne een wortelstok of een bol zijn.
Helofyt
Levensvorm van Ruankiaer: De knoppen welke de winter overleven zitten net onder water, de rest van de plant niet
Hydrofyt
Levensvorm van Ruankiaer: Dit zijn waterplanten welke volledig ondergedoken zitten
Epyfyten
Levensvorm van Ruankiaer: Groeien op lovende planen
Therofyten
Levensvorm van Ruankiaer: Eenjarige plant welke de winter doorgaans niet overleeft, enkel de zaden overleven de winter
Successie
het ecologische process waarbij op éénzelfde plaats de habitat en soortensamenstelling over de tijd verandert. Deze verandering loopt van een kale bodem langs een pioniervegetatie op een kale bodem (met korstmossen) via verschillende tussenstadia (pioniersvegetatie met korstmossen en mossen => vegetatie met éénjarigen en enkele meerjarige kruiden en grassen => grasland => grasland met kleinere struikjes en struweel => pionierbos met berken en eiken tot een climaxvegetatie) Uiteraard zijn er factoren welke de successie een halt kunnen toeroepen of zelfs kunnen terugzetten naar een vorig stadium
Omgevingsfactoren die successie terugroepen
1.Droogte kan ervoor zorgen dat een pioniervegetatie langer standhoudt en een climaxvegetatie niet bereikt wordt
2.Klimaat: een goed voorbeeld is de arctische toendra waar een pioniervegetatie behouden blijft door de extreme koude en het weinige zonlicht
Verstoringine die successie kunnen terugroepen
1.Begrazing kan de successive terugzetten door het afgrazen van jonge boompjes. Dit terwijl grassen beter tegen begrazing bestand zijn
2.Maaien (= menselijke vervanging van begrazing)
3.Afbranden (vooral in heidegebieden gedaan om de heide open te houden van boompjes, gebeurd ook natuurlijk zoals in Australië)
4.Omwoelen/vertrappelen (door wilde dieren of door mens)
5.Hevige regenval of onweer, overstromingen, …
Autochorie
Verspreidingswijze waar de plant de zaden zelf verspreidt
Barochorie
Autochorie door middel van zwaartekracht: zware vruchten breken los van hun aanhechtingspunt aan de tak en vallen naar beneden, vaak word dit nog gecombineerd met een andere vorm van verspreiding
Ballochorie
Autochorie door middel vam Ballistische verspreiding: De zaden worden onder druk uit de vrucht geschoten. De druk wordt in de vrucht opgebouwd door water in de vrucht te blijven pompen totdat deze ‘explodeert’
Anemochorie
Autochorie door middel van wind: heel veel soorten hebben lichte vruchten met haartjes op welke genakkelijk door wind zeer ver kunne verspreid worden.
Hydrochorie
Autochorie door middel van water: Sommige soorten hebbe lichte, grotere zaden welke blijven drijven
Allochorie
De plant heeft hulp nodig bij het verspreiden van zaden
Endozoochorie
Vorm van allochorie en zoochorie waardbij de vruchten worden opgegeten door dieren die de zaden via hun uitwerpselen verspreiden. Sommige zaden kiemen niet eens tot ze in contact zijn gekomen met het maagzuur van een dier.
Epizoochorie
Vorm van allochorie en zoochorie waarbij de vruchten weerhaakjes hebben om in de vacht van dieren te blijven haken om zo ‘mee te liften’ met het dier.
Antropochorie
Nieuwe vorm van allochorie waarbij de plant ‘meelift’ met de mens of menselijk transport. Dit is relatief nieuw en niet ontstaan door coevolutie maar door toeval.
Anemofilie/ -gamie
Abiotische bestuiving door wind. 98% van abiotische bestuiving is door de wind.
Hydrofilie/ -gamie
Abiotische bestuiving door water, vooral voor waterplanten
Biotische bestuiving
Bestuiving met behulp van bestuivers
Entomofilie/ -gamie
Biotische bestuiving door insecten
Ornithofilie/ -gamie
Biotische bestuiving door vogels
Chiropterofilie/ -gamie
Biotische bestuiving door vleermuizen
Bestuivingsvormen
1 en 4 zijn kruisbestuiving: pollen van een plant komen in de stamper van een andere plant
2 is zelfbestuiving: pollen van een bloem komen op de stamper van dezelfde bloem
3 is buurbestuiving: Pollen van een bloem komen op de stamper van een andere bloem maar van dezelfde plant.

Autogamie
De bloem bevrucht zichzelf
Allogamie
De pollen van de bloem komen op de stamper van een andere
Cleistogame bloemen
Bloemen die gesloten blijven waardoor enkel autogamie kan gebeuren
Tweehuizige planten bestuiving
Verplichte kruisbestuiving gezien maar een geslacht voorkomt op de plant
Eenslachtige bloemen bestuiving
Verplicht kruisbestuiving of buurbestuiving gezien maar een geslacht voorkomt in de bloem
Autosteriele bloemen
Bloemen waarvan de pollen degenereren als ze op een stamper terecht komen met dezelfde genetische afkomst.
Dichogamie
Meeldraden en stamper van dezelfde bloem zijn op verschillende momenten fertiel
Hecogamie
Meeldraden en stamper van dezelfde bloem hebben verschillende lengte waardoor ze moeilijk in contact met elkaar kunne komen.
C3 fotosynthese planten
CO2 wordt direct gebonden door RuBisCO (= het enzyme dat de eerste stap van de fotosynthese doet) en geincorporeerd wordt in een koolwaterstof met 3 C’s
C4 fotosynthese
Omdat RuBisCO ook zuurstofgas kan binden naast CO2, is dit niet altijd even efficient waardoor de stomata (= huidmondjes, de openingen in de epidermis) lang moeten openstaan en er veel water van de plant verdampt. Om dit tegen te gaan gaat een ander enzyme (dat geen zuurstof bindt) eerst binden met CO2 en het incorporeren in een koolwaterstof met 4 C’s. Daarna wordt dit C4-molecule vervoerd naar cellen dieper in de plant waar geen gasuitwisseling is (en dus ook geen zuurstofgas). Hier wordt de C4-molecule terug omgezet naar CO2, en kan de aanwezige RuBisCO de eerste stap van de fotosynthese initialiseren. Omdat er extra stappen moeten gedaan wordt er wel extra energie verbruikt. C4 is dus minder efficiënt dan C3, maar verbruikt minder water.
CAM planten
Crassulacean acid metabolism -planten komen vooral voor op nog drogere habitats. Deze gaan CO2 binden tijdens de nacht in een C4-molecule. Tijdens de dag sluiten de stomata (zodat nog meer op water wordt bespaard) en wordt de C4-molecule in de cel terug omgezet naar CO2 en kan de fotosynthese beginnen. Het binden van CO2 en de uiteindelijke fotosynthese zijn dus gescheiden in tijd. Omdat enkel ‘s nachts CO2 kan opgenomen worden is dit nog minder efficiënt naar energie-aanmaak, maar wel het efficiëntst naar waterbesparing toe.
Veen/turf
door de hoge waterstand kan het afgestorven plantenmateriaal niet goed afbreken (want daar is veel zuurstof voor nodig) Het plantenmateriaal breekt dus zeer traag af onder deze hypoxische omstandigheden (i.p.v. snel afgebroken te worden naar CO2) en stapelt zich op.
een … bodem bestaat dus bijna volledig uit deels afgebroken plantenresten. Omdat het plantenmateriaal zeer traag afbreekt ontstaan er veel organische zuren, waardoor deze veenbodems naast zeer nat, ook zeer zuur worden
Gezien stikstof minder beschikbaar wordt naarmate de bodem zuurder wordt, is stikstof bijna altijd een limiterend element in venen.
Formule: niet in een stap maar veel tussenstappen, sommige organische moleculen worden snel afgebroken naar CO2 maar andere zeer traag, deze traag afbreekbare organische moleculen vormen de humus in de bodem.
Door de hypoxische omstandigheden in veenbodems zullen de organische zuren uit de tussenstappen, welke normaal gezien snel afbreken, ook zeer traag afbreken waardoor deze zich opstapelen (tussenstap formule)

Vegetatieve vermeerdering
De moederplant reproduceert via vegetatieve delen (wortelstok, uitlopers, bollen of knollen, …) Vele dochterplanten zijn eerst nog verbonden via deze vegetatieve delen met de moederplant, gedurende deze tijd krijgen ze nog nutrienten gegeven om snel te kunne groeien, na een tijd vergaat de link.
Apomixis
Asexuele reproductie via zaad dat niet bevrucht is. Er zijn vele manieren waarop dit kan gebeuren. Meestal gebeurt dit wanneer de moedercel van de vrouwelijke zaadcel geen meiose ondergaat en dus diploide blijft. deze kan niet bevrucht worden en groeit zelf uit tot een identiek individu als de moederplant.
Schijnvrucht
Ontstaan wanneer naast het vruchtbeginsel een ander deel van de plant (zoals de bloembodem) ook opzwelt en deel wordt van de vrucht. Bv de echte vruchten van de aardbij zijn de ‘pitjes’ als dopvruchtjes op de aardbij zelf, die gevormd is doordat de bloembodem opzwelt. De groene blaadjes zijn de kelkbladen van de oorspronkelijke bloem.
Samengestelde vrucht
Ontstaat uit meerdere vruchtbeginsels die samen een vrucht vormen.
Dit kunne meerdere vruchtbeginsels zijn uit eenzelfde bloem zoals de framboos, waar elke vruch een steenvrucht is en samen de framboos maakt. De groene blaadjes zijn de kelkbladen van de oorspronkelijke bloem
Dit kunnen ook meerdere vruchtbeginsels zijn van verschillende bloemen die vergroeien en samen een vrucht vormen zoals de ananas. De groene bladeren zijn dus de echt bladeren van de plant
dopvrucht - noot
Droge, eenzadige vrucht die niet openspringt bij rijpheid en waarvan de vruchtwand hard is.

Dopvrucht - samara
“gevleugelde noot”, droge vrucht met maar 1 zaad die niet openspringt maar een vleugel heeft om door de wind verspreid te worden

Graanvrucht
leerachtig pericarp, 1 zaad en vruchtwand, zaadhuid vergroeit (typische poaceae)

Doosvrucht
Droge vrucht, bestaat uit meerdere vruchtbladen, bij rijpheid springt open om zaden vrij te laten

Hauwtje
Droge vrucht waarbij zaden blijven zitten op een tussenschot (vrucht in twee hokjes verdeelt)
Enkel bij Brassicaceae: wanneer vrucht 3x zo lang als breed is noemt het een hauw.

Peul
enkel bij Fabiaceae, Droge vrucht, ontstaat uit een vruchtblad, bij rijpheid langs 2 naden openspringt, meerzadig (vast aan 1 naad) (peul: zaden vast aan een naad <=> hauwjte: zaden zitten op een tussenschot)

Kokervrucht
kom je niet vaak tegen, droge vruchten, ontstaan uit een vruchtblad, bij rijpheid springt open lans een naad, meerzadig

Splitvrucht
droge vrucht die bij rijpheid splijt in twee of meer eenzadige delen:
2-delig: typisch APiaceae
3-delig: typisch Euphorbiaceae
4-delig: typisch Lamiaceae
5-delig: typische Geraniaceae (niet te kenne en niet gezien famillie)
Bes
Vlezige vrucht die uit een vruchtblad ontstaat en meerdere zaden bevat
Pitvrucht
Centraal klokhuis met kleine zaadjes
Steenvrucht
Een vlezige vrucht met een hard pitje (steen) binnenin, het zaad zit in de pit
Schema herkenning vruchten
