1/64
In deze flashcards vindt u de woorden die aan bod kwamen in het stukje van Parles de ses atouts/défauts.
l’aisance
het gemak, de vlotheid
à l’aise
op het gemak
la confiance (en soi)
het (zelf)vertrouwen
le don
de gave, het talent
l’esprit d’équipe
de teamgeest
la gentillesse
de vriendelijkheid
la sensibilité
de gevoeligheid
la sincérité
de oprechtheid
la spontanéité
de spontaniteit
attentionné
attent, zorgzaam
confiant(e)
zelfverzekerd
débrouillard(e)
zelfredzaam
décontracté(e) / détendu(e)
ontspannen
discret / discrète
discreet
doué(e)
begaafd, talentvol
enthousiaste
enthousiast
mature
rijp, volwassen
modeste
bescheiden
arrogant / hautain
arrogant
sincère
eerlijk
sociable
sociaal
spontané(e)
spontaan
travailleur / travailleuse
ijverig, vlijtig, werklustig
paresseux
lui
faire face à
het hoofd bieden aan
se débrouiller
zich beredderen, zich behelpen
la distraction
de afleiding
distrait(e)
verstrooid
l’égoïsme
het egoïsme
contrariant(e)
tegendraads, frustrerend
égoïste
egoïstisch
généreux
vrijgevig
hypocrite
schijnheilig
indifférent(e)
onverschillig
sensible
gevoelig
têtu(e)
koppig
irriter
ergeren
se vanter de
opscheppen over, stoefen
avoir du mal à (+inf.)
moeite hebben (met/om te)
casser les oreilles à quelqu’un
iemand de oren van zijn lijf zagen, zeuren
le comportement
het gedrag
l’intolérance
de onverdraagzaamheid
tolérant
verdraagzaam
la timidité
de verlegenheid
la tolérance
de verdraagzaamheid
(dés)intéressé(e)
(on)geïnteresseerd
enrichissant(e)
verrijkend
fiable
betrouwbaar
orgueilleux / orgueilleuse
trots, fier
renfermé(e)
gesloten
reposant(e)
rustgevend
serviable
behulpzaam
timide
verlegen
le courage
de moed
peureux / lâche
angstig / laf
cesser de (+inf.)
stoppen, ophouden met
se comporter
zich gedragen
avoir l’air (+adj.)
er (+bn.) uitzien
avoir la tête en l’air
met je hoofd in de wolken lopen
être de bonne/mauvaise humeur
goedgezind/slechtgezind zijn
être très lié(e) (avec)
een goede band hebben (met)
faire confiance à quelqu’un
vertrouwen hebben in iemand
relever un défi
een uitdaging aangaan
s’entendre bien / mal (avec)
goed / slecht opschieten (met)
franchement
eerlijk gezegd