terras studeren

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/55

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:15 PM on 6/8/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

56 Terms

1
New cards

Wat bestudeert economie?

Hoe mensen omgaan met schaarse middelen om behoeften te bevredigen.

2
New cards

Wat is schaarste?

Beperkte middelen tegenover onbeperkte behoeften.

3
New cards

Wat zijn de 5 economische actoren?

Gezinnen, bedrijven, overheid, financiële instellingen en buitenland.

4
New cards

Wat is het BBP?

De totale waarde van alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.

5
New cards

Wat is economische groei?

Een stijging van de productie van goederen en diensten.

6
New cards

Wat is hoogconjunctuur?

Een periode van sterke economische groei.

7
New cards

Wat is laagconjunctuur?

Een periode van economische vertraging.

8
New cards

Wat is perfecte concurrentie?

Een markt met veel producenten, veel consumenten, homogene producten en vrije toe- en uittreding.

9
New cards

Wat zijn de 4 kenmerken van perfecte concurrentie?

Veel producenten, veel consumenten, homogene producten en vrije toe- en uittreding.

10
New cards

Wat betekent homogeen product?

Een product dat identiek of bijna identiek is aan dat van concurrenten.

11
New cards

Wat is een prijsnemer?

Iemand die de marktprijs moet aanvaarden.

12
New cards

Wat toont de vraagcurve?

Hoeveel consumenten willen kopen bij verschillende prijzen.

13
New cards

Waarom loopt de vraagcurve dalend?

Omdat consumenten meer kopen bij lagere prijzen.

14
New cards

Wat toont de aanbodcurve?

Hoeveel producenten willen verkopen bij verschillende prijzen.

15
New cards

Waarom loopt de aanbodcurve stijgend?

Omdat producenten meer willen verkopen bij hogere prijzen.

16
New cards

Wat is marktevenwicht?

Het punt waar vraag en aanbod elkaar snijden.

17
New cards

Wat is de evenwichtsprijs?

De prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn.

18
New cards

Wat is de evenwichtshoeveelheid?

De hoeveelheid die wordt verhandeld.

19
New cards

Wat is een vraagoverschot?

Meer vraag dan aanbod.

20
New cards

Wat is een aanbodoverschot?

Meer aanbod dan vraag.

21
New cards

Wat is een monopolie?

Een markt met één aanbieder.

22
New cards

Wat is een oligopolie?

Een markt met enkele grote aanbieders.

23
New cards

Wat is monopolistische concurrentie?

Veel aanbieders met verschillende producten.

24
New cards

Wat is marktfalen?

Wanneer de markt niet efficiënt werkt.

25
New cards

Wat zijn externaliteiten?

Gevolgen van productie of consumptie voor derden.

26
New cards

Wat is een positieve externaliteit?

Een voordeel voor derden.

27
New cards

Geef een voorbeeld van een positieve externaliteit.

Onderwijs.

28
New cards

Geef een tweede voorbeeld van een positieve externaliteit.

Vaccinaties.

29
New cards

Wat is een negatieve externaliteit?

Een nadeel voor derden.

30
New cards

Geef een voorbeeld van een negatieve externaliteit.

Luchtvervuiling.

31
New cards

Geef een tweede voorbeeld van een negatieve externaliteit.

Geluidsoverlast.

32
New cards

Wat zijn publieke goederen?

Goederen die niet-uitsluitbaar en niet-rivaliserend zijn.

33
New cards

Wat betekent niet-uitsluitbaar?

Niemand kan uitgesloten worden van gebruik.

34
New cards

Wat betekent niet-rivaliserend?

Gebruik door één persoon verhindert gebruik door anderen niet.

35
New cards

Geef een voorbeeld van een publiek goed.

Politie.

36
New cards

Geef een tweede voorbeeld van een publiek goed.

Defensie.

37
New cards

Geef een derde voorbeeld van een publiek goed.

Straatverlichting.

38
New cards

Wat is marktmacht?

De mogelijkheid van bedrijven om prijzen te beïnvloeden.

39
New cards

Wat is een subsidie?

Financiële steun van de overheid.

40
New cards

Waarom geeft de overheid subsidies?

Om gewenst gedrag te stimuleren.

41
New cards

Geef een voorbeeld van een subsidie.

Zonnepanelen.

42
New cards

Waarom heft de overheid belastingen?

Om ongewenst gedrag af te remmen.

43
New cards

Geef een voorbeeld van zo'n belasting.

Accijnzen op sigaretten.

44
New cards

Wat is reglementering?

Regels opgelegd door de overheid.

45
New cards

Wat is vrijhandel?

Handel zonder belemmeringen.

46
New cards

Geef een voordeel van vrijhandel.

Meer keuze.

47
New cards

Geef een tweede voordeel van vrijhandel.

Lagere prijzen.

48
New cards

Wat is protectionisme?

Bescherming van binnenlandse bedrijven.

49
New cards

Wat is een invoerrecht?

Een belasting op ingevoerde goederen.

50
New cards

Wat is een quota?

Een maximumhoeveelheid invoer.

51
New cards

Wat zijn technische handelsbelemmeringen?

Productnormen en regels voor invoer.

52
New cards

Wat zijn de vier vrijheden van de EU?

Vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal.

53
New cards

Wat is een douane-unie?

Geen invoerrechten tussen lidstaten en één buitentarief.

54
New cards

Wat is MERCOSUR?

Een economisch samenwerkingsverband in Zuid-Amerika.

55
New cards

Welke landen behoren tot MERCOSUR?

Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay.

56
New cards

Wat is het doel van MERCOSUR?

Meer handel en economische samenwerking.