1/56
Deze flashcards zijn bedoeld om belangrijke termen en definities van de Duitse geschiedenis in Europa tussen 1918 en 1991 te leren.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Duitse staatsinrichting
De organisatie en structuur van de regering van Duitsland.
Republiek van Weimar
De democratische regering in Duitsland tussen 1918 en 1933.
Koude Oorlog
Periode van politieke spanningen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie na de Tweede Wereldoorlog.
Totalitarisme
Een systeem waarin de staat totale controle heeft over het leven van de burgers.
Propaganda
Communicatie die probeert een bepaalde ideologie of mening te verspreiden.
NSDAP
De Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiderspartij, geleid door Adolf Hitler.
Eerste Wereldoorlog
Wereldwijde oorlog die duurde van 1914 tot 1918.
Neurenbergerwetten
Wetten die de Joden in nazi-Duitsland enorm discrimineerden.
Dawesplan
Een plan om Duitsland te helpen zijn herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog te beheren.
Berlijnse Muur
De muur die Berlijn in tweeën splitste van 1961 tot 1989.
Holocaust
De genocide van zes miljoen Joden door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Hereniging van Duitsland
De samenvoeging van Oost- en West-Duitsland in 1990.
Communisme
Een politieke ideologie die streeft naar een klassenloze samenleving.
Sovjet-Unie
Een staatsvorm die bestond uit verschillende communistische landen onder leiding van Rusland.
Ideologische blokken
De verdeling van de wereld in kapitalistische en communistische invloedssferen.
Genocide
Het opzettelijk en systematisch doden van een bepaalde etnische groep.
Politieke stabiliteit
Een situatie waarin de politiek binnen een land relatief rustig en voorspelbaar is.
Machtigingswet
Een wet die Hitler de bevoegdheid gaf om zonder parlementaire goedkeuring te regeren.
Volksgemeinschaft
Het idee van een raciaal homogene gemeenschap in het nationaal-socialisme.
Duitse bezetting van Nederland
Periode tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin Nederland bezet was door nazi-Duitsland.
Atoomoorlog
Een oorlog waarin atoomwapens worden gebruikt.
Duitse ontwikkeling na 1945
De wederopbouw en herstructurering van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog.
Economische crisis
Periode van sterke economische neergang, vaak gepaard met hoge werkloosheid.
Hyperinflatie
Een extreem hoge inflatie die leidt tot een ernstige waardevermindering van geld.
De Dolkstootlegende
De mythe dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog niet op het slagveld, maar door verraders thuis verloor.
Duitse imperialisme
De uitbreidingspolitiek van Duitsland vóór en tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Lebensraum
Het idee dat Duitsland meer leefruimte nodig had voor haar bevolking.
Rijksdagbrand
De brand in het Duitse parlement in 1933 die leidde tot meer macht voor Hitler.
Hochverrat
Verraad of verraad aan de staat, vaak gebruikt in politieke context.
Verdrag van Versailles
Het verdrag dat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd ondertekend.
Arisch ras
Een concept in de nazi-ideologie dat een 'superieur' ras beschrijft.
Duitse Democratische Republiek
Oost-Duitsland tussen 1949 en 1990.
Bondsrepubliek Duitsland
West-Duitsland, opgericht na de Tweede Wereldoorlog.
Wirtschaftswunder
De periode van economische wederopbouw en -groei in West-Duitsland na de Tweede Wereldoorlog.
Berlijnse Blokkade
De afsluiting van West-Berlijn door Sovjet-autoriteiten in 1948-1949.
European Economic Community (EEC)
Een economische unie van Europese landen, opgericht in 1957.
Cold War
Koude Oorlog, periode van verschillende conflicten tussen de VS en de SU.
Ideologische strijd
Het conflict tussen verschillende ideologieën zoals kapitalisme en communisme.
Oostblok
De communistische landen onder invloed van de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog.
Westblok
De kapitalistische landen, geleid door de Verenigde Staten, tijdens de Koude Oorlog.
Duitse Eenwording
Het proces van hereniging van Oost- en West-Duitsland.
Stasi
De geheime politie van de DDR die de bevolking in de gaten hield.
Volksopstand
Een massale en georganiseerde protestbeweging van het volk.
Militarisme
De overtuiging dat een land zijn militaire macht moet uitbreiden of gebruiken.
Imperialisme
De politiek van landen om hun invloed uit te breiden door middel van koloniën.
Atoomschepen
Schepen uitgerust met atoomwapens.
Alliantie
Een verbond of samenwerking tussen landen.
Triple Alliantie
Een militaire alliantie tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië.
Triple Entente
Een alliantie tussen Frankrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk.
Extractivisme
De economische praktijk van het extraheren van grondstoffen.
Propagandacampagne
Een gecoördineerde inspanning om specifieke informatie bekend te maken ter beïnvloeding.
Nationale sociale instituties
Organisaties die het welzijn van de bevolking bevorderen.
Democratische waarden
De principes van democratie zoals gelijkheid en vrijheid.
Kolonisatie
Het proces van het vestigen van controle over een gebied door een ander land.
Socialisme
Een politieke en economische theorie die publieke en collectieve eigendom benadrukt.
Nazi-idelogie
Het politieke en sociale systeem gedreven door racistische en autoritaire principes.
Fascisme
Een extreem nationalistische en autoritaire politieke ideologie.