Week 1 HC 1. Inleiding Regulatie en Integratie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/145

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:38 PM on 5/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

146 Terms

1
New cards

Wat is homeostase?

De capaciteit van het lichaam om vitale parameters afhankelijk en onafhankelijk van elkaar te regelen om een evenwichtssituatie te handhaven.

2
New cards

Wat is het verband tussen het aantal regelkringen en een specifieke parameter?

De directe relatie met het vitale belang van die parameter.

3
New cards

Wat is de energetische voorwaarde voor het in stand houden van de homeostase?

Het kost energie.

4
New cards

Welke regel geldt er wanneer verschillende regelsystemen tegenstrijdige belangen hebben?

De wet van de sterkste (hiërarchie en competitie).

5
New cards

Hoe wordt het vermogen van het lichaam genoemd om aan omstandigheden te wennen?

Adaptatie.

6
New cards

Wat is het energetische voordeel van een terugkerende prikkel voor het lichaam?

Het lichaam hoeft de respons niet opnieuw te starten, wat energie bespaart.

7
New cards

Hoe luidt de definitie van regelsystemen binnen deze context?

De bestudering van de relatie tussen input en output.

8
New cards

Wat is het belangrijkste kenmerk van een open regelsysteem?

Er is geen fysieke relatie tussen de ingang en de uitgang (geen terugkoppeling).

9
New cards

Welke mathematische formule beschrijft het verband tussen input en output in een open systeem?

  • Lineair verband tussen input (X) en output (Y), beschreven als Y = A * X (waarbij A de versterkingsfactor is).

10
New cards

Wat is de waarde van de versterkingsfactor bij de vulling en output van het hart?

1.

11
New cards

Hoe groot is de versterkingsfactor bij de vorming van urine uit filtraat in de nier?

1/120.

12
New cards

Wat is het onderscheidende kenmerk van een gesloten regelsysteem ten opzichte van een open systeem?

De omvang van het uitgangssignaal wordt teruggemeld om het ingangssignaal aan te passen.

13
New cards

Welk onderdeel van het regelsysteem is verantwoordelijk voor het waarnemen van de input?

De sensor.

14
New cards

Welke structuur fungeert als voorbeeld voor een sensor bij de regulatie van de bloeddruk?

Een baroreceptor.

15
New cards

Wat is de functie van de comparator in een regelsysteem?

Het vergelijken van het inkomende signaal met een referentiewaarde.

16
New cards

Waar vindt de vergelijking tussen het signaal en de referentiewaarde meestal plaats?

In de hersenen.

17
New cards

Wat is de rol van de effector in een gesloten regelsysteem?

Het ontvangen van een signaal en het uitsturen van een outputsignaal.

18
New cards

Welke organen treden op als effectoren bij de regulatie van de bloeddruk?

Het hart, de nieren en de bloedvaten.

19
New cards

Hoe reageert een systeem met negatieve terugkoppeling wanneer het uitgangssignaal te hoog is?

Het systeem wordt aangezet om de output te verlagen.

20
New cards

Wat gebeurt er binnen een negatief feedbackmechanisme wanneer de outputwaarde onder de referentiewaarde daalt?

De negatieve feedback valt weg en het systeem verhoogt de output.

21
New cards

Rond welke waarde schommelt de bloedglucoseconcentratie bij de mens?

Vijf millimol per liter.

22
New cards

Waarom is een constante variatie rond de referentiewaarde essentieel voor de overleving?

Het handhaven van een exact vaste waarde kost te veel energie en zou fysieke inspanning onmogelijk maken.

23
New cards

Wat is het werkingsmechanisme van positieve terugkoppeling?

Het systeem versterkt zichzelf, waarbij een toename van de output leidt tot een nog hogere output.

24
New cards

Welke drie fysiologische processen zijn voorbeelden van positieve feedback?

Bloedstolling, het ontstaan van een actiepotentiaal en de oestrogeenpiek.

25
New cards

Waaruit bestaan de fysieke verbindingen tussen de verschillende onderdelen van een regelsysteem?

Neuronale of hormonale signalen.

26
New cards

Hoe gaat het lichaam doorgaans om met verstoringen door externe factoren?

Deze kan het lichaam vaak goed oplossen.

27
New cards

Wat is het gevolg van een defect in een effectororgaan?
En wat is erger defect in effector of in sensor?

Vaak geen ernstig effect, omdat compensatie door andere effectoren mogelijk is.
In sensor

28
New cards

Wat is een voorbeld van disregulatie van een regelsysteem?

Cheyne-Stokes ademhaling en herseninfarct

29
New cards

Wat is de eerste stap in het proces van een Cheyne-Stokes ademhaling?

De ademhaling begint pas zeer laat, wanneer de CO2-spanning al erg hoog is.

30
New cards

Welke reactie volgt er bij Cheyne-Stokes ademhaling op de hoge CO2-spanning?

De persoon gaat zeer snel ademhalen (hyperventilatie).

31
New cards

Wat is het directe gevolg van de hyperventilatie-fase bij deze specifieke ademhalingsstoornis?

De CO2-spanning daalt zeer sterk.

32
New cards

Wat gebeurt er met de ademhaling nadat de CO2-spanning sterk is gedaald?

De ademhaling stopt (apneu).

33
New cards

Wat is de onderliggende oorzaak van de ontregeling bij Cheyne-Stokes ademhaling?

Vertraging over de zenuwen waardoor de sensor en effector slecht zijn afgestemd.

34
New cards

Wat gebeurt er in het autonome zenuwstelsel direct na een herseninfarct?

Er ontstaan momenten van koppeling en ontkoppeling.

35
New cards

Welke specifieke sensoren kunnen aangetast worden door een herseninfarct?

Baroreceptoren.

36
New cards

Wat is het gevolg van een herseninfarct?

De bloeddruk reageert niet meer adequaat op veranderingen in de hartfrequentie. Er ontstaat hoge en lage bloeddruk

37
New cards

Uit welke drie onderdelen bestaat het autonome zenuwstelsel?

Het parasympathische, orthosympathische en enterische zenuwstelsel.

38
New cards

Wat zijn de bronnen van het hormonale systeem?

Klieren en weefsels.

39
New cards

Hoe verschilt de snelheid van het effect tussen het autonome zenuwstelsel en het hormonale systeem?

Het autonome systeem werkt snel (korte halfwaardetijd), terwijl het hormonale systeem traag werkt (minuten tot dagen).

40
New cards

Wat is het verschil in het aantal type signaalstoffen tussen beide systemen?

Het autonome systeem heeft relatief weinig verschillende transmitters

41
New cards

Hoe vindt het transport van signalen plaats in het autonome zenuwstelsel vergeleken met het hormonale systeem?

In het autonome systeem vooral elektrisch, in het hormonale systeem via het bloed.

42
New cards

Wat is het verschil in bereik (specificiteit) tussen neuronale signalen en hormonen?

Het autonome systeem is weefselspecifiek, terwijl hormonen alle cellen met de juiste receptor beïnvloeden.

43
New cards

Welke overeenkomst hebben beide informatiesystemen?

  1. Beide werken met receptoren.

  2. Cellen kunnen zowel hormonen als neurotransmitters produceren.

  3. Peptiden die voorheen als hormoon bekend stonden, kunnen ook neurotransmitter zijn.

  4. Beide integreren cellen, weefsels en organen.

  5. Zowel neuronen als endocriene cellen kunnen hun product afgeven aan het bloed.

  6. Eén gen kan coderen voor zowel een hormoon als een neurotransmitter.

44
New cards

Wat is een overeenkomst tussen cellen wat betreft de productie van signaalstoffen?

Cellen kunnen zowel hormonen als neurotransmitters produceren.

45
New cards

Welke eigenschap van peptiden toont de overlap tussen beide systemen aan?

Peptiden kunnen zowel als hormoon als neurotransmitter fungeren.

46
New cards

Wat is de gezamenlijke functie van beide systemen op het niveau van het organisme?

Ze integreren cellen, weefsels en organen.

47
New cards

Welke gedeelde afgifte-eigenschap hebben neuronen en endocriene cellen?

Beiden kunnen hun product afgeven aan het bloed.

48
New cards

Wat is de genetische overeenkomst tussen hormonen en neurotransmitters?

Eén gen kan coderen voor beide typen stoffen.

49
New cards

Wat is tonus van het autonome zenuwstelsel?

De constante activiteit van beide ZS

50
New cards

Welk systeem is dominant tijdens rust en op welk type metabolisme is de homeostase dan gericht?

Het parasympathische systeem, gericht op anabole processen.

51
New cards

Met welk ander zenuwstelsel is het autonome zenuwstelsel verbonden?

Het somatische zenuwstelsel.

52
New cards

Hoe heten de zenuwvezels die naar het centraal zenuwstelsel toe lopen?

Afferente vezels (viscerosensibel).

53
New cards

Hoe heten de zenuwvezels die van het centraal zenuwstelsel af bewegen?

Efferente vezels (visceromotorisch).

54
New cards

Wat zijn de drie stappen in de overschakeling van een autonoom neuron?

Ontstaan als preganglionair neuron, overschakeling in een ganglion, en vervolg als postganglionair neuron naar het doelorgaan.

55
New cards

Wat is de primaire en secundaire locatie van ganglia voor het orthosympathische systeem?

Primair de hypothalamus, secundair de zijhoorn van het ruggenmerg.

56
New cards

Tussen welke wervelniveaus ontspringen de preganglionaire neuronen van het orthosympathische systeem?

Th1 tot en met L3.

57
New cards

Op welke twee plekken kan de overschakeling van de orthosympathicus plaatsvinden?

In pre- of paravertebrale ganglia (paravertebraal = de grensstreng, prevertebraal = ganglia in bijv. buikholte).

58
New cards

Waar liggen de tertiaire ganglia van het orthosympathische systeem?

Paravertebraal, prevertebraal of in het bijniermerg.

59
New cards

Waarom zijn de postganglionaire vezels van het sympathische systeem relatief lang?

Omdat het ganglion ver van het doelorgaan ligt.

60
New cards

Wat zijn de primaire en secundaire locaties van de parasympathische ganglia?

Primair de hypothalamus, secundair de hersenstam en het sacrale ruggenmerg.

61
New cards

Welke hersenzenuwen bevatten parasympathische vezels?

III, VII, IX en vooral X.

62
New cards

Waar vindt de overschakeling plaats bij het parasympathische zenuwstelsel?

In een tertiair ganglion dichtbij of in het doelorgaan.

63
New cards

Hoe verhouden de lengtes van de pre- en postganglionaire neuronen zich bij de parasympathicus?

De preganglionaire neuronen zijn lang, de postganglionaire neuronen zijn kort.

64
New cards

Uit welke twee kiembladen ontstaat de bijnier en welk deel hoort bij welk blad?

Het neurale blad vormt het merg, het epitheliale blad vormt de cortex.

65
New cards

Als welk onderdeel van het orthosympathische systeem fungeert het bijniermerg?

Als één groot tertiair ganglion.

66
New cards

Welk proces vindt plaats wanneer ruggenmergzenuwen in het bijniermerg aankomen?

De cellen worden geactiveerd om adrenaline aan te maken.

67
New cards

Wat is de route en het bereik van adrenaline nadat het is geproduceerd in het bijniermerg?

Het komt vrij in het bloed en heeft op veel plekken effect.

68
New cards

Welke algemene fysiologische effecten heeft het sympathische zenuwstelsel?

Katabole en exciterende processen.

69
New cards

Welke algemene fysiologische effecten heeft het parasympathische zenuwstelsel?

Energieopslag, anabole en inhiberende effecten.

70
New cards

Welk type receptor bevindt zich op alle preganglionaire neuronen?

Nicotine cholinerge receptoren (N2).

71
New cards

Tot welke functionele klasse behoren de N2-receptoren?

Ionkanalen (ligand-gated).

72
New cards

Welke signaalstof wordt gebruikt bij de overdracht in de autonome ganglia?

Acetylcholine.

73
New cards

Welke receptorklasse bevindt zich op de doelorgaan-overgang van de sympathicus?

Adrenerge receptoren (alfa en bèta subtypen).

74
New cards

Tot welk type receptoren behoren de adrenerge en muscarinerge receptoren?

G-eiwit gebonden receptoren.

75
New cards

Voor welke signaalstoffen zijn adrenerge receptoren specifiek?

Adrenaline en noradrenaline.

76
New cards

Welk verschil in gevoeligheid bestaat er tussen alfa- en bèta-adrenerge receptoren?

Alfa is gevoeliger voor noradrenaline, bèta is gevoeliger voor adrenaline.

77
New cards

Welke receptoren bevinden zich op de doelorgaan-overgang van de parasympathicus?

Muscarinereceptoren (M1 t/m M5).

78
New cards

Welke signaalstof bindt aan de muscarinereceptoren?

Acetylcholine.

79
New cards

Welke 'second messengers' voor de receptoren

Muscarinerg

Ach

G-proteïne

IP3 en DAG

α1-adrenerg

NA>A

G-proteïne

IP3 en DAG

α2-adrenerg

NA>A

G-proteïne

cAMP 

β1-adrenerg

A>NA

G-proteïne

cAMP ↑

β2-adrenerg

A>NA

G-proteïne

cAMP ↑

β3-adrenerg

A>NA

G-proteïne

cAMP ↑

80
New cards

Wat is het effect van alfa2-adrenerge stimulatie op de intracellulaire concentratie van cAMP?

Een daling van cAMP.

81
New cards

Wat is het effect van stimulatie van alle bèta-adrenerge receptoren op cAMP?

Een stijging van cAMP.

82
New cards

Bij welk letselniveau van een dwarslaesie kan autonome dysreflexie optreden?

Bij een laesie hoger dan Th4-Th6.

83
New cards

Wat is de aanleiding voor de afferente signalen die de dysreflexie uitlokken?

Pijnprikkels, zoals een volle blaas.

84
New cards

Wat is de oorzaak van het gebrek aan controle bij autonome dysreflexie?

De verbinding met het controlecentrum in de medulla is verbroken.

85
New cards

Wat gebeurt er reflexmatig met de bloedvaten onder het niveau van de laesie?

Ze vernauwen (vasoconstrictie) oiv het sympathische ZS

86
New cards

Wat is het directe gevolg voor de vitale parameters door de ongecontroleerde vasoconstrictie?

De bloeddruk neemt sterk toe.

87
New cards

Hoe reageert het lichaam boven het niveau van de laesie op de hoge bloeddruk?

Met parasympatische stimulatie (via baroreceptoren).

88
New cards

Welke symptomen treden op boven het niveau van de laesie bij autonome dysreflexie?

Hevige hoofdpijn, bradycardie, transpireren, verstopte neus, vlekken voor de ogen, beklemd gevoel en roodheid.

89
New cards

Hoe ziet de huid eruit onder het niveau van de laesie tijdens een aanval?

Bleek en koud.

90
New cards

Welke ernstige complicaties kunnen ontstaan door de acute bloeddrukstijging bij dysreflexie?

Een CVA (beroerte) of hartinfarct.

91
New cards

Wat is de definitie van hormonen?

Stoffen die worden afgegeven aan het bloed en invloed uitoefenen op cellen in doelwitorganen.

92
New cards

Waarop richt de klassieke endocrinologie zich?

Endocriene klieren.

93
New cards

Wat zijn voorbeelden van hormonen die door specifieke weefsels (weefselhormonen) worden afgegeven?

Cholecystokinine, renine en gastrine.

94
New cards

Door welke cellen worden neurohormonen geproduceerd en waar gebeurt dit?

Door neurosecretoire cellen in de hypothalamus.

95
New cards

Wat is het functionele verschil tussen een neurohormoon en een neurotransmitter?

Neurohormonen hebben effect op weefsels ver van de hersenen.

96
New cards

Uit welke twee aminozuren worden amine-hormonen opgebouwd?

Tryptofaan en tyrosine.

97
New cards

Welke hormonen vallen onder de amine-hormonen?

Catecholamines en schildklierhormonen (T3 en T4).

98
New cards

Wat is de bouwsteen van steroïdhormonen?

Cholesterol.

99
New cards

Noem drie voorbeelden van steroïdhormonen.

Oestrogenen, testosteron en cortisol.

100
New cards

Welke drie hormonen zijn voorbeelden van peptiden en proteïnen?

Insuline, LH en FSH.