1/25
Deze flashcards behandelen de basisconcepten van geld, bankwezen, geldfuncties, waardebepalingen en de processen van geldschepping op basis van de collegedictaten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Geld
Een wettig betaalmiddel dat ongedifferentieerde koopkracht bezit.
Koopkracht
Het aantal goederen dat je met de munteenheid kan kopen.
Ruilmiddel
Een hoofdfunctie van geld waarbij het wordt gebruikt om de directe ruil (goed tegen goed) te vervangen door indirecte ruil (goed-geld-goed).
Rekeneenheid
Geld dat wordt gebruikt om de waarde van goederen en diensten aan te geven; het doet dienst als waardemaatstaf.
Oppotmiddel
Geld dat wordt gebruikt om koopkracht in voorraad te houden, zoals wanneer iemand SRD 100 onder een matras bewaart.
Chartaal geld
Stoffelijk geld dat bestaat uit munten en bankbiljetten.
Giraal geld
Onstoffelijk geld dat bestaat uit alle direct opvraagbare tegoeden van het publiek bij geldscheppende instellingen op een girorekening.
Centrale Bank van Suriname (CBVS)
Samen met het Ministerie van Financiën de monetaire autoriteit die verantwoordelijk is voor bankbiljetten.
Geldscheppende instellingen
Instanties zoals de Overheid (Ministerie van Financiën), de Centrale Bank van Suriname en Algemene banken (primaire banken) die giraal geld kunnen creëren.
Primaire banken
Algemene banken zoals DSB, VCB, Hakrinbank en Finabank die giraal geld kunnen scheppen en de geldhoeveelheid beïnvloeden.
Secundaire banken
Banken die geen geld kunnen scheppen, zoals de Hypotheekbank en de Nationale Ontwikkelingsbank (NOB).
Maatschappelijke geldhoeveelheid (M1)
De som van al het chartale en girale geld dat in handen is van het publiek.
Het publiek
Een ieder of elke instelling die niet in staat is om M1 te beïnvloeden of niet behoort tot de geldscheppende instellingen.
Nominale waarde
De waarde die op het geld gedrukt staat.
Intrinsieke waarde
De waarde van het materiaal waarvan het geld is gemaakt (materiaalwaarde).
Volwaardig geld
Geld waarbij de intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde, zoals gouden en zilveren munten.
Tekengeld
Geld waarvan de intrinsieke waarde kleiner is dan de nominale waarde, zoals papiergeld (SRD, US\text{ }\textdollar, \text{\texteuro}).
Fiduciair geld
Geld waarvan het gebruik berust op vertrouwen en dat door een ieder wettelijk wordt geaccepteerd.
Interne waarde
De koopkracht van geld in het land zelf, gemeten met het prijspeil (RLI).
Externe waarde
De koopkracht van het geld in het buitenland, gemeten met de wisselkoers.
Secundaire liquiditeiten (Byna-geld)
Tegoeden van het publiek bij algemene banken die op korte termijn (<1 jaar) zonder koers- of renteverlies in geld kunnen worden omgezet.
Tertiaire liquiditeiten (Niet-geld)
Tegoeden op lange termijn (>1 jaar) bij een geldscheppende instelling of onroerende goederen.
Geldtransformatie
Een vorm van geldschepping of vernietiging waarbij geld wordt omgezet in niet-geld of omgekeerd; de M1 stijgt of daalt hierbij.
Geldsubstitutie (Formele geldschepping)
Het omzetten van de ene geldsoort in een andere (bijv. chartaal naar giraal), waarbij M1 constant blijft maar de samenstelling verandert.
Wedersydse schuldaanvaarding
Geldschepping door kredietverlening waarbij de bank het geleende bedrag op de girorekening van de cliënt stort.
Geldvernietiging
Wanneer geld wordt omgezet naar niet-geld, waardoor de M1 daalt (bijv. door storting op een langetermijndeposito).