1/696
H2 gedaan
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
biologische antropologie
de natuurwetenschappelijke studie van de mens vanuit evolutionair oogpunt
= fysiologische antropologie
= fysieke antro
Ernst Mayr
De vijf onderdelen van het Darwiniaans model ter verklaring van de evolutie van het leven op aarde!
evolutie
gemeenschappelijke afstamming
vermenigvuldiging van de soorten
gradualisme
natuurlijke selectie
Carolus Linnaeus
Zijn classificatiesysteem (een eeuw voor Darwin) helpt bij herkennen van patronen
‘Systema Naturae’!
Sommige soorten zijn nauwer aan elkaar verwant dan andere soorten
taxonomie
Thomas Malthus
verwierp ‘kap’ model vd bevolgroei en de eruit vloeiende schaarse middelen
Wallace
een Britse natuuronderzoeker en antropoloog die onafhankelijk van Charles Darwin de evolutietheorie door natuurlijke selectie ontwikkelde
koude-adaptatie
= ook wel koudewenning of koude-acclimatisatie genoemd, is het proces waarbij het menselijk lichaam zich fysiologisch aanpast aan een koude omgeving, waardoor de negatieve effecten van kou afnemen en het comfort in de kou toeneemt
systema naturae
= een van de invloedrijkste wetenschappelijke werken uit de geschiedenis, in 1735 gepubliceerd door de Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus.
Het boek introduceerde een gestructureerde indeling (taxonomie) voor planten, dieren en mineralen, en legde de basis voor de moderne binomiale nomenclatuur
reis met The Beagle
verwijst naar de historische vijfjarige wetenschappelijke expeditie (1831-1836) waarop Charles Darwin als natuuronderzoeker meevoer
blind watchmaker
= stel loopt op straat en vind horloge → niem zal over twijfelen dat is gemaakt dr horloge maker
uniformisme
= Het houdt in dat de geologische processen die we vandaag de dag waarnemen – zoals erosie, sedimentatie en vulkanisme – ook in het verleden op dezelfde manier en met dezelfde intensiteit hebben gewerkt
taxon
= een aanduiding voor een specifieke groep van organismen die binnen de biologie als een afzonderlijke eenheid wordt beschouwd
wetenschappelijke methode
= een systematische, stap-voor-stap aanpak die wetenschappers gebruiken om kennis te vergaren, verschijnselen te verklaren en objectieve antwoorden te vinden op onderzoeksvragen
bevolking
= het totaal aantal mensen dat in een bepaald geografisch gebied, zoals een land, regio of gemeente, woont
paradigma
= een samenhangend stelsel van modellen, theorieën en opvattingen dat fungeert als een denkkader of "bril" waarmee men de werkelijkheid observeert, interpreteert en ordent
observatie
het bewust en gericht waarnemen van gedrag, situaties of verschijnselen, vaak gevolgd door het vastleggen van deze bevindingen
mutatie
= Een willekeurige verandering in een gen of chromosoom, waardoor een nieuwe eigenschap ontstaat die voordelig, schadelijk of neutraal kan zijn in zijn effecten op het organisme
intelligent ontwerp
= de opvatting dat bepaalde kenmerken van het universum en levende wezens zó complex zijn dat ze het best verklaard kunnen worden door een intelligente oorzaak, in plaats van door ongeleide natuurlijke processen zoals evolutie
onveranderlijkheid
= de eigenschap dat iets of iemand niet verandert, gelijk blijft of niet aan verandering onderhevig is
zelfcorrectie
= het uit eigen beweging verbeteren van een fout of een eerdere uitspraak
wetenschap
= het systematisch en methodisch vergaren van verifieerbare kennis over de werkelijkheid
hypothese
= Testbare uitspraken die mogelijk specifieke fenomenen in de natuurlijke wereld verklaren
falsifieerbaar
= een theorie, stelling of hypothese op basis van waarnemingen of experimenten als onjuist kan worden aangetoond
experiment
= een zorgvuldig opgezette proef of test om een hypothese te toetsen, een theorie te bewijzen of de effecten van iets te onderzoeken
deductie
= logische redeneermethode waarbij je vanuit algemene stellingen of theorieën (algemeen) tot een specifieke conclusie (bijzonder) komt
data
= Bewijs verzameld om wetenschappelijke onderzoeksvragen te helpen beantwoorden, problemen op te lossen en lacunes in wetenschappelijke kennis op te vullen
The Scopes Trial
Proces tegen de leerkracht John Scopes, die de evolutietheorie onderrichtte
catastrofisme
= Theorie dat er meerdere creaties zijn geweest afgewisseld door grote natuurrampen zoals de overstroming van Noach
biogeografie
= de wetenschap die de ruimtelijke verspreiding van levende organismen (planten, dieren en ecosystemen) op aarde bestudeert, zowel in het heden als in het verleden
nomenclatuur
= een stelsel van vaste regels of een gestructureerde lijst die bepaalt hoe zaken binnen een vakgebied worden benoemd
adaptieve radiatie
= De diversificatie van een voorouderlijke groep organismen in nieuwe vormen die zijn aangepast aan specifieke omgevingsniches
C. Van Schaik
= is een vooraanstaande Nederlandse primatoloog, gedragsbioloog en hoogleraar die een cruciale rol speelt in de biologische antropologie. Zijn werk richt zich op de evolutionaire oorsprong van menselijk gedrag door middel van vergelijkend onderzoek naar primaten en vroege menselijke populaties
Robin Dunbar
Britse antropoloog en evolutiebioloog die vooral bekend is door het introduceren van het "getal van Dunbar" in de jaren 90. Hij stelt dat er een cognitieve grens is aan het aantal mensen (ongeveer 150) waarmee een individu een stabiele, betekenisvolle sociale relatie kan onderhouden
Frans De Waal
= Hij is van betekenis vanwege zijn grensverleggende onderzoek naar het gedrag van apen (chimpansees en bonobo's), waarmee hij aantoonde dat sociaal gedrag zoals empathie, conflictbeheersing en empathie niet uniek menselijk zijn, maar diep geworteld in de evolutie
Robert Sapolsky
= vooraanstaand Amerikaans neurobioloog en primatoloog
Hij staat bekend om zijn theorie dat menselijk gedrag volledig wordt bepaald door biologie, hormonen en omgevingsfactoren, waardoor hij de vrije wil als een illusie beschouwt
Diane Fossey
= pionier in primatologie (Gorillas)
Jane Goodall
= pionier in primatologie (Chimps in het GOMBE instituut)
moderne synthese
= Evolutionaire synthese of neo-darwinisme
= Een verenigde evolutietheorie die genetica combineert met natuurlijke selectie. Dit is nog steeds de dominante stroming binnen de evolutiebiologie.
primaten
= Een groep zoogdieren die complex gedrag vertoont, verschillende vormen van voortbeweging kent (suspentie, clambering, knuckle-walking, bipedalisme) en een unieke reeks eigenschappen, waaronder grote hersenen, naar voren gerichte ogen, vingernagels (in plaats van klauwen) en verminderde prograthie (dit wil zeggen het verdwijnen van een snuit, en sterk naar voren gerichte onderkaak).
hominine
= Mensen en mensachtige voorouders
evolutie
= de geleidelijke verandering en ontwikkeling van levensvormen (soorten) over vele generaties, voornamelijk aangedreven door natuurlijke selectie
bio-archeologie
= de wetenschappelijke studie van biologische resten op archeologische vindplaatsen om het leven van mensen in het verleden te reconstrueren
cultureel, linguistisch, archeologie, biologische
‘4-field approach’ (4)
toegepaste
5e soort antropologie
bioculturele antropologie
= biologie produceert cultuur, maar cultuur kan biologie beïnvloeden
complexe wisselwerking tussen de biologische eigenschappen en de culturele omgeving van mensen bestudeert
cultuur
= som van de aangeleerde tradities van een groep mensen
culturele antro
(‘4 field approach’)
studie van menselijke samenleving
vooral in cross-culturele context
etnologie (= analyse om patronen en verschillen tussen culturen te begrijpen)
nu levende jager-verzamelaars ook mee geëvolueerd (bv gebruik van geweld)
etnografie (= gedetailleerd, kwalitatieve beschrijving en studie van 1 specifieke cultuur via deelname en observatie)
etnologie
= analyse om patronen en verschillen tussen culturen te begrijpen
nu levende jager-verzamelaars ook mee geëvolueerd (bv gebruik van geweld)
etnografie
= gedetailleerd, kwal besch en studie van 1 spec cul via deelname en observatie
linguistische
(‘4 field approach’)
= studie v (on)geschreven taal, ges en gebrk in culturen
= leert ons hoe taal ontwikkelde
archeologie
(‘4 field approach’)
artefacten (stenen vuistbeelden, zwaard,…)
materiële cultr (grotschilderingen, SMAK, AI,…)
= wat de mens heeft nagelaten
artefacten
stenen vuistbeelden, zwaard,…
Materiële cultuur
grotschilderingen, SMAK, AI,…
cognitieve psychologie
dingen terug vinden, zegt iets over cogntv capaciteit die maker had
biologische antropologie
= elke wetenschapper die de menselijke soort vanuit evolutionair perspectief bestudeert
paleo, skeletale, paleopatho, prima, menselijke, forensische
biologische antropologie (6)
paleoantropologie
(srt bio antro)
= De studie van de fossiele overblijfselen van voorouderlijke mensachtigen en hun naaste verwanten (primaten).
• Onderzoek begint met veldwerk.
• Studie gebeurt in musea en universitaire labo’s
skeletale biologie
(srt bio antro)
= De studie van het menselijke skelet en de patronen en processen van menselijke groei, fysiologie en ontwikkeling
antropometrici
= Eerste generatie van biologische antropologen.
Metingen van het menselijk lich
osteologie
studie van het skelet
paleopathologie
(srt bio antro)
Ziekten in oude menselijke populaties (bacteriën en virussen)
Menselijke resten in archeologische context
Bv: sporen van infecties op botten en schedels
= de wetenschappelijke studie van oude ziekten en fysieke aandoeningen bij mensen en dieren, gebaseerd op onderzoek van fossiele resten, skeletten en mummies
bioarcheologie
= effecten van trauma, epidemien, voedingstekorten en infectie ziekten bestuderen
forensische antropologie
(srt bio antro)
Menselijke overblijfselen in legale (forensische) context!
Oorlogsmisdrijven (genocide)
Moord: Doodsoorzaak en sporenonderzoek (DNA-revolutie in forensische context).
Verkrachting (‘rape kit’
= studie v identificatie v skeletresten en van de wijze waarop een ind stierf
primatologie
Niet-menselijke primaten en hun anatomie, genetica, gedrag en ecologie
beter begrijpen hoe evolutie de menselijke soort heeft gevormd
= de wetenschappelijke studie van primaten, oftewel halfapen, apen en mensapen (inclusief de mens)
sekse
= biol geslacht, dr gameten bepaald
menselijke biologie
(srt bio antro)
Menselijke groei en ontwikkeling
Adaptatie aan extreme omgevingsomstandigheden
voedingsantropologie
(srt menselijke biologie)
= Studie van de samenhang tussen dieet, cultuur en evolutie: co-evolutie.
Variaties tussen individuen en groepen.
voedingsantro, biomedische antro, moleculaire antro
menselijke biologie (3)
biomedische antro
(srt menselijke biologie)
= hoe menselijk cul praktijken de verspreiding v infectieziekten beinvl en effecten van vervuiling, giftige stoffen (lood, drugs,… ) op de menselijke groei (en cognitieve afwijkingen).
moleculaire antropologie
= genetische en moleculaire technieken gebruikt om de evolutie, oorsprong, migratiepatronen en biologische diversiteit van menselijke populaties te bestuderen
Genetische benadering van evolutionaire wetenschap:
Populaties (ethnische groepen) als genenpoel (gene pool) met kleine allelische variatieerschillen tussen (en binnen) mensen en niet menselijke primaten.
physical antro
= vergelijken de anatomie van niet-menselijke primaten en het beperkt fossielen bestand van mensen en andere primaten
creationisme
= mensen die geloven in lett interpret van scheppingsverhaal
polygenisme
= pleitten vr meervoudig oorsprong van de mensheid
monogenisme
= enkel, goddelijke oorsprong van de mens
taxonomie
Zweedse geoloog, zoöloog Carolus Linnaeus (Carl von Linné)
Zijn classificatiesysteem (een eeuw voor Darwin) helpt bij herkennen van patronen
‘Systema Naturae’!
Sommige soorten zijn nauwer aan elkaar verwant dan andere soorten
= wetenschap vd classificatie en benoemen van levende wezens
= De classificatie van organismen in een systeem dat de mate van verwantschap weergeeft
Comte de Buffon
= verdedigde het idee van biologische verandering
merkte op: dr naar nw klimaat, vk veranderen als reactie op nw omgeving (hwl geen idee vn mecht achter verandering)
Georges Cuvier
Geen biologische evolutie
Steeds nieuwe scheppingen na rampen
Catastrofisme (fout)
werd aangenomen dat catastrofale rampen eerdere levensvormen hebben weggevaagd
Jean-Baptiste Lamarck
beweerde dat alle organismen tijdens leven eigenschappen ku verwerven dr aanpassingen aan de omg en dat die werden doorgegeven
hierdoor passen nakomelingen zich beter aan
fundamentele fout: dacht evol ver zou ku optreden tijdens het leven v/e ind
Lamarckisme
= overerving van verworven kenmerken
Lysenkoïsme
USSR
betoogde darwins denken kapitalistisch was in zijn focus a/d ind strijd om te bestaan
verwierp ‘kap’ model vd bevolgroei en de eruit vloeiende schaarse middelen
= Thomas Malthus
bevol exp toenemen,
als geen beperkingen werd opgelegd
waardoor middelen om de bevol te voeden niet meer volstaan
en toename hulpbronnen lineair
Trofim Lysenko
campagne vr een Lamarckaans evolutiemodel
= stalinstische-marxist
bracht nr onlogische extreem niv
bewaarden wintertarwekorrels bij lage temp
=> beschamende en tragische mislukking
wet werden verbannen nr concentratie kampen
= vb van hoe pol ideologie kan leiden tot promoten van onjuiste wet thn
James Hutton
zag duidelijk bws v vroegere werelden bij oprapen van stukken aarde
uniformisme: centrl prin dat vndg nog steeds bestaat
geologische processen van vndg = vroeger
niet bereid uit te breiden nr levende wereld
Charles Lyell
vrstander v univormisme
+ langzm, gelijk veranderen = manier waarop de fysk wereld in elkaar zit
oudere rots-sedimenten → primitievere vorm van leven
creationist
enorme invld: ond + prominente pos i/d hierar
‘principles of Geology’
Charles Darwin
Kleinzoon van Erasmus Darwin (1731-1802), een bekend arts.
Botanist en ‘naturalist’.
Inspiratie bij ontdekkingsreizen van Alexander von Humboldt.
Reis met de HMS Beagle (1831 1836)
stud i/d chruch of England
geïsoleerde oceanische eilanden bevatten elementen die nergens anders te vinden zijn, vl nauw verwant
ontbreken vaak hele groepen dieren die op het vaste land wel waren
lijken vk op verwaten v/h vasteland, zelfs wnr de omg sterk verschilt
evolutie, gemeenschappelijke afstamming, vermenigvuldiging vd soorten, gradualisme, natuurlijke selectie
5 onderdelen v/h darwiniaans model
evolutie
(onderdeel v/h darwiniaans model)
Descent with modification from common ancestry by require historical processes that did not acts of creation’
De wereld is niet constant maar verandert gestaag en levende wezens veranderen in de tijd.
gemeenschappelijke afstamming
(onderdeel v/h darwiniaans model)
= Alle groepen organismen hebben gemeenschappelijke voorouders
vermenigvuldiging vd soorten
(onderdeel v/h darwiniaans model)
= Diversiteit komt voort uit het feit dat soorten zich vermenigvuldigen, ofwel door op te splitsen in dochtersoorten, ofwel door geografische afscheiding waardoor nieuwe soorten ontstaan
gradualisme
(onderdeel v/h darwiniaans model)
Evolutie als graduele verandering van populaties
Niet door plotse verschijning van nieuwe individuen van een nieuw type
= Darwinistische kijk op langzame, incrementele evolutionaire verandering
natuurlijke selectie
(onderdeel v/h darwiniaans model)
vergelijk met een zeef
Overvloedige productie van genetische variatie in elke nieuwe generatie
Diegenen die overleven, omdat ze gunstig aan de omgeving aangepast zijn, vormen de nieuwe generatie
= differentieel reproductief succes over meerdere generaties en onder de ind van een bep pop
fitness
= bio maat vr reproductief succes
= Gemiddeld aantal nakomelingen van ouders met een bepaald genotype vergeleken met het aantal nakomelingen (die de reproductieve leeftijd bereiken) van ouders met een ander genotype. Er is de eigen genetische fitness en de inclusieve fitness
genetisch overgeerfd, variatie, selectiedruk
basis van natuurlijke selectie (3)
genetische transmissie
= kenmerk moet genetisch overgeërfd worden
selectiedruk
= de omg moet zekere druk uitoefenen op het kenmerk
variatie
= subtiele maar cruciale verschillen tss ind binnen een pop
differentiele reproductie
bep eigenschappen vaker i/d volgende generatie voorkomen
= dat sommige individuen in een populatie meer nakomelingen produceren dan anderen
seksuele selectie
= specfk mech waarbij de kans op vrtplanting dr eigenschappen die niet noozakelijkerwijs de overlevingskansen verbeteren, mr die wel succes i/h aantrekken v/e parnet vergroot
William Paley
natuurtheoloog
‘Argument from design’ (‘Watchmaker’)
= stel loopt op straat en vind horloge → niem zal over twijfelen dat is gemaakt dr horloge maker
Maar: Evolutie als ‘Blind Watchmaker’!
adaptatie
= Geëvolueerde fenotypische eigenschappen die het reproductieve succes van een organisme vergroten
Bv: Vleugels
adaptatie id kl evol zin
een genvariant waarvan kan worden aangetoond dat deze de fitness v/e ind i/e specifieke omg verhoogt
biologische plasticiteit
= vermogen v ind om gedurende de levensloop fysiologisch te reageren op veranderen in de omg
duidelijke te zien in armere omgn