Nederlands onregelmatig werkwoord

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/29

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:27 PM on 4/24/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

30 Terms

1
New cards

zijn

was, waren / geweest (zijn)

2
New cards

hebben

had, hadden / gehad

3
New cards

gaan

ging, gingen / gegaan (zijn)

4
New cards

komen

kwam, kwamen / gekomen (zijn)

5
New cards

doen

deed, deden / gedaan

6
New cards

zien

zag, zagen / gezien

7
New cards

kunnen

kon, konden / gekund

8
New cards

moeten

moest, moesten / gemoeten

9
New cards

mogen

mocht, mochten / gemogen

10
New cards

willen

wilde, wilden / gewild

11
New cards

zullen

zou, zouden /

12
New cards

kopen

kocht, kochten / gekocht

13
New cards

zoeken

zocht, zochten / gezocht

14
New cards

denken

dacht, dachten / gedacht

15
New cards

brengen

bracht, brachten / gebracht

16
New cards

lezen

las, lazen / gelezen

17
New cards

schrijven

schreef, schreven / geschreven

18
New cards

eten

at, aten / gegeten

19
New cards

drinken

dronk, dronken / gedronken

20
New cards

vinden

vond, vonden / gevonden

21
New cards

krijgen

kreeg, kregen / gekregen

22
New cards

zeggen

zei, zeiden / gezegd

23
New cards

weten

wist, wisten / geweten

24
New cards

blijven

bleef, bleven / gebleven (zijn)

25
New cards

worden

werd, werden / geworden (zijn)

26
New cards

kijken

keek, keken / gekeken

27
New cards

lopen

liep, liepen / gelopen (zijn/hebben)

28
New cards

slapen

sliep, sliepen / geslapen

29
New cards

spreken

sprak, spraken / gesproken

30
New cards

nemen

nam, namen / genomen