1/27
A comprehensive set of vocabulary flashcards that covers key concepts from the lecture notes on narrative perspective, argument types, story structure, poetry features, and figurative language.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Vertelperspectief
Het perspectief vanuit waar het verhaal wordt verteld, inclusief wie de gedachten en gevoelens kent.
Ik-perspectief
De verteller is een personage in het verhaal en gebruikt 'ik'.
Hij/Zij-perspectief
De verteller vertelt over iemand anders en gebruikt 'hij' of 'zij'.
Personaal perspectief
Je volgt één personage en weet alleen wat die persoon denkt.
Alwetend perspectief
De verteller weet alles, inclusief de gedachten van meerdere personages.
Realistisch argument
Een argument dat beoordeelt of het verhaal geloofwaardig is in het echte leven.
Emotief argument
Een argument dat aangeeft dat het verhaal gevoelens oproept bij de lezer.
Moreel argument
Een argument dat een boodschap of les in het verhaal behandelt.
Chronologisch
Gebeurtenissen worden in normale volgorde van tijd verteld.
Niet-chronologisch
De tijd in het verhaal springt, met elementen zoals flashbacks en flashforwards.
Ab ovo
Het verhaal begint vanaf het begin.
In medias res
Het verhaal begint midden in de actie.
Post rem
Het verhaal begint na de belangrijkste gebeurtenis.
Open einde
Niet alles wordt opgelost en de lezer moet zelf nadenken.
Gesloten einde
Alles wordt duidelijk en het verhaal is afgerond.
Eindrijm
Woorden aan het einde van regels rijmen op elkaar.
Rijmschema
Het patroon van rijm in een gedicht.
Sonnet
Een gedicht bestaande uit 14 regels, vaak met een specifieke structuur.
Volta
Het omslagpunt in een gedicht waar de gedachte, het onderwerp of de mening verandert.
Lyrisch gedicht
Een gedicht dat gaat over gevoelens en emoties.
Episch gedicht
Een gedicht dat een verhaal vertelt, vaak over een gebeurtenis.
Enjambement
Een zin loopt door naar de volgende regel zonder te stoppen.
Assonantie
De herhaling van klinkers in woorden.
Alliteratie
Woorden die beginnen met dezelfde letter.
Beeldspraak
Taalachtig gebruikt om het beeld en de betekenis te versterken.
Vergelijking
Een vergelijking met 'als' of 'zoals'.
Metafoor
Een vergelijking zonder 'als'.
Personificatie
Wanneer iets zonder leven menselijke eigenschappen krijgt.