1/39
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
D-glucose
Het zit meestal in de vorm van zetmeel/glycogeen en moet worden opgesplitst voor gebruik (zit ook in rietsuiker, bietsuiker, maltose en lactose), het is de belangrijkste suiker van het menselijke lichaam die wordt verdeeld via het bloed en gebruikt wordt door weefsels

D-fructose
Gewonnen uit de hydrolyse van rietsuiker, bietsuiker en kan in de lever worden omgezet tot glucose

D-galactose
Gewonnen door de hydrolyse van lactose, kan in de lever worden omgezet naar glucose maar wordt door de borstklier aangemaakt om lactose in de melk te maken en het is een bestanddeel van glycolipiden en glycoproteïen

D-ribose
Structureel element van nucleïnezuren en co-enzymen

Maltose
Bestaat uit 2 glucoses en is het intermediar in de spijsvertering van zetmeel (via digestie met amylase)

Lactose
Bestaat uit glucose en galactose en is een belangrijk bestanddeel in de moedermelk en koemelk

Sucrose
Bestaat uit fructose en glucose en is een belangrijke voedingsbron van groenten en fruit

Aminosuikers
1 v/d OH’s is verandert door een amine, elk hexose heeft zijn aminoderivaat (vb. galactosamine) en op de aminogroep kunnen er nog andere vormen worden ingeplant
N-acetylglucosamine
Een aminosuiker met op de NH een carbonyl groep geplant die in verbinding staat met een CH3

Lipolyse
Suikers met een fosfaat groep ingeplant (gebeurd in de eerste stap van de glycolyse)
Deoxysuikers
Suikers die een O missen op de C6: i.p.v. CH2OH heb je CH3

Suikerzuren
Zuren met een carboxylgroep
-Uron
Suffix van suikerzuren die een carboxyl groep hebben op laatste C

-Onzuur
Suffix van suikerzuren die op de eerste C een carboxylgroep hebben

Lactonen
Suikerzuren die op een carbonyl groep hebben

Homopolysachariden
Dezelfde monomere suikers in opeenvolging, kunnen vertakt of onvertakt zijn
Heteropolysachariden
Verschillende monomere suikers in opeenvolging, kunnen vertakt of onvertakt zijn
Functie zetmeel en glycogeen
Opslagvoorraden van metabole brandstof (zetmeel voor planten en glycogeen voor mensen)
Structuur van glycogeen
Vertakte homopolysachariden die bestaan uit glucose met een alfa 1-4 binding die het vasthangt
Spiraal structuur
Veel vertakkingen (niet altijd dezelfde glucose opeenvolging, meer nieuwe spiralen kunnen vormen)
In het midden een glycogenine: eiwit dat samen met glucose kan zorgen voor de glucosesynthese
Werking van glycogeen afbreken enzym
Glycogeen afbrekend enzym knipt op korte uiteinden van glycogeen: bij meer korte takjes is er meer bruikbaar glucose
Functie van cellulose en chitine
Structurele suikers die stevige wanden kunnen vormen
Structuur chitine
N-acetylglucosamine lineair aan elkaar gebonden in 1 vlak zonder knik (pantser van kevers, kreeften,…)
Structuur chitine
Glucose lineair aan elkaar gebonden en in 1 vlak zonder knik (celwand van planten)
Waarom zijn cellulose en chitine zo opgbouwd?
Omdat de eenheden lineair geschakeld zijn kunnen ze H-bruggen vormen
Bij cellulose heb je verschillende lagen die boven/onder elkaar liggen en verbonden zijn waardoor je meer stevigheid hebt
Functie peptidoglycans
Vormen van de pantser van bacteriën (moet sterk materiaal zijn omdat de bacterie niet bestand is tegen osmolariteit)
Opbouw peptidoglycans
Heteroploysachariden die verankerd worden door aminozuren
Medische toepassing van peptidoglycans
Oog: produceert lysoysme die de pantser breken waardoor bacteriën sterven aan osmolariteit als ze het oog binnengaan
Penicilline: remt het enzym dat AZ takken maakt die de suikertakken samen houdt
Functie glycosaminoglycanen
Deel van de ECM, kunnen moleculen bijhouden door hun negatieve lading
Structuur glycosaminoglycanen
Polymeer van disachariden
Kenmerkend hebben ze een negatieve lading die ervoor zorgt dat ze veel moleculen kunnen binden (zijn gesulfateerd of niet gesulfateerd)
Komen voor op eiwitten die belangrijk zijn in en uit de cel

Glycoconjugaten
Suiker met “iets anders”
Structuur proteoglycans
Suikerdeel
AZ deel (enkele AZ die de “suiker borstels” verbinden met de core protein)
Functie proteoglycans
Membraan proteïnen
ECM: aggrecan, lang hyalorunzuur, keratine- en chonodrine sulfaat
(Suiker is grootste deel en belangrijkste voor functie)
Structuur ECM
Cytosol
Lipidendubbellaag
Lianen: Collageen, proteoglycanen, fibronectine (activeren PK en interageren met integrines) en integrines (geven aan waar de cel zich bevindt via PK)
Structuur glycoproteïnen
Suikers zijn O-linked (via de hydraxyl groep) of N-linked (via de aminogroep) verbonden aan het eiwit
De mogelijke suikers zijn hexosen, actylhexosamines, pentosen, methylpentosen en siaalzuren
(Eiwit is het belangrijkste deel)
Functie glycoproteïnen
Fysiochemische eigenschappen
Biologische activiteit
Proteolyse tegengaan
Reisaspecten
Voorkomen glycolipiden
Bloedgroepen:
Bestaan uit een suikergedeelte en een VZ gedeelte in het plasmamembraan komen
O = bestaat uit meest basische suiker, kan geven aan iederen
A = basische suiker + n-acetylgalactosamine, kan dus enkel geven aan O en niet B
B = basische suiker + galactose, kan dus enkel geven aan O en niet A
Voorkomen lipopolysachariden
Als een membraan component waar bv macrofagen aan kunnen binden en dan een signaal geven waardoor immuuncellen aangetrokken worden
Kenmerk virussen
Organotropisme: voorkeur hebben om bepaalde organen te infecteren
Dit is mogelijk doordat virussen met hun lectine kunnen interageren met een glycoproteïne op een specifiek orgaan
Selectines
Eiwitten die op oppervlak staan en gevormd worden door een signaaltransductie die geactiveerd werd door de cyto&-chemokines van macrofagen
De t-lymfocieten kunnen binden aan deze selectines ook al stroomt het bloed snel
Rolling
Traagjes over endotheel bewegen – bij meer cc selectines kunnen ze niet rollen & bij fenestrae kunnen ze dan binnendringen tot bij de infectie