1/94
Een complete set woordenschatkaarten over energievormen, straling, de werking van het spijsverteringsstelsel, de ademhaling, de bloedsomloop en de uitscheiding.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Energie
Iets dat nodig is om krachten op te wekken bij zowel levende wezens als niet-levende systemen.
Energiebron
Een voorwerp, stof of plaats die energie bevat.
Brandstof
Een stof die verbrand moet worden om de opgeslagen energie bruikbaar te maken, zoals aardolie.
Splijtstof
Een stof waarvan de atomen gespleten moeten worden om de opgeslagen energie bruikbaar te maken, zoals uranium.
Potentiële energie
Energie die een voorwerp bezit terwijl het niet in beweging is, met de mogelijkheid om krachten op te wekken.
Kinetische energie
Energie die een voorwerp bezit wanneer het in beweging is en krachten opwekt.
Energie in transport
Energie die onderweg is van het ene naar het andere voorwerp zonder dat er energie verloren gaat.
Energieomzetting
Wanneer energie wordt veranderd van de ene vorm naar de andere.
Energieomzetter
Een toestel dat wordt gebruikt om de ene energievorm om te zetten in de andere.
Stralingsbron
Een voorwerp of stof die energie uitzendt in de vorm van stralingsenergie.
Golftop
Het hoogste punt van een golf.
Golfdal
Het laagste punt van een golf.
Golflengte
De afstand tussen twee opeenvolgende golftoppen of twee opeenvolgende golfdalen.
Elektromagnetische golven
Elektrische en magnetische trillingen die als golven voortbewegen en energie transporteren.
Fotonen
Pakketjes waarin energie door een elektromagnetische golf wordt getransporteerd.
Elektromagnetisch spectrum
Een schema waarin alle elektromagnetische golven zijn gerangschikt volgens hun golflengte.
Radiogolven
Golven met de grootste golflengtes en het minste energie, uitgezonden door radio- en tv-stations.
Microgolven
Gebundelde golven die worden gebruikt voor gsm-communicatie en het opwarmen van eten in een oven.
Infraroodstralen (I.R.)
Een andere naam voor warmte die door alle voorwerpen op aarde wordt uitgestraald.
Zichtbaar licht
Het deel van het elektromagnetisch spectrum tussen 700nm en 400nm dat mensen kunnen waarnemen.
Ultraviolette straling (U.V.)
Straling van de zon die er onder andere voor zorgt dat de huid bruin wordt.
Röntgenstralen
Kleine golfjes met veel energie die door stoffen dringen; gebruikt voor foto's van botten of tanden.
Gammastralen
Golven met de kortste golflengte en de meeste energie, die erg gevaarlijk zijn voor de mens.
ROGGBIV
Een ezelsbruggetje voor de kleurenvolgorde van de regenboog: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet.
Stralingsdosis
De hoeveelheid straling waaraan een persoon wordt blootgesteld.
Ionisatie
Het proces waarbij fotonen met voldoende energie verbindingen tussen deeltjes verbreken, waardoor ze elektrisch geladen worden.
Niet-ioniserende straling
Elektromagnetische golven met een energie gelijk aan of lager dan zichtbaar licht, die geen ionisatie veroorzaken.
Ioniserende straling
Elektromagnetische golven met een energie groter dan zichtbaar licht, die ionisatie kunnen veroorzaken.
Radioactief
Een kenmerk van een stof, voorwerp of plaats die ioniserende straling uitzendt.
Temperatuur
Een grootheid in ∘C die de gemiddelde snelheid van de ordeloze beweging van materiedeeltjes weergeeft.
Warmte
Energie in transport van een voorwerp met een hogere temperatuur naar een voorwerp met een lagere temperatuur, uitgedrukt in Joule.
Geleiding
Vorm van warmtetransport waarbij hevig bewegende deeltjes door botsingen hun beweging doorgeven aan naburige deeltjes.
Warmtestraling
Overdracht van warmte zonder tussenkomst van materiedeeltjes.
Geleider
Een stof die warmte goed geleidt, zoals koper.
Slechte geleider
Een stof die warmte traag geleidt, zoals glas of kurk.
Isolator
Een stof die warmte vrijwel niet geleidt, zoals lucht of piepschuim.
Isolatie
Het proces waarbij men probeert warmtetransport tegen te houden.
Convectie (Stroming)
Warmtetransport waarbij de verwarmde stof zelf beweegt; warme stoffen met kleinere massa per cm3 stijgen boven koude stoffen.
Koudbloedige dieren
Dieren die zelf geen lichaamswarmte produceren en afhankelijk zijn van warmte uit de omgeving.
Warmbloedige dieren
Dieren die hun eigen lichaamswarmte produceren en aangepast zijn om deze niet te verliezen.
Verslikken
Het moment waarop eten in de luchtpijp terechtkomt in plaats van de slokdarm, meestal voorkomen door de strotklep.
Alvleesklier (Pancreas)
Klier die insuline voor de suikerspiegel regelt en spijsverteringssappen produceert.
Twaalfvingerige darm
Het eerste stuk van de dunne darm, twaalf vingers breed, waar verdere vertering plaatsvindt.
Appendix
Een wormvormig aanhangsel aan de blinde darm dat kan ontsteken.
Appendicitis
De medische term voor een ontsteking van de appendix.
Nutriënten
De voedingsstoffen waaruit voedingsmiddelen bestaan, zoals eiwitten en vetten.
Bouwstoffen
Nutriënten zoals eiwitten en mineralen die dienen voor groei en herstel.
Brandstoffen (Voeding)
Nutriënten zoals vetten en suikers die het lichaam van energie voorzien.
Beschermstoffen
Nutriënten zoals vitaminen die het lichaam beschermen.
Voedingsvezels
Nutriënten die een vlotte darmwerking verzekeren en worden uitgescheiden.
Eiwitten
Nutriënten die opgebouwd zijn uit aminozuren.
Suikers (Koolhydraten)
Nutriënten die bestaan uit 1, 2 of meer monosachariden.
Eenvoudige suikers
Kleine suikermoleculen zoals monosachariden (glucose) of disachariden.
Polysachariden
Grote suikermoleculen bestaande uit vele monosachariden, zoals zetmeel.
Lipiden (Vetten)
Nutriënten opgebouwd uit glycerol en 3 vetzuren.
Avitaminose
Een ziekte die wordt veroorzaakt door een gebrek aan een bepaalde vitamine.
Hypervitaminose
Een afwijking die ontstaat door een teveel aan een bepaalde vitamine.
Vertering
Het afbreken van voedsel tot deeltjes die klein genoeg zijn om door de darmwand in het bloed te worden opgenomen.
Mechanische vertering
Het fysiek verkleinen van voedsel door bewegingen van het lichaam.
Chemische vertering
Het verkleinen van voedsel door chemische omzettingen via lichaamssappen.
Speeksel
Lichaamssap in de mond met enzymen die zetmeel afbreken tot glucose.
Enzym
Een stof die in staat is om één specifieke chemische stofomzetting uit te voeren.
Maagsap
Sap dat enzymen bevat voor de omzetting van eiwitten naar aminozuren.
Gal
Sap dat enzymen bevat voor de omzetting van vetten naar glycerol en vetzuren.
Darm- en alvleeskliersap
Sappen die enzymen bevatten voor de omzetting van eiwitten, vetten en suikers.
Peristaltiek
De voortbeweging van voedsel in de darm door samentrekking en ontspanning van spieren.
Absorptie
Het opnemen van nutriënten door de darmwand in het bloed.
Darmvlokken
Microscopisch kleine uitstulpingen in de darmwand die de oppervlakte voor absorptie vergroten.
Alveolen (Longblaasjes)
De plaats in de longen waar de gaswisseling plaatsvindt.
Longlobben
De delen van de longen; de rechterlong heeft er 3 en de linkerlong 2.
Kalkwater
Een indicator die troebel wordt bij contact met koolstofdioxide.
Kobaltchloridepapier
Een indicator die paars kleurt bij contact met water.
Middenrifademhaling
Ademhaling via de beweging van het middenrif om de borstholte te vergroten of verkleinen.
Borstademhaling
Ademhaling via de tussenribspieren die de ribben naar voren en achteren bewegen.
Pleuravocht
Vocht tussen het longvlies en borstvlies dat zorgt dat de vliezen tegen elkaar kleven.
Gaswisseling
De opname van zuurstofgas en afgifte van koolstofdioxide in de longblaasjes.
Aders
Bloedvaten met een dunnere wand die van de organen naar de longen lopen.
Slagaders
Bloedvaten met een dikke, elastische wand die van het hart naar de organen lopen.
Haarvaten
De dunste en fijnst vertakte bloedvaten die organen van bloed voorzien.
Kleine bloedsomloop
De bloedsomloop tussen het hart en de longen.
Grote bloedsomloop
De bloedsomloop tussen het hart en de rest van het lichaam.
Bloedkoek
Het gestolde deel van bloed bestaande uit vaste bestanddelen en fibrinogeen.
Bloedplasma
Het vloeibare deel van het bloed inclusief water, nutriënten en fibrinogeen.
Fibrinogeen
Een stof in het bloed die bij contact met lucht omzet naar fibrinedraden voor stolling.
Bloedserum
Het vloeibare deel van het bloed waaruit de stollingsof fibrinogeen is verwijderd.
Rode bloedcellen
Cellen die instaan voor het transport van zuurstofgas naar de lichaamscellen.
Witte bloedcellen
Cellen die bacteriën aanvallen en vernietigen via fagocytose.
Bloedplaatjes
Cellen die een rol spelen bij het proces van bloedstolling.
Hemoglobine
Een stof in rode bloedcellen die een binding aangaat met zuurstofdeeltjes.
Oxyhemoglobine
De verbinding van hemoglobine met zuurstof.
Fagocytose (Celvraat)
Het proces waarbij witte bloedcellen bacteriën omsluiten en verteren.
Urineleider
De buis die bloed en vloeistof vervoert van de nieren naar de urineblaas.
Voorurine
De vloeistof die ontstaat nadat de nieren alle opgeloste stoffen (behalve eiwitten en vetten) uit het plasma hebben gehaald.
Resorptie (Heropname)
Het proces waarbij nuttige stoffen vanuit de voorurine terug naar het bloed worden opgenomen.
Zweet
Een afvalstof die via de huid wordt verwijderd en voor 80% op urine lijkt.