Natuurwetenschappen: Energie, Straling, Vertering en Bloedsomloop

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/94

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een complete set woordenschatkaarten over energievormen, straling, de werking van het spijsverteringsstelsel, de ademhaling, de bloedsomloop en de uitscheiding.

Last updated 8:42 AM on 6/6/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

95 Terms

1
New cards

Energie

Iets dat nodig is om krachten op te wekken bij zowel levende wezens als niet-levende systemen.

2
New cards

Energiebron

Een voorwerp, stof of plaats die energie bevat.

3
New cards

Brandstof

Een stof die verbrand moet worden om de opgeslagen energie bruikbaar te maken, zoals aardolie.

4
New cards

Splijtstof

Een stof waarvan de atomen gespleten moeten worden om de opgeslagen energie bruikbaar te maken, zoals uranium.

5
New cards

Potentiële energie

Energie die een voorwerp bezit terwijl het niet in beweging is, met de mogelijkheid om krachten op te wekken.

6
New cards

Kinetische energie

Energie die een voorwerp bezit wanneer het in beweging is en krachten opwekt.

7
New cards

Energie in transport

Energie die onderweg is van het ene naar het andere voorwerp zonder dat er energie verloren gaat.

8
New cards

Energieomzetting

Wanneer energie wordt veranderd van de ene vorm naar de andere.

9
New cards

Energieomzetter

Een toestel dat wordt gebruikt om de ene energievorm om te zetten in de andere.

10
New cards

Stralingsbron

Een voorwerp of stof die energie uitzendt in de vorm van stralingsenergie.

11
New cards

Golftop

Het hoogste punt van een golf.

12
New cards

Golfdal

Het laagste punt van een golf.

13
New cards

Golflengte

De afstand tussen twee opeenvolgende golftoppen of twee opeenvolgende golfdalen.

14
New cards

Elektromagnetische golven

Elektrische en magnetische trillingen die als golven voortbewegen en energie transporteren.

15
New cards

Fotonen

Pakketjes waarin energie door een elektromagnetische golf wordt getransporteerd.

16
New cards

Elektromagnetisch spectrum

Een schema waarin alle elektromagnetische golven zijn gerangschikt volgens hun golflengte.

17
New cards

Radiogolven

Golven met de grootste golflengtes en het minste energie, uitgezonden door radio- en tv-stations.

18
New cards

Microgolven

Gebundelde golven die worden gebruikt voor gsm-communicatie en het opwarmen van eten in een oven.

19
New cards

Infraroodstralen (I.R.)

Een andere naam voor warmte die door alle voorwerpen op aarde wordt uitgestraald.

20
New cards

Zichtbaar licht

Het deel van het elektromagnetisch spectrum tussen 700nm700\,\text{nm} en 400nm400\,\text{nm} dat mensen kunnen waarnemen.

21
New cards

Ultraviolette straling (U.V.)

Straling van de zon die er onder andere voor zorgt dat de huid bruin wordt.

22
New cards

Röntgenstralen

Kleine golfjes met veel energie die door stoffen dringen; gebruikt voor foto's van botten of tanden.

23
New cards

Gammastralen

Golven met de kortste golflengte en de meeste energie, die erg gevaarlijk zijn voor de mens.

24
New cards

ROGGBIV

Een ezelsbruggetje voor de kleurenvolgorde van de regenboog: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet.

25
New cards

Stralingsdosis

De hoeveelheid straling waaraan een persoon wordt blootgesteld.

26
New cards

Ionisatie

Het proces waarbij fotonen met voldoende energie verbindingen tussen deeltjes verbreken, waardoor ze elektrisch geladen worden.

27
New cards

Niet-ioniserende straling

Elektromagnetische golven met een energie gelijk aan of lager dan zichtbaar licht, die geen ionisatie veroorzaken.

28
New cards

Ioniserende straling

Elektromagnetische golven met een energie groter dan zichtbaar licht, die ionisatie kunnen veroorzaken.

29
New cards

Radioactief

Een kenmerk van een stof, voorwerp of plaats die ioniserende straling uitzendt.

30
New cards

Temperatuur

Een grootheid in C^\circ\text{C} die de gemiddelde snelheid van de ordeloze beweging van materiedeeltjes weergeeft.

31
New cards

Warmte

Energie in transport van een voorwerp met een hogere temperatuur naar een voorwerp met een lagere temperatuur, uitgedrukt in Joule\text{Joule}.

32
New cards

Geleiding

Vorm van warmtetransport waarbij hevig bewegende deeltjes door botsingen hun beweging doorgeven aan naburige deeltjes.

33
New cards

Warmtestraling

Overdracht van warmte zonder tussenkomst van materiedeeltjes.

34
New cards

Geleider

Een stof die warmte goed geleidt, zoals koper.

35
New cards

Slechte geleider

Een stof die warmte traag geleidt, zoals glas of kurk.

36
New cards

Isolator

Een stof die warmte vrijwel niet geleidt, zoals lucht of piepschuim.

37
New cards

Isolatie

Het proces waarbij men probeert warmtetransport tegen te houden.

38
New cards

Convectie (Stroming)

Warmtetransport waarbij de verwarmde stof zelf beweegt; warme stoffen met kleinere massa per cm3\text{cm}^3 stijgen boven koude stoffen.

39
New cards

Koudbloedige dieren

Dieren die zelf geen lichaamswarmte produceren en afhankelijk zijn van warmte uit de omgeving.

40
New cards

Warmbloedige dieren

Dieren die hun eigen lichaamswarmte produceren en aangepast zijn om deze niet te verliezen.

41
New cards

Verslikken

Het moment waarop eten in de luchtpijp terechtkomt in plaats van de slokdarm, meestal voorkomen door de strotklep.

42
New cards

Alvleesklier (Pancreas)

Klier die insuline voor de suikerspiegel regelt en spijsverteringssappen produceert.

43
New cards

Twaalfvingerige darm

Het eerste stuk van de dunne darm, twaalf vingers breed, waar verdere vertering plaatsvindt.

44
New cards

Appendix

Een wormvormig aanhangsel aan de blinde darm dat kan ontsteken.

45
New cards

Appendicitis

De medische term voor een ontsteking van de appendix.

46
New cards

Nutriënten

De voedingsstoffen waaruit voedingsmiddelen bestaan, zoals eiwitten en vetten.

47
New cards

Bouwstoffen

Nutriënten zoals eiwitten en mineralen die dienen voor groei en herstel.

48
New cards

Brandstoffen (Voeding)

Nutriënten zoals vetten en suikers die het lichaam van energie voorzien.

49
New cards

Beschermstoffen

Nutriënten zoals vitaminen die het lichaam beschermen.

50
New cards

Voedingsvezels

Nutriënten die een vlotte darmwerking verzekeren en worden uitgescheiden.

51
New cards

Eiwitten

Nutriënten die opgebouwd zijn uit aminozuren.

52
New cards

Suikers (Koolhydraten)

Nutriënten die bestaan uit 11, 22 of meer monosachariden.

53
New cards

Eenvoudige suikers

Kleine suikermoleculen zoals monosachariden (glucose) of disachariden.

54
New cards

Polysachariden

Grote suikermoleculen bestaande uit vele monosachariden, zoals zetmeel.

55
New cards

Lipiden (Vetten)

Nutriënten opgebouwd uit glycerol en 33 vetzuren.

56
New cards

Avitaminose

Een ziekte die wordt veroorzaakt door een gebrek aan een bepaalde vitamine.

57
New cards

Hypervitaminose

Een afwijking die ontstaat door een teveel aan een bepaalde vitamine.

58
New cards

Vertering

Het afbreken van voedsel tot deeltjes die klein genoeg zijn om door de darmwand in het bloed te worden opgenomen.

59
New cards

Mechanische vertering

Het fysiek verkleinen van voedsel door bewegingen van het lichaam.

60
New cards

Chemische vertering

Het verkleinen van voedsel door chemische omzettingen via lichaamssappen.

61
New cards

Speeksel

Lichaamssap in de mond met enzymen die zetmeel afbreken tot glucose.

62
New cards

Enzym

Een stof die in staat is om één specifieke chemische stofomzetting uit te voeren.

63
New cards

Maagsap

Sap dat enzymen bevat voor de omzetting van eiwitten naar aminozuren.

64
New cards

Gal

Sap dat enzymen bevat voor de omzetting van vetten naar glycerol en vetzuren.

65
New cards

Darm- en alvleeskliersap

Sappen die enzymen bevatten voor de omzetting van eiwitten, vetten en suikers.

66
New cards

Peristaltiek

De voortbeweging van voedsel in de darm door samentrekking en ontspanning van spieren.

67
New cards

Absorptie

Het opnemen van nutriënten door de darmwand in het bloed.

68
New cards

Darmvlokken

Microscopisch kleine uitstulpingen in de darmwand die de oppervlakte voor absorptie vergroten.

69
New cards

Alveolen (Longblaasjes)

De plaats in de longen waar de gaswisseling plaatsvindt.

70
New cards

Longlobben

De delen van de longen; de rechterlong heeft er 33 en de linkerlong 22.

71
New cards

Kalkwater

Een indicator die troebel wordt bij contact met koolstofdioxide.

72
New cards

Kobaltchloridepapier

Een indicator die paars kleurt bij contact met water.

73
New cards

Middenrifademhaling

Ademhaling via de beweging van het middenrif om de borstholte te vergroten of verkleinen.

74
New cards

Borstademhaling

Ademhaling via de tussenribspieren die de ribben naar voren en achteren bewegen.

75
New cards

Pleuravocht

Vocht tussen het longvlies en borstvlies dat zorgt dat de vliezen tegen elkaar kleven.

76
New cards

Gaswisseling

De opname van zuurstofgas en afgifte van koolstofdioxide in de longblaasjes.

77
New cards

Aders

Bloedvaten met een dunnere wand die van de organen naar de longen lopen.

78
New cards

Slagaders

Bloedvaten met een dikke, elastische wand die van het hart naar de organen lopen.

79
New cards

Haarvaten

De dunste en fijnst vertakte bloedvaten die organen van bloed voorzien.

80
New cards

Kleine bloedsomloop

De bloedsomloop tussen het hart en de longen.

81
New cards

Grote bloedsomloop

De bloedsomloop tussen het hart en de rest van het lichaam.

82
New cards

Bloedkoek

Het gestolde deel van bloed bestaande uit vaste bestanddelen en fibrinogeen.

83
New cards

Bloedplasma

Het vloeibare deel van het bloed inclusief water, nutriënten en fibrinogeen.

84
New cards

Fibrinogeen

Een stof in het bloed die bij contact met lucht omzet naar fibrinedraden voor stolling.

85
New cards

Bloedserum

Het vloeibare deel van het bloed waaruit de stollingsof fibrinogeen is verwijderd.

86
New cards

Rode bloedcellen

Cellen die instaan voor het transport van zuurstofgas naar de lichaamscellen.

87
New cards

Witte bloedcellen

Cellen die bacteriën aanvallen en vernietigen via fagocytose.

88
New cards

Bloedplaatjes

Cellen die een rol spelen bij het proces van bloedstolling.

89
New cards

Hemoglobine

Een stof in rode bloedcellen die een binding aangaat met zuurstofdeeltjes.

90
New cards

Oxyhemoglobine

De verbinding van hemoglobine met zuurstof.

91
New cards

Fagocytose (Celvraat)

Het proces waarbij witte bloedcellen bacteriën omsluiten en verteren.

92
New cards

Urineleider

De buis die bloed en vloeistof vervoert van de nieren naar de urineblaas.

93
New cards

Voorurine

De vloeistof die ontstaat nadat de nieren alle opgeloste stoffen (behalve eiwitten en vetten) uit het plasma hebben gehaald.

94
New cards

Resorptie (Heropname)

Het proces waarbij nuttige stoffen vanuit de voorurine terug naar het bloed worden opgenomen.

95
New cards

Zweet

Een afvalstof die via de huid wordt verwijderd en voor 80%80\% op urine lijkt.