1/126
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sacculus
geldzak
pecunia
geld
Nummus
Geldstuk(ken)
Mensa
tafel
Baculum
stok/staf
vacuus
leeg
bonus
Goed
quattuor
vier
quinque
vijf
Septem
Zeven
octo
acht
novem
negen
decem
tien
Habet
heeft
numerat
tellen
adest
hij/zij is er
abest
Hij/zij is er niet
salutat
Hij/zij begroet
cuius?
Van wie?
ecce
kijk
Quem?
wie?
indicativus
indicatief
imperativus
imperatief
Vocativus
vocatief
salve
hallo/gegroet
tantum
maar/slechts
rursus
opnieuw
quod
die/dat
is
hij
suus
zijn= van zichzelf
eius
zijn/ van iemand anders
nullus
geen
paret
gehoorzaamt
imperat
hij/zij beveelt
discedit
hij/zij gaat weg
sumit
hij/zij neemt/pakt
ponit
hij/zij zet/legt neer/plaatst
accusat
Beschuldigt
tacet
zwijgt
eorum
hun/van hen
earum
hun/van hen
quoque
ook
quia
Omdat
nasus
neus
etiam
Ook
in
in
cum
met/samen
solus
alleen
pulcher
mooi
habitat
woont
habitant
wonen
foedus
lelijk
amat
houdt van
amant
Houden van
habent
Hebben
dormit
slaapt
dormiunt
slapen
sine
zonder
Ex
uit
ab/a
weg van
circum
rond
Procul
ver
prope
dichtbij
ante
Voor
Post
achter
via
langs daar
ad
Naar
apud
bij
inter
tussen
Longus
lang
quam
hoe
tam…quam
niet zo…als
murus
muur
porta
poort
it
hij/zij gaat
eunt
zij gaan
lectica
draagstoel
portat
hij/zij draagt
portant
zij dragen
umerus
schouder
ambulat
hij/zij wandelt
ambulant
zij wandelen
saccus
Zak
vehit
Hij/zij brengt
vehunt
zij brengen
ubi?
waar
unde?
van waar?
qua?
waar naartoe?
timet
hij/zij is bang
timent
zij zijn bang
malus
Slecht
amicus
vriend
inimicus
vijand
duodecim
twaalf
autem
maar/echter/daaraantegen
itaque
daarom
exspectat
hij/zij wacht
illic
daar
hic
hier
tenet
Hij/zij houdt vast