1/23
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen rondom het ICF-schema en de gezondheidspatronen van Gordon voor het in kaart brengen van de totale gezondheid.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
ICF (International Classification of Functioning, Disability and Health)
Een classificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die kijkt naar hoe iemand functioneert in zijn levensdomeinen, in plaats van enkel naar de ziekte.
Holistische mensvisie
De visie dat de mens een eenheid is van lichaam, gedachten, gevoelens, sociale contacten en waarden, die allemaal invloed hebben op het welbevinden.
Bio-psycho-sociaal model
Een model waarbij de mens wordt gezien als een levend wezen met een lichaam (bio), dat handelt en activiteiten doet (psycho) en deelneemt aan het maatschappelijk leven (sociaal).
Lichaamsfuncties en -structuren
Dit onderdeel van het ICF-schema heeft betrekking op de fysiologische en mentale werking (functies) en de anatomische bouw van het lichaam (organen en stelsels).
Activiteiten
Binnen het ICF-schema zijn dit de handelingen die iemand individueel of in groep uitvoert, oftewel wat iemand doet.
Participatie
Het deelnemen van een persoon aan het maatschappelijk leven, zoals verkeer, werk of lidmaatschap van verenigingen.
Externe factoren
Factoren van buitenaf, zoals hulpmiddelen, ondersteuning vanuit de omgeving en het sociaal netwerk, die invloed hebben op het functioneren.
Persoonlijke factoren
Individuele achtergronden zoals leeftijd, geslacht, karakter, leefstijl en ervaringen die iemands functioneren beïnvloeden.
Stoornissen
Afwijkingen in of verlies van lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen.
Beperkingen
Moeilijkheden die iemand ervaart bij het uitvoeren van activiteiten.
Participatieproblemen
Problemen die iemand ervaart bij het deelnemen aan het maatschappelijk leven.
Gezondheidspatronen van Gordon
Elf wetenschappelijk onderbouwde patronen die worden gebruikt om de totale gezondheid en het functioneren van de mens gestructureerd in kaart te brengen.
Gezondheidsbeleving en -instandhouding
Het patroon van Gordon dat beschrijft hoe iemand naar zijn gezondheid kijkt en wat hij doet om gezond te blijven.
Voeding en stofwisseling
Het patroon van Gordon dat de inname van vocht en voedsel omvat, evenals de toestand van huid, haar, nagels en gebit.
Uitscheiding
De uitscheidingsfunctie van darmen, blaas en huid, inclusief eventuele hulpmiddelen zoals incontinentiemateriaal.
ADL (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen)
Zelfzorgactiviteiten van het dagelijks leven, zoals eten, wassen, kleden en verplaatsen, die de mate van zelfredzaamheid bepalen.
Cognitie en waarneming
Het patroon van Gordon dat zintuiglijke waarneming (horen, zien, etc.), denken, geheugen en painbeleving beschrijft.
Seksualiteit en voortplanting
Het patroon gericht op seksuele relaties, de beleving van seksualiteit en het voortplantingspatroon.
Zelfbeleving en zelfconcept
Hoe iemand zichzelf ziet, het gevoel van eigenwaarde, het zelfbeeld en de omgang met emoties.
Belevingsgericht handelen
Een basiscompetentie waarbij de zorgverlener zich inleeft in de wereld van de zorgvrager om passende zorg op maat te bieden.
Noden of behoeften
Zaken die een mens nodig heeft, variërend van basisbehoeften zoals voedsel en zuurstof tot sociaal contact.
Wensen of verlangens
Zaken waarnaar iemand verlangt, maar die strikt genomen niet noodzakelijk zijn om te overleven.
Mogelijkheden
Binnen de zorgsector omvat dit alles wat voor een zorgvrager nog wel haalbaar en uitvoerbaar is.
Beperkingen (belevingsgericht)
Zaken die voor een zorgvrager niet meer mogelijk zijn om te doen.