1/316
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Hoofdstuk 1
Introductie
Pastoralisme
Een vorm van landgebruik en veeteelt waarbij de nadruk ligt op extensieve beweiding van natuurlijke gras- en struiklanden.
Esthetisch
Betrekking hebbend op de schoonheid, de kunst en de zintuiglijke waarneming.
Landschap
Gebied zoals waargenomen door de mens als resultaat van actie en interactie tussen natuurlijke en menselijke factoren
Erfgoed
Alles uit het verleden dat waardevol wordt geacht om te bewaren
Stuifduinen
Duinen van opgewaaid zand, zowel in binnenland als aan kust, zeer dynamisch
Landschapsbiografie
Beschrijven van evolutie van elementen met focus op hun relatie, interactie en oorzaken van verandering
Fossiele elementen
Elementen die geen functie meer hebben, maar wel nog aanwezig zijn in het landschap vb. handelsweg Brugge-Calais (Middeleeuwen).
Ridge and furrow landgebruik
Door steeds ploegen in dezelfde richting ontstaat er patroon van opgeworpen ruggen en lage geulen.
Doorlevende elementen
Oude elementen nog in actief gebruik, maar in een andere functie (nieuwe context of invulling).
Klimaat
De gemiddelde weersgesteldheid (zoals temperatuur, neerslag en wind) in een bepaald gebied, gemeten over een lange periode (meestal 30 jaar).
Geologie
De wetenschap die de bouw, de samenstelling en de geschiedenis van de aardkorst bestudeert, inclusief de processen die deze vormen.
Bodem
De bovenste laag van de aardkorst waarin planten wortelen, gevormd door de verwering van gesteente en de afbraak van organisch materiaal.
Vegetatie
De totale plantengroei of de weelderigheid van plantensoorten in een specifiek gebied.
Grondstoffen
Natuurlijke materialen (zoals ertsen, olie, hout of zand) die uit de omgeving worden gehaald om te worden gebruikt of verwerkt.
Geomorfologische processen
Natuurlijke processen (zoals erosie, verwering, sedimentatie en tectoniek) die de vormen en het reliëf van het aardoppervlak veranderen.
Fysisch of environmental determinisme
De (achterhaalde) filosofische opvatting dat de natuurlijke, fysieke omgeving (zoals het klimaat en het reliëf) de menselijke cultuur en maatschappelijke ontwikkeling volledig bepaalt.
Sociaal Agrosysteem
Het complexe netwerk waarin menselijke samenlevingen, hun sociale structuren en landbouwtechnieken met elkaar verweven zijn om voedsel te produceren en het landschap in te richten.
Bevolkingsdruk
De situatie waarin de omvang van de bevolking de draagkracht van het beschikbare land of de natuurlijke hulpbronnen in een gebied overschrijdt of zwaar belast.
Centrum-periferie
Een ruimtelijk model dat de economische en politieke ongelijkheid beschrijft tussen een dominant, ontwikkeld kerngebied en de afhankelijke, minder ontwikkelde buitengebieden.
Thiessen-polygonen model (Thiessen polygonen)
Een geometrische methode om een gebied op te delen in zones rondom specifieke punten (bijv. nederzettingen). Elk punt binnen een … ligt het dichtst bij het centrale punt van die zone. Dit model wordt in de archeologie gebruikt om invloedssferen te schatten.
Megalitische monumenten
Prehistorische bouwwerken die gemaakt zijn van zeer grote, ruwe stenen, zoals hunebedden (dolmens) en menhirs.
Mobiliteitspatronen
De vaste manieren, routes en frequenties waarop (vaak prehistorische of nomadische) groepen mensen zich door het landschap bewogen voor jacht, verzamelen of seizoensgebonden migratie.
Antropogene (invloeden/factoren)
Alles wat veroorzaakt, gevormd of beïnvloed is door menselijk handelen.
Raatakkers (Celtic fields)
Kleine, prehistorische, vierkante of rechthoekige akkers uit de bronst- en ijzertijd, die van elkaar gescheiden zijn door lage wallen van zand en stenen.
Steencampementen
Archeologische vindplaatsen (vaak uit de steentijd) die de resten overblijfselen tonen van tijdelijke kampementen, herkenbaar aan concentraties van vuurstenen werktuigen en afval.
Landschapsfenomenologie
Een benadering binnen het landschapsonderzoek die focust op hoe mensen in het verleden het landschap zintuiglijk ervoeren (zicht, geluid, beweging), in plaats van het alleen cartografisch te bekijken.
Palimpsest
Een landschap waarin verschillende historische lagen door elkaar heen zichtbaar zijn, omdat oude structuren nooit helemaal zijn uitgewist door nieuwere ontwikkelingen (vergelijkbaar met een hergebruikt perkament).
Retrogressieve / retrospectieve aanpak
Een onderzoeksmethode waarbij men vanuit het heden (of een goed gedocumenteerde recente periode) stap voor stap terugwerkt in de tijd om oudere landschapsfasen te reconstrueren.
Holle wegen
Wegen die diep in het landschap zijn ingesleten door de eeuwenlange combinatie van intensief gebruik (karren, vee) en erosie door wegstromend regenwater.
Antropologie
De brede wetenschap die de mens, menselijke culturen, gedrag en samenlevingen wereldwijd bestudeert, zowel in het heden als in het verleden.
Postprocessuele archeologie
Een theoretische stroming in de archeologie (ontstaan in de jaren '80) die nadruk legt op de subjectiviteit van interpretatie, menselijke keuzevrijheid (agency), symboliek en cultuur, als reactie op het puur natuurwetenschappelijke, 'processuele' denken.
Periferie
De buitenrand of het omliggende overgangsgebied van een stad, regio of land. Dit gebied ligt op afstand van het actieve, beslissingsbevoegde centrum (de kern), heeft vaak een lagere bebouwingsdichtheid en is economisch of bestuurlijk meestal afhankelijk van dat centrum.
Hoofdstuk 2
Archeologische bronnen
Macro niveau
Grote landschappelijke entiteiten
Micro niveau
Kleine landschappelijke entiteiten
Archeologische repertoria
Inventarissen van de archeologie van een gebied of een land
Earthworks
Alle instanties waarbij de mens het oppervlakte van de aarde heeft veranderd met opzet of door toevalligheden (ophopingen, uitgravingen)
Soilmarks
Verandering in eigenschappen van de bodem: kleur, textuur, vochtigheid, voedingswaarde
Archeologische veldkartering
Het opsporen van archeologische resten aan de oppervlakte: ruïnes, artefacten (aardewerk, vuursteen, glas), wallen, greppels, grafheuvels etc.
Relatieve datering
De chronologische positie van een fenomeen ten opzichte van een ander bepalen, zonder tijdsinterval zelf te meten.
Absolute datering
Inschaling van archeologische landschaps features, objecten of situaties in ons conventioneel chronologisch systeem van kalenderjaren.
BP
Before Present (eenheid van koolstofdatering)
Toponomie of plaatsnaamkunde
De studie naar de herkomst, betekenis en historische ontwikkeling van plaatsnamen, wat vaak aanwijzingen geeft over het oude landschap of menselijk gebruik.
Hydrologie
De wetenschap die zich bezighoudt met het gedrag, de verspreiding en de kwaliteit van het water op, in en boven de aardbodem.
Topografie
De gedetailleerde beschrijving en mapping van de natuurlijke en kunstmatige kenmerken van het aardoppervlak (zoals hoogtes, wegen en waterlopen).
Beschermde archeologische sites
Specifieke archeologische vindplaatsen die wettelijk zijn beschermd vanwege hun hoge historische of wetenschappelijke waarde, waardoor ze niet zomaar verstoord mogen worden.
Archeologische zones
Gebieden die in ruimtelijke plannen zijn aangeduid omdat er een bewezen aanwezigheid of een zeer hoge kans is op de aanwezigheid van archeologische resten.
Gebieden geen archeologie (GGA)
Zones waarvan officieel is vastgesteld dat er (door eerdere diepe verstoringen of grondig onderzoek) beslist geen archeologische resten (meer) aanwezig zijn, waardoor er vrijstelling is voor archeologisch vooronderzoek.
Commerciële archeologie
Archeologisch onderzoek dat wordt uitgevoerd door private bedrijven in opdracht van bouwpromotoren of ontwikkelaars, vaak verplicht in het kader van de wetgeving (de 'verstoorder betaalt'-principe).
Centrale Archeologische Inventaris (CAI)
De centrale (Vlaamse) database waarin alle bekende archeologische vindplaatsen, waarnemingen en onderzoeken systematisch worden geregistreerd.
Luchtfotografie
Het fotograferen van het aardoppervlak vanuit de lucht (vliegtuigen, drones) om patronen en structuren in het landschap te ontdekken die vanaf de grond onzichtbaar zijn.
Cropmarks (groeimerken)
Patronen in de groei of kleur van gewassen die ontstaan door verschillen in de ondergrond (zoals verborgen muren of grachten).
Positieve/negatieve cropmarks
Positief: Gewassen groeien juist beter en groener boven een oude gracht of kuil omdat de bodem daar vochtiger en voedselrijker is.
Negatief: Gewassen groeien juist slechter en geler boven een verborgen muur of weg omdat de bodem daar droog en stenig is.
Positief/negatief reliëf
Positief: Structuren die boven het omringende landschap uitsteken (bijv. een wal of grafheuvel).
Negatief: Structuren die in het landschap verzonken liggen (bijv. een gracht of een holle weg).
Shadow marks (schaduwmerken)
Landschapsstructuren met heel laag reliëf die alleen zichtbaar worden door de lange schaduwen die ze werpen bij een zeer lage zonnestand (vroege ochtend of late avond).
LiDAR (Light Detection and Ranging)
Een remote sensing-techniek die met behulp van laserpulsen vanuit een vliegtuig zeer nauwkeurige hoogtemodellen van het landschap maakt, waarbij vegetatie (zoals bossen) digitaal 'weggefilterd' kan worden.
RaDAR (Radio Detection And Ranging)
Een techniek die radiogolven gebruikt om de afstand en positie van objecten te bepalen. In de archeologie specifiek gebruikt als grondradar (GPR) om de bodem in te kijken.
Tumuli
Prehistorische of Romeinse grafheuvels die als duidelijke, kunstmatige heuvels in het landschap herkenbaar zijn.
Extensive en Intensive survey
Extensive survey: Een verkennend oppervlakteonderzoek over een heel groot gebied om snel de grote lijnen en belangrijkste vindplaatsen in kaart te brengen.
Intensive survey: Een zeer gedetailleerd, systematisch oppervlakteonderzoek (vaak voetbehoring in nauwe banen) waarbij elk brokstukje binnen een specifiek gebied nauwkeurig wordt geregistreerd.
Geofysische onderzoeksmethoden / detectie / prospectie
Verzameltermen voor non-destructieve technieken die natuurkundige eigenschappen van de bodem (zoals magnetisme of weerstand) meten om ondergrondse archeologische structuren in kaart te brengen zonder te graven.
Aardmagnetisch veld
Het natuurlijke magnetische veld dat de aarde omringt. Archeologische structuren (zoals ovens of opgevulde grachten) kunnen dit lokale veld licht verstoren.
Magnetometer
Een uiterst gevoelig geofysisch meetinstrument dat kleine variaties (anomalieën) in het aardmagnetisch veld meet, veroorzaakt door verbrande aarde, ijzer of verstoorde bodemlagen.
Elektrische Weerstand
De mate waarin de bodem de doorgang van een elektrische stroom belemmert. Vochtige grond (grachten) geleidt goed (lage weerstand), droge structuren (stenen muren) geleiden slecht (hoge weerstand).
Weerstandsmeter
Het geofysische apparaat dat via pennen in de grond elektrische stroom inbrengt om deze bodemweerstand te meten en zo structuren te lokaliseren.
Dateringsprincipes
De wetenschappelijke regels en methoden (zowel relatief als absoluut) die worden gebruikt om de ouderdom van archeologische lagen, objecten of structuren vast te stellen.
Stratigrafie
De bestudering van de opeenvolging en opbouw van bodemlagen. Het helpt om de chronologische volgorde van gebeurtenissen op een site te bepalen.
Wet van de superpositie
Het basisprincipe uit de geologie en archeologie dat stelt dat in een ongestoorde opeenvolging van bodemlagen de onderste laag de oudste is en de bovenste laag de jongste.
Archeologische typo-chronologie
Een methode om objecten (zoals aardewerk of bijlen) te dateren door ze te ordenen op basis van uiterlijke kenmerken en evolutie in vorm of stijl, gekoppeld aan bekende tijdsperioden.
Chronotypologische redeneringen
Het logisch beredeneren van de ouderdom van een archeologische laag op basis van de specifieke typen voorwerpen (gidsartefacten) die erin worden aangetroffen.
Organische monsters
Resten van levend materiaal (zoals hout, houtskool, bot of zaden) die geschikt zijn voor natuurwetenschappelijke datering.
Radio-actieve koolstofdatering (14C)
Een absolute dateringsmethode voor organisch materiaal, gebaseerd op het wetmatige radioactieve verval van het koolstof-14 isotoop na de dood van een organisme.
Suess-effect
De verstoring in de natuurlijke verhouding van koolstofisotopen in de atmosfeer, veroorzaakt door de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen sinds de industriële revolutie, wat 14C-dateringen van recente materialen bemoeilijkt.
Dendrochronologie
Een uiterst nauwkeurige absolute dateringsmethode gebaseerd op het tellen en analyseren van de unieke patronen van jaarringen in archeologisch hout.
Kalibreren
Het omzetten van een ruwe laboratoriummeting (zoals een aantal 'radiokoolstofjaren') naar werkelijke kalenderjaren (v.Chr./n.Chr.) met behulp van een ijkcurve (gebaseerd op dendrochronologie).
Etymologie
De wetenschap die de herkomst, geschiedenis en historische ontwikkeling van de vorm en betekenis van woorden bestudeert (nauwer verwant aan algemene taalwetenschap dan toponymie, dat specifiek over plaatsnamen gaat).
Preventieve archeologie
Archeologisch onderzoek dat wordt uitgevoerd voordat geplande bouwwerkzaamheden of bodemreconstructies de eventuele resten in de grond vernietigen. Het doel is om de archeologische informatie te behouden (door opgraving of documentatie) vóór de verstoring plaatsvindt.
Anomalieën
Afwijkingen van het normale, natuurlijke achtergrondpatroon in de bodem (zoals een ongewoon hoge magnetische waarde of elektrische weerstand), die op een geofysische scan zichtbaar worden en vaak wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten (zoals een greppel of een muur).
Actieve aardobservatie
Een vorm van remote sensing (zoals LiDAR of radar) waarbij het meetinstrument zélf een signaal (een licht- of radiogolf) naar het aardoppervlak stuurt en vervolgens de reflectie daarvan opvangt om het landschap in kaart te brengen. Dit in tegenstelling tot passieve observatie, die alleen bestaand licht of warmte opvangt.
Hoofdstuk 3
Cartografische bronnen
Optisch geStimuleerde Luminescentie (OSL)
Een dateringsmethode die meet wanneer zandkorrels (kwarts of veldspaat) voor het laatst aan zonlicht zijn blootgesteld (het moment van begraving).
Hoge-resolutie staalname
Het zeer nauwkeurig en op korte opeenvolgende afstanden nemen van bodemmonsters om minimale veranderingen in de tijd te registreren.
Luminescentie-profiling
Een snelle OSL-scantechniek om ter plekke verticale variaties in lichtgevoeligheid van bodemlagen te meten zonder volledige datering.
Geologisch substraat
De diepere, stabiele geologische onderlaag (het moedermateriaal) waarop de actuele bodem zich heeft gevormd.
Bodemgesteldheid
De actuele fysieke toestand van de bodem, bepaald door factoren zoals textuur, vochtigheid, structuur en doorlatendheid.
Geomorfologie
Studie van de landvormen en hun vormingsprocessen
DTM (Digital Terrain Model)
Een digitaal hoogtemodel dat uitsluitend de kale grond (het pure aardoppervlak) weergeeft, zonder gebouwen of vegetatie.
DSM (Digital Surface Model)
Een digitaal hoogtemodel dat de bovenste laag van alle objecten op aarde weergeeft, inclusief boomtoppen en daken.
EODAS (Earth Observation Data Science)
Het wetenschappelijk analyseren en verwerken van grote hoeveelheden data afkomstig van satellieten en vliegtuigen (remote sensing).
Topografische kaarten
Gedetailleerde kaarten die zowel de natuurlijke als door de mens gemaakte kenmerken van het aardoppervlak nauwkeurig en op schaal weergeven.
DdlG (Dépôt de la Guerre)
Het Franse of vroege Belgische Krijgsdepot, verantwoordelijk voor het maken van militaire kaarten.
MCI (Militair Cartografisch Instituut)
De Belgische militaire instelling (opgericht eind 19e eeuw) die instond voor de productie van stafkaarten; de voorloper van het NGI.
MGI (Militair Geografisch Instituut)
De opvolger van het MCI na de Tweede Wereldoorlog, die later werd omgevormd tot het huidige civiele NGI.
Planchetten
De afzonderlijke kaartbladen (vaak op schaal 1:10.000 of 1:20.000) die samen een grotere topografische kaartreeks vormen.
Philippe Vandermaelen (1846-1854)
Een 19e-eeuwse Belgische cartograaf, beroemd om zijn gigantische wereltatlas en uiterst gedetailleerde topografische kaarten van België (schaal 1:20.000).
Atlas der Buurtwegen (1843-1845)
Een wettelijk vastgelegde Belgische atlas waarin alle openbare en private buurtwegen en voetpaden gedetailleerd zijn opgetekend om ze te beschermen tegen inpalming.
Jean Villaret (1745-1748)
Een Franse militaire ingenieur die in de 18e eeuw zeer gedetailleerde topografische kaarten maakte van de grensregio's.
Eugène-Henri Fricx (1704-1712)
Een 18e-eeuwse Brusselse drukker en cartograaf, bekend om zijn militaire kaarten van de Spaanse/Oostenrijkse Nederlanden.