1/83
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
handelskapitalisme
Een economische theorie die de nadruk legt op de rol van de handel in de ontwikkeling van de kapitalistische economie
importsubsitutie
import vervangen door binnenlandse substitutie
bullionisme
geldhoeveelheid is de belangrijkste maat voor rijkdom van een land
= primitieve vorm van het mercantilisme
price-specie flow mechanisme
handelstekort → verlies geldhoeveelheid → prijzen dalen → export stijgt en import daalt → evenwicht op handelsbalans hersteld
monetaire economie
bestudeert de invloed van geld en krediet op inflatie en productie
kwantiteitstheorie van geld
prijzen zijn evenredig met de geldhoeveelheid: MV = som(pQ)
pQ = nominale bbp
lender of last resort
in tijden van paniek en bank runs als krediet krimpt, moeten banken compenseren om de geldhoeveelheid intact te houden
natural rate of unemployment
basis werkloosheid percentage dat in gezonde, groeiende economie altijd blijft bestaan
theorie van rationele verwachtingen
geldschepping via monetair beleid → inflatieverwachtingen → werknemers passen looneisen opwaarts aan → ook op korte termijn daalt werkloosheid niet → op korte termijn geen effect van de geldhoeveelheid te verwachten op de reële economie
het extra geld zorgt dus niet voor extra productie of meer werkgelegenheid
surplus
deel van de productie dat hoger is dan de waarde van de gebruikte input
laissez-faire laissez passer
economisch liberalisme en staat voor een vrije markt waarin de overheid zich zo min mogelijk bemoeit met de economie en de handel
aristocratie
sociale klasse die haar macht ontleent aan erfelijke privileges zoals grondbezit
produit net
surplus dat ontstaat uit de landbouw
import unique
1 belasting op nettoproductie
wet van Say
elk aanbod creëert zijn vraag
input-output-model
model van Leontief
alle outputs worden terug als input gebruikt

klassieke economie
vrije markt, eigenbelang, concurrentie, geen overheidsbemoeienis
smithian growth
economische groei als gevolg van arbeidsdeling, specialisatie, en marktexpansie
onzichtbare hand
concurrentie leidt tot het efficiënt gebruiken van inputs
Homo Economicus
individuen handelen rationeel
gebruikswaarde
hoeveelheid nut
ruilwaarde
tegenwaarde waartegen een koopwaar kan worden geruild
arbeidswaardeleer
enkel arbeid creëert toegevoegde waarde en waarde van een goed wordt bepaald door de erin vervatte hoeveelheid arbeid
natuurlijke prijs
lange termijnprijs die wordt bepaald door productiekosten
theorie van het menselijk kapitaal
lonen zijn hoger voor beroepen die moeilijker zijn en langer duren om aan te leren
productieve arbeid (adam smith)
het voegt waarde toe
het realiseert zich in een tastbaar, duurzaam object
new trade theory
internationale handel vergroot de economie en levert voordeel op via schaalvoordelen en specialisatie
onderconsumptie
de aggregatieve vraag is te beperkt om de productie aan kostendekkende prijzen terug te kopen
the dismal science
bijnaam voor de economische wetenschap
ijzeren loonwet
lonen tenderen naar het subsistentieniveau
neo-ricardiaanse economie
bestuderen prijsvorming, inkomensverdeling, en groei buiten de neoklassieke economie
theorie van de differentiële rente
producenten met lagere productiekosten of betere middelen maken (meer winst)
comparatieve voordelen
niet zelf maken wat je goedkoper kan kopen
automatisering/mechanisering
substitutie van arbeid door kapitaal door technologische vooruitgang
loonfondstheorie
totale loonsom wordt bepaald door het deel kapitaal dat kapitaaleigenaars in vorige periode voorschoten om arbeiders te betalen
stationaire toestand
economie groeit niet meer en er zijn geen netto-investeringen
schaalvoordelen
kostenvoordelen als gevolg van schaalvergroting
utopisch socialisme
ideale samenleving obv morele principes, vertrouwen op goede wil en samenwerking om die te bekomen
arbeidskracht
koopwaar dat loonarbeiders verkopen op de arbeidsmarkt (loon = ruilwaarde van arbeid)
organische samenstelling van het kapitaal
verhouding tussen vast kapitaal en arbeidskracht (c/v)
meerwaardevoet
maat voor de graad van uitbuiting (s/v)
relatieve meerwaarde
meerwaarde door stijging van de arbeidsproductiviteit
asymmetrische informatie
1 partij heeft meer informatie dan de andere
transformatieprobleem
als c/v verschilt tussen sectoren, kunnen de prijzen in elke sector niet perfect evenredig zijn met de arbeidswaarden
centralisatie van arbeid
steeds kleinere groep van steeds rijkere kapitalisten
wet van de dalende winstvoet
de organische samenstelling van kapitaal stijgt waardoor de winst daalt
relatieve overbevolking
overschot aan mensen ten aanzien van wat het kapitalisme nodig heeft
lewis’ model
over ontwikkeling en groei: beschrijft het proces van ontwikkelingslanden
socialistische primitieve accumulatie (trotsky)
hoe kan een arme, geïsoleerde staat industrialiseren zonder kapitaal
marktsocialisme
bedrijven concurreren met elkaar om winst te maken, maar de opbrengsten vloeien (deels) terug naar de samenleving
comparatieve statica
het vergelijken van uiteindelijke evenwichtsresultaten, voor en na de verandering van een exogene parameter (ceteris paribus)
nash-evenwicht
situatie waarin geen enkele speler zijn situatie kan verbeteren wanneer we de keuzes van de andere spelers constant houden
cournot-evenwicht
bijzonder geval van het nash-evenwicht
welvaartseconomie
onderzoekt de welvaart in een samenleving obv mirco-economische technieken
definitie van de economische wetenschap
economie is de wetenschap die bestudeert hoe mensen hun doelen kunnen nastreven mbv schaarse middelen die op verschillende manieren kunnen worden aangewend
pareto-efficiënt
als er geen manier is om via ruil in de productie- of consumptiesfeer iemands staat te verbeteren zonder dat iemand anders erop achteruit gaat
ordinale nutsfunctie
voorstelling van de voorkeuren van een consument
indifferentiecurve
verzameling van de punten die voldoen aan: U(X, Y) = c
alle combinaties van twee goederen laat zien die een consument evenveel voldoening of nut opleveren
pigouviaanse belasting
de externe kosten internaliseren zodat de economische agent een correct kosten-baten analyse maakt
conspicuous consumption
kopen van producten, niet primair om hun nut, maar om status zichtbaar te tonen aan anderen
austrian economics
heterodoxe stroming die economische verschijnselen verklaart vanuit het handelen en de keuzes van individuen
heterodoxe school
zet zit af tegen de dominante neo-klassieke school
opportuniteitskost
de waarde van een goed is gelijk aan de waarde van de andere producten die je opgeeft door inputs te alloceren naar de productie van het goed
roundabout economics
kapitaal laat toe om via een omweg te produceren op een productieve manier
numéraire
product waartegenover de andere relatieve prijzen worden berekend
tâtonnement
proces van trial-en-error aan de hand waarvan het algemeen evenwicht wordt bereikt
marginale productiviteitstheorie van lonen
een werknemer wordt betaald obv de waarde die zijn laatste toegevoegde productiemiddel toevoegt aan het bedrijf
product exhaustion
als alle factoren vergoed worden (naar hun marginale productiviteit) wordt de volledige totale opbrengst van een bedrijf uitbetaald
ceteris paribus
al het overige blijft gelijk
externe schaalvoordelen
cluster-/agglomeratie-effecten waarbij een sector zich ruimtelijk concentreert
infant industry protection
jonge sectoren beschermen tot ze sterk genoeg zijn om op de wereldmarkt te concurreren
externaliteit
kosten/baten voor een partij die niet betrokken was bij de transactie
consumentensurplus
maat voor de voldoening die een consument uit de transactie haalt
producentensurplus
voordeel voor de producent doordat de verkoopprijs hoger is dan zijn bereidheid
behavioral economics
onderzoekt waarom mensen vaak irrationele en niet-optimale beslissingen maken itt wat doorgaans verwacht wordt
loss-aversion
een situatie wordt slechter ervaren wanneer het wordt voorgesteld als een verlies dan wanneer het wordt voorgesteld als een winst
hotelling model
toont aan dat transportkosten volstaan om bedrijven een zekere monopoliemacht te geven
monopolistische concurrentie
bedrijven in een sector produceren geen identieke producten, maar dichte substituten
monopsonie in de arbeidsmarkt
marktmacht aan de vraagzijde van de economie
3e graads prijsdiscriminatie
segmentatie obv groepen
keynesiaans kruis
diagram (door Samuelson) dat focust op de goederenmarkt en dat abstractie maakt van de geldmarkt en de rol van verwachtingen
multiplicatoreffect
toename van het nationaal inkomen (delta Y) is een veelvoud van de initiële impuls (delta I) die ze veroorzaakte → 1/(1+c)
neerwaartse loonrigiditeit
loondaling impliceert een daling van de eigen positieve tov anderen
keynesiaans beleid
beleid waarbij de overheid de geaggregeerde vraag stuurt om conjuncturele stabiliteit of volledige tewerkstelling te bereiken