Leerpsychologie COMPLEET

0.0(0)
Studied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/151

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards dekken de volledige inhoud van de cursus Leerpsychologie 2024-2025, inclusief definities, klassieke en operante conditionering, de verschillende theoretische modellen en de toegepaste leerpsychologie.

Last updated 6:21 PM on 5/16/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

152 Terms

1
New cards

Wat is de definitie van leren volgens de cursus?

Observeerbare veranderingen in het gedrag van een bepaald organisme als het gevolg van regelmatigheden in de omgeving van dat organisme.

2
New cards

Wat wordt bedoeld met fylogenetische adaptatie?

De aanpassing van diersoorten aan hun omgeving over verschillende generaties heen.

3
New cards

Wat is de definitie van ontogenetische adaptatie?

De aanpassing van individuele organismes aan de omgeving tijdens het leven van het organisme.

4
New cards

Wat zijn de twee noodzakelijke voorwaarden om van leren te kunnen spreken?

(1) Er moet een observeerbare verandering in gedrag optreden en (2) deze verandering moet te wijten zijn aan regelmatigheden in de omgeving.

5
New cards

Waarom wordt leren gezien als een 'effect'?

Omdat het een observatie van gedragsverandering is die wordt toegeschreven aan een element in de omgeving (een regelmatigheid).

6
New cards

Wat is shaping in de context van gedragsontwikkeling?

De ontwikkeling van een nieuw gedrag tijdens het leven van een organisme door stapsgewijze bekrachtiging, ook wel de ontogenetische evolutie van gedrag genoemd.

7
New cards

Waarvan is shaping afhankelijk om succesvol te zijn?

Variabiliteit; er moeten verschillende gedragingen voorkomen zodat het gewenste gedrag kan worden beloond.

8
New cards

Welk probleem treedt op bij het aantonen van een causale relatie in de definitie van leren?

Causale relaties kunnen niet rechtstreeks geobserveerd worden, waardoor men assumpties moet maken over de oorzaken.

9
New cards

Wat wordt binnen de leerpsychologie verstaan onder een 'gebeurtenis'?

Iets dat zich afspeelt in tijd en ruimte en betrekking kan hebben op zowel prikkels (stimuli) als gedragingen.

10
New cards

Wat zijn 'regelmatigheden in de omgeving'?

Patronen in het voorkomen van gebeurtenissen in de omgeving, wat steeds meer omvat dan één gebeurtenis op één moment.

11
New cards

Welke drie types regelmatigheden worden binnen de cursus onderscheiden?

(1) Regelmatigheden in 1 bepaalde prikkel, (2) regelmatigheden in het samen voorkomen van 2 prikkels, en (3) regelmatigheden in het samen voorkomen van een prikkel en een gedrag.

12
New cards

Wat is niet-contingente prikkelaanbieding?

Gedragsverandering die wordt veroorzaakt door het herhaald aanbieden van één prikkel, onafhankelijk van andere gebeurtenissen.

13
New cards

Wat is klassieke conditionering (ook wel Pavloviaanse conditionering)?

Gedragsverandering die optreedt als gevolg van het samen voorkomen van twee of meerdere prikkels.

14
New cards

Wat is operante conditionering (ook wel instrumentele conditionering)?

Gedragsverandering die optreedt als gevolg van het samen voorkomen van een gedrag en een prikkel.

15
New cards

Wat is het verschil tussen een leerprocedure en een leereffect?

Een procedure is wat de onderzoeker doet (objectief), terwijl een effect de niet-observeerbare causale impact van die regelmatigheid op gedrag impliceert.

16
New cards

Wat is het doel van de functionele benadering binnen de leerpsychologie?

Het beschrijven van omgevingsfactoren die het leren modereren (B=f(Er)B = f(E_r)).

17
New cards

Wat is het doel van de cognitieve benadering binnen de leerpsychologie?

Het beschrijven van de mentale mechanismes die het leren mediëren.

18
New cards

Noem de vijf types potentiële moderatoren van leren vanuit functioneel perspectief.

(1) De aard van stimuli/gedragingen, (2) de aard van het geobserveerde gedrag, (3) eigenschappen van het organisme, (4) de bredere context, en (5) de aard van de regelmatigheid.

19
New cards

Wat zijn de abstracte concepten in de formule van klassieke conditionering?

De CSCS (voorwaardelijke prikkel), de USUS (onvoorwaardelijke prikkel) en de CRCR (geconditioneerde respons).

20
New cards

Wat zijn de abstracte concepten in de formule van operante conditionering?

De SdS^d (discriminatieve stimulus), de RR (respons) en de SrSr (bekrachtiger).

21
New cards

Waarom is abstracte functionele kennis nuttig?

Het laat toe om gedrag te voorspellen en te beïnvloeden in nieuwe situaties zonder te hoeven verwijzen naar oppervlakkige kenmerken.

22
New cards

Hoe definieert men een 'bekrachtiger' (reinforcer) functioneel?

Elke stimulus die zorgt voor een stijging in de frequentie van het gedrag dat eraan voorafgaat, ongeacht de fysieke kenmerken.

23
New cards

Wat is habituatie?

De daling in intensiteit van de oorspronkelijke reactie op een prikkel als gevolg van herhaaldelijke (niet-contingente) aanbieding.

24
New cards

Wat is sensitatie?

De toename in intensiteit van een reactie als gevolg van het herhaaldelijk aanbieden van een prikkel.

25
New cards

Welke invloed heeft de biologische relevantie van een prikkel op habituatie?

Biologisch relevante prikkels (zoals een angstkreet bij ratten) habitueren minder snel en verdwijnen sneller bij contextverandering dan neutrale prikkels.

26
New cards

Wat is generalisatie van habituatie?

Wanneer habituatie aan prikkel A ook zorgt voor een verminderde reactie op prikkels die gelijken op prikkel A.

27
New cards

Wat is dishabituatie?

Het tenietdoen van een habituatie-effect door het onverwacht aanbieden van een andere, nieuwe prikkel, waardoor de reactie op de oorspronkelijke prikkel weer toeneemt.

28
New cards

Wat is het 'mere-exposure' effect gerelateerd aan Fechner?

De wetmatigheid dat wat oorspronkelijk (on)aangenaam is, door herhaling eerst (on)aangenamer wordt, maar uiteindelijk juist onaangenaam (of aangenaam).

29
New cards

Wat is de Oriëntatierespons (OR)?

Een geheel van reacties (zoals hoofd draaien, hartslagverandering) gericht op het onderzoek van nieuwe en potentieel belangrijke prikkels.

30
New cards

Wat stelt de 'Dynamics of affect' (Solomon)?

Herhaalde prikkelaanbieding leidt tot een afname van de initiële reactie (roes) en een toename van de tegenreactie (kater/ontwenning).

31
New cards

Noem een voorbeeld van individuele verschillen in habituatie.

Mensen met schizofrenie vertonen vaak minder habituatie in hun oriëntatierespons, wat samenhangt met cognitieve overbelasting.

32
New cards

Wat is het verschil tussen 'massed practice' en 'distributed practice' bij habituatie?

'Massed practice' (korte intervallen) zorgt voor snellere maar minder duurzame habituatie; 'distributed practice' (lange intervallen) is trager maar duurzamer.

33
New cards

Wat is de kern van het discrepantie-model van Sokolov?

Een organisme bouwt een neuronaal model van de omgeving; een OR treedt op bij een discrepantie tussen de input en dit model.

34
New cards

Wat zijn volgens Bradley de twee redenen waarom een prikkel een OR uitlokt?

(1) De mate waarin de prikkel nieuw is (novelty) en (2) de motivationele betekenis (significance).

35
New cards

Hoe verklaart Bradley dat huidgeleding trager habitueert dan hartslagverandering?

Hartslag wordt vooral bepaald door novelty (die snel verdwijnt), terwijl huidgeleding meer door significance wordt bepaald (die traag verdwijnt).

36
New cards

Wat zijn het A-proces en B-proces in de theorie van Solomon?

Het A-proces is de directe emotionele reactie op een prikkel; het B-proces is de tegengestelde reactie van het organisme om de balans te herstellen.

37
New cards

Waarom is de contextafhankelijkheid van tolerantie bij drugs gevaarlijk?

In een nieuwe context is het B-proces (tegenreactie) minder sterk, waardoor dezelfde dosis drugs tot een overdosis kan leiden.

38
New cards

Definieer CSCS en USUS.

CSCS is de voorwaardelijke prikkel waarvan de reactie afhankelijk is van het verband; USUS is de onvoorwaardelijke prikkel waarmee de CSCS gepaard wordt.

39
New cards

Wat betekent de notatie AXAX- in conditioneringsonderzoek?

Dat zowel prikkel AA als prikkel XX aanwezig zijn, maar de USUS afwezig is.

40
New cards

Wat is observationele conditionering?

Leren waarbij de USUS het gedrag of de emotionele reactie van een model (soortgenoot) is.

41
New cards

Wat is conditionering via instructies?

Leren waarbij de reflex of reactie tot stand komt door verbale informatie over de relatie tussen prikkels, zonder dat ze effectief samen hoeven te worden aangeboden.

42
New cards

Wat toonde het experiment van Garcia en Koelling aan over intrinsieke relaties?

Dieren leren selectief; smaak wordt makkelijk gekoppeld aan ziekte (lithium), terwijl licht/geluid makkelijk wordt gekoppeld aan een elektrische schok.

43
New cards

Wat is USUS-revaluatie?

Het veranderen van de waarde van de USUS na de conditionering, wat direct invloed heeft op de sterkte van de CRCR op de CSCS.

44
New cards

Wat is counterconditionering?

Een procedure waarbij de aard van de USUS die volgt op een CSCS wordt veranderd (bijv. van aversief naar appetitief) om de CRCR te wijzigen.

45
New cards

Wat is autoshaping?

Het fenomeen waarbij willekeurig gedrag (zoals het pikken van een duif) automatisch wordt gevormd door een verband tussen twee prikkels (bijv. licht-voedsel).

46
New cards

Wat zijn preparatorische responsen?

Reacties die het organisme voorbereiden op de komst van een prikkel, zoals salivatie bij voedsel of freezing bij gevaar.

47
New cards

Wat zijn evaluatieve responsen in klassieke conditionering?

Veranderingen in hoe positief of negatief men een prikkel vindt door de koppeling met een andere positieve of negatieve prikkel (evaluatieve conditionering).

48
New cards

Waarom is contingentie belangrijker dan contiguïteit voor conditionering?

Alleen het samen voorkomen (contiguïteit) is niet genoeg; er moet een statistisch verband zijn waarbij de USUS waarschijnlijker is bij de CSCS dan zonder de CSCS.

49
New cards

Wat is de formule voor Delta P (ΔP\Delta P)?

ΔP=p(US/CS)p(US/CS)\Delta P = p(US/CS) - p(US/\sim CS).

50
New cards

Wanneer spreken we van excitatorische conditionering?

Wanneer p(US/CS)>p(US/CS)p(US/CS) > p(US/\sim CS), oftewel een positieve contingentie.

51
New cards

Wanneer spreken we van inhibitorische conditionering?

Wanneer p(US/CS)<p(US/CS)p(US/CS) < p(US/\sim CS), oftewel een negatieve contingentie.

52
New cards

Wat is overshadowing?

Het fenomeen waarbij een sterke of opvallende CSCS het leren over een minder opvallende CSCS belemmert wanneer ze samen worden aangeboden.

53
New cards

Wat is het blocking effect (Kamin)?

Het feit dat leren over prikkel XX wordt geblokkeerd als prikkel AA al een betrouwbare voorspeller is voor de USUS voordat AXAX samen worden aangeboden.

54
New cards

Wat is conditionele contingentie?

De contingentie tussen twee prikkels in situaties waarin aan een bepaalde voorwaarde is voldaan (bijv. de aanwezigheid van een andere prikkel).

55
New cards

Wat is sensoriële pre-conditionering?

Een procedure waarbij twee neutrale prikkels eerst samen worden aangeboden, waarna één ervan met een USUS wordt gepaard; de andere lokt dan ook een CRCR uit.

56
New cards

Wat is hogere-orde conditionering?

Wanneer een geconditioneerde prikkel (CS1CS_1) wordt gebruikt als 'USUS' om een nieuwe prikkel (CS2CS_2) te conditioneren.

57
New cards

Wat is het CSCS-preexposure effect (latente inhibitie)?

De vertraging in het leren van een CSUSCS-US verband doordat de CSCS voorafgaand herhaaldelijk alleen is aangeboden.

58
New cards

Wat is extinctie (uitdoving) in klassieke conditionering?

De afname van de CRCR wanneer de CSCS herhaaldelijk wordt aangeboden zonder de USUS.

59
New cards

Wat is spontaan herstel?

Het verschijnsel dat een uitgedoofde CRCR na een rustperiode weer in intensiteit toeneemt bij aanbieding van de CSCS.

60
New cards

Wat is renewal (contextuele hernieuwing)?

Het terugkeren van de CRCR wanneer de CSCS wordt aangeboden in een andere context dan de uitdovingscontext.

61
New cards

Wat is een 'occasion setter'?

Een signaal dat aangeeft of een relatie tussen een CSCS en een USUS op dat moment geldig is.

62
New cards

Wat is het verschil tussen simultane en achterwaartse conditionering?

Bij simultane conditionering verschijnen CSCS en USUS tegelijk; bij achterwaartse conditionering volgt de CSCS op de USUS.

63
New cards

Wat is de kern van SRS-R modellen?

Leren is het vormen van een directe associatie tussen de representatie van de stimulus (SS) en de motorische respons (RR).

64
New cards

Wat is de kern van SSS-S modellen?

Leren is het vormen van een associatie tussen de representatie van de CSCS en de representatie van de USUS.

65
New cards

Waarom kan een SRS-R model USUS-revaluatie niet verklaren?

Omdat volgens SRS-R modellen niets over de USUS wordt geleerd; de associatie ligt tussen SS en RR, dus verandering in de USUS zou geen invloed mogen hebben.

66
New cards

Wat verklaart het Rescorla-Wagner model?

Dat conditionering afhankelijk is van de verwachtingsdiscrepantie: we leren alleen als er een verschil is tussen wat verwacht wordt en wat er gebeurt.

67
New cards

Geef de formule van het Rescorla-Wagner model.

ΔVA=αAβ(λVAX)\Delta V_A = \alpha_A \beta (\lambda - V_{AX}).

68
New cards

Wat stelt het SOP-model van Wagner over extinctie?

Dat er twee soorten associaties zijn (excitatorisch en inhibitorisch) en dat extinctie niet het wissen van oude kennis is, maar het bijleren van een inhibitorische regel.

69
New cards

Wat is het Comparator model van Miller?

Een model dat stelt dat we altijd associaties vormen bij contiguïteit, maar dat gedrag afhangt van een vergelijking tussen de sterkte van verschillende associaties.

70
New cards

Wat is een propositie in de leerpsychologie?

Een bewering of stelling over de relatie tussen gebeurtenissen die een waarheidsgehalte heeft.

71
New cards

Welk bewijs ondersteunt propositionele modellen bij blocking?

Blocking treedt alleen op als de USUS in de controlefase maximaal is; proefpersonen gebruiken causale logica om te bepalen of prikkel XX effect heeft.

72
New cards

Wat is de drie-termen-contingentie (ABCABC-contingentie)?

Antecedent (SdS^d), Behavior (RR), en Consequence (SrSr).

73
New cards

Wat is het verschil tussen een responsklasse en een operante klasse?

Een responsklasse wordt descriptief gedefinieerd (uiterlijke vorm); een operante klasse functioneel (gedragingen die gesteld worden omwille van dezelfde uitkomst).

74
New cards

Wat is bekrachtiging (reinforcement)?

Een effect waarbij de frequentie van gedrag toeneemt door een link met een resultaat (SrSr).

75
New cards

Wat is straf (punishment)?

Een effect waarbij de frequentie van gedrag afneemt door een link met een resultaat (SrSr).

76
New cards

Wat is het verschil tussen ontsnappings- en vermijdingsleren?

Ontsnapping stopt een reeds aanwezige aversieve prikkel; vermijden voorkomt dat een aversieve prikkel verschijnt.

77
New cards

Wat is 'sensory reinforcement'?

Het verschijnsel dat de loutere aanbieding van sensoriële prikkels (bijv. licht krijgen) op zich bekrachtigend kan werken.

78
New cards

Wat zegt het principe van Premack?

De mogelijkheid om een gedrag met een hoge natuurlijke frequentie te stellen, werkt als bekrachtiger voor gedrag met een lagere frequentie.

79
New cards

Wat is het responsdeprivatie model?

Een gedrag fungeert als bekrachtiger als de toegang tot dat gedrag beperkt wordt tot onder het natuurlijke niveau (deprivatie).

80
New cards

Wat is 'unit of behavior'?

De eenheid waarmee een onderzoeker een bepaalde klasse van gedragingen aflijnt; dit bepaalt wat bekrachtigd wordt.

81
New cards

Hoe werkt shaping als 'ontogenetische evolutie'?

Door stapsgewijs de eisen voor bekrachtiging te veranderen, ontstaat er nieuw gedrag dat voorheen niet in het repertoire zat.

82
New cards

Wat is 'learned helplessness' (aangeleerde hulpeloosheid)?

Het verschijnsel waarbij een organisme stopt met proberen een aversieve prikkel te vermijden nadat het heeft ervaren dat gedrag geen invloed heeft op de uitkomst.

83
New cards

Wat is een 'DRODRO' schema?

Differential Reinforcement of Other behavior: het bekrachtigen van elk gedrag behalve het ongewenste gedrag.

84
New cards

Wat is het 'Differential Outcomes Effect' (DOEDOE)?

Het verschijnsel dat leren sneller gaat wanneer verschillende discriminatieve stimuli ook tot verschillende, unieke uitkomsten leiden.

85
New cards

Wat zijn 'establishing operations' (Sr-vormende ingrepen)?

Procedures die de bekrachtigende of bestraffende waarde van een prikkel veranderen (bijv. voedseldeprivatie maakt voedsel een sterkere bekrachtiger).

86
New cards

Wat is een 'fixed ratio' (FR) schema?

Bekrachtiging volgt na een vast aantal uitgevoerde gedragingen (bijv. elke 10e keer).

87
New cards

Wat is een 'variable interval' (VI) schema?

Bekrachtiging volgt na het eerste gedrag dat gesteld wordt na een tijdsinterval dat varieert rond een gemiddelde.

88
New cards

Welk bekrachtigingsschema zorgt voor het meest constante gedrag?

Variabele schema's (VR en VI) zorgen voor een meer constant en regelmatig gedrag dan vaste schema's.

89
New cards

Wat is de 'Matching Law'?

De relatieve frequentie van gedragingen komt overeen met de relatieve frequentie van de bekrachtiging die elk gedrag oplevert.

90
New cards

Wat is 'behavioral economics' in leerpsychologie?

Het onderzoek naar keuzegedrag waarbij variabelen zoals omvang van de bekrachtiger en tijdstip van toediening worden bestudeerd.

91
New cards

Wat is het verschil tussen primaire en secundaire bekrachtigers?

Primaire bekrachtigers voldoen aan een biologische behoefte; secundaire bekrachtigers danken hun waarde aan een koppeling met andere bekrachtigers.

92
New cards

Wat is een 'token bekrachtiger'?

Een object (zoals geld of een fiche) dat zelf geen waarde heeft maar geruild kan worden voor andere bekrachtigers.

93
New cards

Wat is de 'extinction burst'?

Een tijdelijke toename in frequentie en hevigheid van gedrag onmiddellijk nadat de uitdovingsprocedure is gestart.

94
New cards

Wat is het 'partial reinforcement extinction effect' (PREEPREE)?

Gedrag dat slechts af en toe werd bekrachtigd (partieel), is veel beter bestand tegen uitdoving dan gedrag dat continu werd bekrachtigd.

95
New cards

Wat is 'Relational Frame Theory' (RFTRFT)?

Een theorie die stelt dat menselijk gedrag vaak onder controle staat van arbitraire relaties tussen prikkels (bijv. 'gelijk aan', 'groter dan').

96
New cards

Wat is 'stimulus equivalentie'?

Een vorm van relationeel reageren waarbij prikkels als onderling verwisselbaar worden behandeld (symmetrie en transitiviteit).

97
New cards

Wat is het tweefactorenmodel van Mowrer?

Een model voor vermijdingsleren dat stelt dat eerst angst geconditioneerd wordt (CSUSCS-US) en daarna de respons bekrachtigd wordt door angstvermindering.

98
New cards

Wat is de definitie van 'ABA' (Applied Behavior Analysis)?

Een veld dat leerprincipes gebruikt om technologieën te ontwikkelen die gedrag in de echte wereld veranderen om welzijn te bevorderen.

99
New cards

Wat zijn de stappen van een functionele analyse in ABA?

(1) Identificeer gedrag, (2) basislijn data, (3) identificeer ABC's, (4) zoek causale functies, (5) verander contingenties, (6) generalisatie.

100
New cards

Wat is een ABABA-B-A-B design?

Een onderzoeksmethode waarbij een basislijn (AA) wordt afgewisseld met een interventie (BB) om causale effecten bij één individu aan te tonen.