1/52
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
natuurlijke polymeren
dierlijk/eiwit
plantaardig/cellulose
mineraal
semi-kunstmatige polymeren
plantaardig/cellulose
dierlijk/proteïne
kunstmatige polymeren
thermoharders
thermoplasten
elastomeren
waarom plastics?
nabootsen van natuurlijke materialen
schildpad, hoorn, parelmoer, …
goedkoper te produceren
toegankelijk maken voor iedereen
natuurrubber
latex genoemd
elastomeer (rubber)
afgetapt van de hevea brasilliensi (Braziliaanse rubberboom)
schildpad en hoorn
thermoplastische eigenschappen (TP)
plastisch in warm water of alkalische oplossingen
vermalen tot poeder en gemengd met een bindmiddel → mengsel wordt onder hoge hitte en druk in vormen geperst
gutta percha
natuurlijk polymeer ca. 1822
een natuurrubber van het geslacht van tropische bomen, Palaquium-soorten
thermoplast (TP), goede isolator en kan gekleurd worden
van nature donker bruin/zwart
geur is zwavelachtig (rotte eieren geur)
bruin zwart imitatie van ebbenhout
schellak
afscheiding van tropische kever (Kerria Lacca) vermengd met vulstoffen zoals katoenvlok, houtmeel, …
thermoplast (TP), maar vertoont eigenschappen van thermoharder (uitharden door cross-link)
handelsnamen: Diatite, Peck
fabricageproces: gieten door persen
kleur: donkerbruin, zwart en soms bruin
eigenschappen: ondoorzichtig, stijf en hard, zegellak geur, bros, …
gebruik: de 78-toeren plaat (tot 1948), etuis voor daguerreotypieën, stijfsel voor bolhoeden, …
bois durci
verhard hout
thermoharder (TH)
gemaakt van houtpoeder en bloed, in oplossing gebracht en geperst in een vorm
imiteren van ebbenhouten snijwerk
ontstaan van plastics: historisch overzicht
1839: Gevulkaniseerd rubber (eboniet, vulcaniet)
1840: Cellulosenitraat (celluloid, parkesine) → CN
1869: Celluloseacetaat (viscosezijde) → CA
1909: Fenol-formaldehydehars (bakeliet) → FF
1912: Celluloseacetaat (film, kodac safetyfilm) → CA
1926: Ureum-formaldehydehars → UF
1930: Polyvinylchloride → PVC
1933: Polymethylmethacrylaat (plexiglas) → PMMA
1934: Melamine-formaldehyde (new bakelite) → MF
1935: Polystyreen → PS
1936: Polyvinylacetaat → PVAC
1938: Polyamide (nylon) → PA
1942: Polyethyleen → PE
1943: Siliconen, polyurethaan → SI, PUR
1947: Epoxy, polyethyleenereftalaat → EP, PET
1955: Polycarbonaat → PC
thermoharder (TH)
verandert niet van vorm bij verhitting
warmhardende en koudhardende
er ontstaat een driedimensionaal nauwmazig netwerk
gevulkaniseerde rubbers (1839)
elastomeren met een thermohardend karakter
ontwikkeld: reactie bij verhitting met een groot percentage zwavel om het rubber sterker en elastischer te maken → vulkaniseren
typische toepassingen: luciferdoosje, vulpen, imitaties, …
kleur: meestal zwart of rood + altijd ondoorzichtig
groep: thermoharder (niet vormbaar)
handelsnamen: vulcaniet, eboniet
geur: zwavelachtig/rubberachtig
Caseïne, CS (1899)
kunsthoorn of Galalith (melk + formaldehyde)
kenmerken: vervaardigd uit melk + reactiemiddel (een zuur)
eigenschappen: rigide plastic, thermoharder maar tot zekere hoogte thermoplast, kan gekleurd worden, transparant of opaak gemaakt worden, imitatiemateriaal, …
vroege toepassingen: knopen, haarborstels, handvaten en breinaalden
merknamen: Galalith, Ivoride, Erinoid, Lactoid, Dorcasine, Syrolit, Aladdinite, Karolith, Kyloid, Ameroid,…
thermoplasten
worden week/plastisch bij temperatuurstijging
amorf of ‘zonder vorm’, geen duidelijke structuur
kan terug verwerkt worden
Cellulosenitraat, CN (1862)
groep: thermoplasten (TP), lineaire moleculen
ontwikkeling: tentoongesteld op internationale tentoonstelling van 1862 in Londen → eerste gewone huishoudkunststof (later als zijde)
handelsnamen: Parkesin, Xyloniet en Celluloid
kenmerken: alle mogelijke kleuren, doorzichtig tot ondoorzichtig, stijfheid heeft breed scala, voelt hard aan, kamfer geur, …
toepassingen: gitaarplectrums, imitatie schildpad, ivoor en parelmoer, …
Cellulose acetaat, CA (1869)
groep: thermoplasten (TP)
ontwikkeling: eerste bereiding in 1865, aangepast om viscosezijde te vormen in 1892, cellofaan = transparante folie (1908); algemeen gebruik in 1920, terugval in 1970 en huidige heropleving als hernieuwbare grondstof
handelsnamen: Estron, Celanese, Kodak Safety Film, Lumarith, Tenite, Rayon, Cellofaan en Viscosezijde
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, sterk maar enigzins zacht, kan flexibel zijn, voelt hard aan, rijkt naar azijn, …
toepassingen: als vloeistof om vleugels/rompen van vroege vliegtuigen stijf en waterdicht te maken, in vaste vorm in brilmonturen, film, …
kunststoffen/plastics (definitie)
synthetische macromoleculen die door plastische vormgeving hun materiaalfunctie krijgen, materialen die bestaan uit lange molecuulketens, ook wel polymeren genoemd. Die lange ketens worden opgebouwd uit kleine bouwstenen: monomeren
soorten polymerisatiereacties
polymerisatie
polycondensatie
polyadditie
additieven
weekmakers
vulstoffen
pigmenten
lichtstabilisatoren
vlamvertragers
weekmakers
smeermiddel doet ketens makkelijker langs elkaar glijden (kunststof wordt flexibel)
vulstoffen
CaCO3 poeder doet het volume van de kunststof vergroten
pigmenten
kleuren van de kunststof (bv., TiO2 = wit pigment)
lichtstabilisatoren
beschermt polymeer tegen afbraak door UV-licht
vlamvertragers
metaaloxiden verlagen de brandbaarheid van de kunststof
fenol formaldehyde, FF (1907)
groep: warmhardende thermoharder (TH)
ontwikkeling: op zoek naar elektrische isolator, uitgevonden door Leo Hendrik Baekeland (België), eerste synthetische kunststof
handelsnamen: Durez, Durite, Indur, Resinox, Red-monal
kenmerken: donkere kleuren, roodbruin tot zwart, opaak, vulstoffen zijn zichtbaar
toepassingen: elektrische isolatoren & componenten, knopen, fittingen, telefoons, camera’s, onderdelen & behuizingen van toestellen, biljartballen, …
melamine formaldehyde, MF (1933)
“New Bakelite”
groep: warmhardende thermoharders (TH)
handelsnamen: Catalin, Carvacraft, Marblette
kenmerken: felle kleuren imitaties van amber en jade
toepassingen: knopen, juwelen, speelgoed, tafelgerei, keukengerei, laminaat
ureum formaldehyde, UF (1920)
“New Bakelite” of Linga Longa + uitvinder Harrods
groep: warmhardende thermoharders (TH)
handelsnamen: Bandalaste, Beatl, Plaskon
kenmerken: lichte tot witte kleuren, kan ook opaak en gemarmerd, sterke fenol geur
toepassingen: tafelgerei, picknick sets, radio’s
epoxy, EP (1936)
groep: koudhardende thermoharder (TH), giethars
kenmerken: licht, sterk, weer- en waterbestendig
toepassingen: gebruikt in boten, basis voor producten, …
glass reïnforced plastics, GRP (1950)
groep: thermoharder (TH) → glasvezels en kunststof
ontwikkeling: tijdens WOII, voor eerst gebruikt in civiele sector in de jaren 1950
handelsnamen: Fibreglass
fabricage: persgieten of fabricage met de hand in een open mal
kenmerken: alle kleuren, doorschijnend tot ondoorzichtig, stijf en hard, heeft geen geur
toepassingen: grote containers, scheepsrompen, autopanelen, beeldhouwwerken, …
polyurethaan, PU of PUR (1937)
groep: koudhardende thermoharder (TH), maar ook thermoplast
ontwikkeling: vanaf 1937, nog steeds op grote schaal
handelsnamen: in aangepaste vorm Lycra of Spandex
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, stijf tot zacht, gevoel varieert, geen geur
toepassingen: meubels, verf, schoenzolen, synthetische lederachtige stoffen, fietszittingen, schuim, …
polyvinyl chloride, PVC (1926)
groep: amorfe thermoplast (TP)
handelsnamen: Vinyl, Naugahyde, Duran, Fabrilite, Ultron, …
kenmerken: rigide of flexibel
toepassingen: imitatieleder, kleding en stoffering, poppen, platen, elektrische bekleding, omslagen, …
polystyreen, PS (1929)
groep: amorfe thermoplast (TP)
handelsnamen: Lacqrene, Polystyrol, Styron, piepschuim, ISOMO
kenmerken: lost op in aceton, alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, hard, voelt altijd stijf
toepassingen: wegwerppennen en scheermesjes, bestek, CD-doosjes, yoghurtpotten, modelbouw, …
polymethylmetacrylaat, PMMA (1932)
groep: amorfe thermoplasten (TP)
ontwikkeling: vanaf 1932, commercieel gebruik vanaf 1934, in mode in 1960
handelsnamen: Oroglas, Perspex, Plexiglas, Luciet, Corian, Diakon
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, betere optische eigenschappen dan glas, stijf, hard en geen geur
toepassingen: beglazing vliegtuigen, recipiënten vervaardigd uit blad, handtassen, juwelen, …
acrylonitril-butadieen-styreen, ABS (1948)
groep: amorfe thermoplast (TP)
ontwikkeling: meteen veel in gebruik na uitvinding
kenmerken: alle kleuren, bijna altijd ondoorzichtig, stijf materiaal, neiging tot vergeling
toepassingen: behuizingen van huishoudelijke apparaten en computers, lego, …
polycarbonaat, PC (1958)
groep: amorfe thermoplast (TP)
ontwikkeling: meteen veel in gebruik na uitvinding
handelsnamen: Makrolon
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, stijf, voelt hard, buitengewoon sterk, geen geur, stabiel maar kan barsten
toepassingen: veiligheids- en ruimtehelmen, compact discs en DVD’s, auto-onderdelen, grote flessen, …
polyamide, PA (1938)
groep: semi-kristallijne thermoplasten
handelsnamen: nylon
kenmerken: imitatie van zijde, flexibel maar toch rigide, natuurlijk wit maar kan gekleurd worden
toepassingen: alternatief voor kunstzijde, tandenborstelhaar, nylonkousen, velschermen, …
polyethyleen, PE (1948)
groep: semi-kristallijne thermoplasten
lage of hoge dichtheid: LDPE en HDPE
ontwikkeling: ontwikkeld in 1933 als eerste thermoplastische synthetische kunststof → tupperware
handelsnamen: Alkathene, Tyvek
kenmerken: alle kleuren, natuurlijk doorschijnend, half stijf tot soepel, gevoel varieert adhv dichtheid, wasachtige geur
toepassingen: vervangen geëmailleerd keukengerei, eerste uitknijpbare flessen, wegkegels, …
polyethyleenereftalaat, PET (1942)
groep: semi-kristallijne thermoplast
ontwikkeling: in 1941 aangekondigd als een commercieel polymeer, op grote schaal vanaf 1980
handelsnamen: verwante film Melinex en Mylar
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, stijf en sterk, gevoel varieert, geen geur
degradatie: relatief stabiel
toepassingen: flessen voor koolzuurhoudende dranken, video- en audiobanden
polypropyleen, PP (1954)
groep: semi-kristallijne thermoplast
ontwikkeling: toenemend gebruik vanaf 1976, in de jaren 1990 in zwang geraakt in vorm van doorschijnende platen
handelsnamen: Propathene
kenmerken: alle kleuren, transparant tot ondoorzichtig, kan redelijk glanzende krassen krijgen
toepassingen: stoelhoezen, tuinmeubelen, bagage, autobumpers, benzineblikken, …
elastomeren
3D wijdmazig netwerk:
gevulkaniseerde rubbers
hersmeltbaar TPR (thermoplastische rubbers)
eerste synthetische rubber, SR (1930)
groep: elastomeer
ontwikkeling: wijdmazig netwerk ketens, op enkele plaatsen met elkaar verknoopt
toepassingen: banden (SBR: Styreen Butadieen Rubber)
neopreen (1940)
groep: elastomeer, hersmeltbaar TPR
toepassingen: surfpakken
silicone (1934)
groep: elastomeer, synthetische polymeer uit silicium
ontwikkeling: commercieel gebruik vanaf 1942
degradatie: relatief stabiel
kenmerken: alle kleuren, doorschijnend tot ondoorzichtig, flexibel, voelt zacht en veerkrachtig, geen geur, waterafstotend, kan tegen hoge hitte
toepassingen: bak- en ijsbakken, ovenwanten, borstimplantaten, babyspenen, …
geprofileerde vezels: spinopeningen
kruisprofiel
sterprofiel
kruisprofiel (2.0)
driehoekprofiel
viscose VI
viscose rayonne
koperrayonne
acetaatrayonne
extruderen (1840)
kunststofkorrels worden in een verwarmde cilinder gebracht, een draaiende schroef smelt en perst de kunststof, de gesmolten kunststof wordt door een matrijs geperst tot een doorlopend profiel en het profiel wordt gekoeld met lucht of water
kalanderen (1874)
gesmolten polymeer korrels worden in een extruder aan hitte en druk blootgesteld en vervolgens via een aantal paren kalanderwalsen tot folie gevormd, de temperatuur en de snelheid van de rollen beïnvloeden de eigenschappen van de folie en kalanderen maakt speciale oppervlaktebehandelingen mogelijk, zoals reliëfdruk
spuitgieten
schelpvormige materialen worden gespoten in een “mal”, deze machine maakte het ook mogelijk materiaal te mengen vóór injectie, zodat gekleurde of gerecycleerde kunststof aan nieuw materiaal kon worden toegevoegd en grondig kon worden gemengd alvorens te worden geïnjecteerd
thermoformeren of vacumeren (1890)
een voorgevormde plaat materiaal wordt verwarmd en over een mal gedrapeerd, er is geen hoge warmte of druk nodig, zodat mallen kunnen worden gemaakt van goedkope materialen zoals Medium Density Fibreboard MDF, dit procedé kan ook worden gebruikt om staven en buizen te vormen
rotatievormen
carrouselsysteem, roteert heel traag (hele proces duurt 1 uur), mattrijs wordt gevuld met kunststofpoeder en wordt verwarmd, daarna wordt de mattrijs gekoeld
extrusieblaasvormen
continu product, holle complexe vormen gemaakt in matrijs, wanddikteverschillen, er zullen naadlijnen en een blaasopening zijn
injectieblaasvormen (1881)
hete lucht wordt in een voorgevormde buis van halfgesmolten kunststof geblazen, een zogeheten parison, onder druk van de geblazen lucht zet de parison uit, als een ballon, en vult de holte die door een tweedelige, meestal metalen, matrijs wordt gevormd, de buis wordt gespuitgiet waardoor een schroefdraad voor een deksel of een ander detail kan worden gevormd
herkennen van kunststoffen
de vorm: toepassing
het uiterlijk: kleur, transparant/opaak
het aanvoelen: droog/vettig, hard/zacht, …
het buigen: hard/soepel, kleurverandering op buigrand
de klank bij vallen: metaalachtig/dof
de brandproef: geur, manier van branden, …
de densiteit: zinken/drijven
gedrag tov chemicaliën