1/86
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Drogreden (fallacy)
Een argument dat onterecht overtuigend is, maar ondeugdelijk. Ook: argumentatiefout, argumentatievalkuil.
Weerleggen van argumenten
Het bestrijden van andermans argumenten via (1) tegenargumenten (tegenaanval) of (2) problemen aankaarten in de redenering/premissen van de tegenstander (verdediging).
Redeneerfout
Een structurele cognitieve bias (mentale neiging) die leidt tot een onjuiste redenering; kan in een argument geformuleerd worden als drogreden.
Argumentatieschema
Een beschrijving van het type verband dat wordt gelegd tussen premissen en conclusie om een stelling te ondersteunen (bv. beroep op deskundigheid, gevolg, gelijkenis).
Verankering
De neiging om te sterk vast te houden aan de eerste informatie die men ontvangt.
Framing effect
De invloed van de formulering van een probleem op het oordeel of de beslissing.
Bevestigingsbias
De neiging om alleen bevestigend bewijs te zoeken en tegenbewijs te negeren.
Opvattingspersistentie
Het vasthouden aan een overtuiging, zelfs nadat het tegendeel is bewezen.
Verliesaversie
De neiging om verliezen zwaarder te laten wegen dan gelijke winsten.
Post hoc, ergo propter hoc (bias)
De onjuiste aanname dat omdat A voor B kwam, A B heeft veroorzaakt.
Hindsight bias
De neiging om een gebeurtenis achteraf als voorspelbaar te beschouwen.
Beschikbaarheidsheuristiek
Waarschijnlijkheid inschatten op basis van hoe makkelijk voorbeelden in gedachten komen.
Affectheuristiek
Oordeel baseren op emotionele impact in plaats van rationele afweging.
Representativiteitsheuristiek
Oordeel baseren op stereotypen of overeenkomst met een typisch geval.
Base rate fallacy
De fout om specifieke informatie zwaarder te laten wegen dan algemene statistische context (basis frequenties).
Deductieve redenering
Redenering waarbij de conclusie noodzakelijk volgt uit de premissen (geldigheid).
Inductieve redenering
Redenering van concrete gevallen naar een algemene regel (waarschijnlijkheid).
Abductieve redenering
Redenering van een waarneming naar een mogelijke verklaring (inference to the best explanation).
Non sequitur
Overkoepelende deductieve drogreden: de conclusie volgt niet logisch uit de premissen.
Overhaaste veralgemening
Inductieve drogreden: te weinig of niet-representatieve gevallen vormen de basis voor een algemene regel.
Jumping to conclusions
Abductieve drogreden: een verklaring aannemen op basis van te weinig informatie.
Bevestiging van consequens
Deductief ongeldig schema: Als P dan Q, Q, dus P.
Ontkenning van antecedens
Deductief ongeldig schema: Als P dan Q, niet P, dus niet Q.
Ad ignorantiam
Uit gebrek aan bewijs concluderen dat iets waar is (of onwaar).
Is/ought-drogreden
Een normatieve conclusie trekken uit louter beschrijvende premissen (zonder extra normatieve premisse).
Compositie
Onterecht concluderen dat een eigenschap van delen ook geldt voor het geheel.
Divisie
Onterecht concluderen dat een eigenschap van het geheel ook geldt voor een deel.
Foutieve disjunctie
Verwarring tussen een inclusieve (minstens één waar) en exclusieve (slechts één waar) disjunctie.
Vals dilemma
Een situatie ten onrechte voorstellen alsof er slechts twee mogelijkheden bestaan (contraire uitspraken presenteren als contradictorisch).
Vals compromis
Ten onrechte aannemen dat de waarheid in het midden ligt tussen twee tegengestelde standpunten.
Valse analogie
Een analogie (gelijkenis) die niet relevant of voldoende sterk is om de conclusie te dragen.
Vals verschil
Een onderscheid maken dat niet relevant is voor de conclusie.
Post hoc ergo propter hoc (als drogreden)
Ten onrechte stellen dat omdat A voor B gebeurde, A B veroorzaakte.
Cum hoc ergo propter hoc
Ten onrechte stellen dat omdat A en B samen voorkomen, A B veroorzaakt.
Hellend vlak (slippery slope)
Een ondeugdelijke ketenredenering waarin een kleine eerste stap zou leiden tot extreme gevolgen zonder voldoende rechtvaardiging.
Overhaaste veralgemening
Zie C (inductieve fout).
Jumping to conclusions
Zie C (abductieve fout).
Dicto simpliciter
Een algemene regel behandelen als een absolute regel (geen uitzonderingen toestaan).
Cirkelredenering (petitio principii)
Redenering waarin de conclusie impliciet of expliciet in de premissen zit; de premissen leveren geen onafhankelijke ondersteuning.
Herhaling (variant van cirkelredenering)
De conclusie is slechts een herformulering van de premisse.
Wederzijdse circulariteit
Twee beweringen ondersteunen elkaar wederzijds (p volgt uit q en q volgt uit p).
Impertinent argument
Aangevoerde informatie onderbouwt de stelling niet omdat ze niet relevant is.
Triviaal argument
Het argument steunt op informatie die juist of vanzelfsprekend is, maar draagt geen nieuwe onderbouwing bij.
Ad populum
Beroep op het feit dat veel mensen iets geloven als bewijs voor de waarheid.
Ad numerum
Beroep op concrete aantallen/cijfers (grote groep) als bewijs.
Ad verecundiam
Beroep op gezag of ontzag voor een persoon als bewijs.
Ad antiquitatem
Beroep op ouderdom of traditie als bewijs.
Ad novitatem
Beroep op nieuwheid of moderniteit als bewijs.
Ad crumenam
Beroep op rijkdom van de spreker als bewijs.
Ad lazarem / ad lazarum
Beroep op armoede of eenvoud van de spreker als bewijs.
Ad misericordiam
Beroep op medelijden om een conclusie te laten aanvaarden.
Ad lapidem
Een standpunt zonder argument verwerpen als absurd of vanzelfsprekend onwaar.
Equivocatie
Hetzelfde woord wordt in verschillende betekenissen gebruikt binnen één redenering.
Misbruik van etymologie
De herkomst van een woord behandelen als beslissend voor de huidige betekenis.
Ad hominem
Een persoon aanvallen in plaats van het standpunt weerleggen.
– Beledigende variant
Directe belediging van de persoon.
– Omstandigheidsvariant (genetische drogreden)
Afkomst of motieven van de persoon aanvallen.
– Inconsistentievariant (tu quoque)
“Jij ook al” – de tegenstander wijzen op eigen inconsistent gedrag.
– Onbekwaamheidsvariant
Beweren dat de persoon niet competent is.
Ad baculum
Een standpunt laten aanvaarden of verwerpen door dreiging.
Stroman-argument
Het standpunt van de ander verdraaien tot een zwakkere of extremere versie en die vervolgens weerleggen.
Vergiftigen van de bron (poisoning the well)
Op voorhand ongunstige informatie verspreiden over de spreker/bron, zodat diens uitspraken minder geloofwaardig lijken (minder direct dan ad hominem, meer framing).
Overhaast tegenvoorbeeld
Een algemene regel verwerpen op basis van één concreet uitzonderingsgeval (regel wordt ten onrechte als absoluut behandeld).
Verschuiving onderwerp (shifting ground)
Tijdens de discussie subtiel het onderwerp veranderen om de oorspronkelijke kwestie te ontwijken.
Rode haring (ignoratio elenchi)
De aandacht afleiden van de oorspronkelijke kwestie door een ander, zijdelings relevant of emotioneel geladen onderwerp op te werpen.
Meervoudige vraag
De gesprekspartner overstelpen met bijkomende vragen, zodat direct antwoord onmogelijk wordt; lijkt alsof proponent geen antwoord heeft.
Complexe vraag
Een vraag waarbij elk direct antwoord een betwistbare premisse aanvaardt.
Beroep op relativisme
De discussie ontwijken door te beweren dat een standpunt slechts relatief is (“ieder zijn waarheid”), waardoor inhoudelijke beoordeling onmogelijk wordt.
Argument op basis van bijzondere geplaatstheid
Beroep op een getuige of waarnemer.
Argument op basis van (inhoudelijke) deskundigheid
Beroep op een expert.
Argument op basis van de persoon
Beroep op kenmerken van de persoon (kan vervallen in ad hominem).
Argument op basis van gedeelde overtuiging
Beroep op wat de meerderheid gelooft (kan vervallen in ad populum).
Argument op basis van gevolgen
Beroep op positieve of negatieve gevolgen (kan vervallen in slippery slope, sunk cost, ad absurdum).
Argument op basis van regelmaat
Beroep op een vast patroon (kan vervallen in post hoc).
Argument op basis van gelijkenis
Analogie.
Argument op basis van verschil
Distinguishing.
Argument a fortiori
Redenering van een sterker naar een zwakker geval (of omgekeerd).
Argument op basis van regels
Toepassing van een regel.
Argument op basis van testresultaten
Empirisch bewijs.
Argument op basis van gebrek aan informatie
Beroep op afwezigheid van bewijs (kan vervallen in ad ignorantiam).
Drogreden van de gemaakte kosten (sunk cost fallacy)
De fout om door te gaan met iets omdat men er al veel in geïnvesteerd heeft, ongeacht toekomstige vooruitzichten.
Ad absurdum
Een argument dat een standpunt reduceert tot een absurde conclusie (kan deugdelijk of ondeugdelijk zijn).
Contradictorisch
Twee uitspraken die niet samen waar en niet samen onwaar kunnen zijn.
Contrair
Twee uitspraken die niet samen waar kunnen zijn, maar wel samen onwaar.
Disjunctie
Een uitspraak van de vorm “A of B”.
Inclusieve disjunctie
Minstens één van beide is waar. (en/of)
Exclusieve disjunctie
Slechts één van beide is waar. (of)