1/47
Een uitgebreide set flashcards over de kernbegrippen van forensische psychologie, inclusief ontwikkelingstrajecten, geweldsvormen, stalking, risicotaxatie en verhoortechnieken.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Forensische psychologie (APA)
Elke beroepspraktijk van een psycholoog die werk in een subdiscipline van de psychologie en de wetenschappelijke, technische of gespecialiseerde kennis toepast op de wet om hulp te bieden bij legale, contractuele en administratieve zaken.
Forensische psychologie (VVKP)
Professionele praktijk van klinisch psychologen die psychologische kennis toepassen op justitiële vragen en niet-justitiële vragen met betrekking tot grensoverschrijdend gedrag.
Jeugdcriminaliteit
Alle inbreuken begaan door personen jonger dan −18 jaar.
MOF
Misdaad Omschreven Feit; een term voor wanneer een jongere strafbare feiten pleegt.
VOS
Verontrustende Opvoedingssituatie; een situatie waarin een jongere zich bevindt die interventie noodzakelijk maakt.
Decreet jeugddelinquentie (2019)
Wetgeving waarbij de term MOF werd vervangen door jeugddelict en de focus versverschoof naar meer verantwoordelijkheid voor de jongere en herstelgerichte reacties.
Secureringshypothese
De theorie dat criminaliteit afneemt doordat burgers meer investeren in veiligheid, zoals alarmsystemen, waardoor delicten moeilijker te plegen zijn.
Life course persistent
Een zeldzame groep waarbij delinquent gedrag vroeg in de kindertijd begint en gedurende het leven stabiel blijft, vaak gerelateerd aan neuropsychologische problemen.
Adolescence limited
Een frequente groep waarbij delinquent gedrag begint in de adolescentie en daarna weer afneemt; zij hebben doorgaans geen jeugdtrauma of neuropsychologische problemen.
Maturity gap
Het verschil tussen biologische en sociale maturiteit bij jongeren, wat invloed heeft op Adolescence Limited criminaliteit.
Childhood limited
Kinderen die op jonge leeftijd gedragsproblemen vertonen (50−70%), maar hier tegen de adolescentie uitgegroeid zijn.
Psychopathie (Cleckley)
Gekenmerkt door adaptieve kenmerken (geen wanen), deviant gedrag (geen levensplan), en emotionele armoede met beperkte sociale verbondenheid.
Primaire psychopathie
Vorm van psychopathie waarbij de affectieve en interpersoonlijke aspecten centraal staan.
Secundaire psychopathie
Vorm van psychopathie waarbij de gedragscomponent op de voorgrond staat.
Callous unemotional traits
Kenmerken zoals afwezigheid van schuldgevoel, gebrek aan empathie, onverschilligheid tegenover prestaties en een vlak affect.
Intrafamiliaal geweld
Fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld binnen een gezin, huishouden of tussen (ex-)partners.
Partnergeweld
Gedragingen van een (ex-)partner met als doel de ander te controleren of domineren, vaak met herhaalde agressie die de integriteit aantast.
Intiem terrorisme
Een vorm van geweld gebaseerd op coërcieve controle en intimidatie, meestal van man naar vrouw.
Gewelddadig verzet
Geweld gebruikt als reactie om het geweld van de partner te doen stoppen.
Situationeel koppelgeweld
Escalatie van conflicten van verbaal naar fysiek geweld, waarbij zowel mannen als vrouwen dader kunnen zijn.
Mutueel gewelddadige controle
Wederzijds intiem terrorisme waarbij beide partners controle over elkaar willen uitoefenen.
Polyvictimisatie effect
Het fenomeen waarbij verschillende vormen van intrafamiliaal geweld vaak tegelijkertijd voorkomen binnen een gezin.
Double whammy effect
De nadelige gevolgen voor een kind dat zowel direct slachtoffer is van mishandeling als indirect getuige is van partnergeweld.
Stalking (psychosociale visie)
Herhaald, intrusief en hinderlijk gedrag gericht tegen een specifiek persoon waardoor het slachtoffer zich angstig en bedreigd voelt.
De afgewezen stalker
Meest voorkomende type stalker die na het einde van een relatie handelt uit verlangen naar verzoening of wraak.
Parafilieën
Seksuele gedragingen of fantasieën die afwijken van de heersende norm.
Instrumenteel geweld
Geweld dat functioneel wordt ingezet om een slachtoffer te doen gehoorzamen.
Expressief geweld
Agressie die bedoeld is om het slachtoffer opzettelijk pijn te doen of te vernederen.
Pedofiele stoornis
Intense seksuele fantasieën over prepuberale kinderen waarbij de persoon minstens 16 jaar is en minimaal 5 jaar ouder dan het kind.
Radicalisme
Het koesteren van extreme gedachten zonder het gebruik van geweld.
Extremisme
Extreme overtuigingen die gepaard gaan met gewelddadigheid.
LIVC-R
Lokale Integrale Veiligheidscel Radicalisering; een overlegstructuur voor integrale veiligheid.
Risicotaxatie
Het zorgvuldig inschatten van het risico op basis van zowel beschermende factoren als risicofactoren.
Statische risicofactoren
Historische, onveranderbare factoren die een hoge voorspellende waarde hebben voor recidive.
Dynamische risicofactoren
Factoren die veranderbaar zijn, onderverdeeld in stabiele trekken en acute toestanden.
RNR-model
Behandelmodel gebaseerd op Risk (ernst), Need (criminogene factoren) en Responsivity (individuele kenmerken).
Good lives model
Model dat focust op het aanleren van positieve factoren en sterktes om 'primary goods' op een sociaal aanvaardbare manier te bereiken.
Risk illiteracy
Het onvermogen van besluitvormers om statistische risicocijfers correct te interpreteren.
Therapy-security-paradox
Het spanningsveld tussen het opbouwen van een therapeutische relatie en de noodzaak om risico's te managen en beperkingen op te leggen.
Vrijwillige valse bekentenis
Een bewuste valse bekentenis die wordt afgelegd zonder enige externe druk.
Reid techniek
Een verhoortechniek die de kans op gedwongen valse bekentenissen verhoogt door isolatie, confrontatie en minimalisatie.
Suggestibiliteit
De mate waarin iemand nieuwe, potentieel onjuiste informatie overneemt als authentiek.
Memory distrust
Een gebrek aan vertrouwen in het eigen geheugen, wat iemand vatbaarder maakt voor suggestibiliteit.
Change blindness
Het fenomeen waarbij men grote veranderingen in het visuele veld niet opmerkt.
Wapenfocus
De neiging om bij een misdrijf zo sterk op een wapen te focussen dat andere details, zoals de dader, minder goed worden onthouden.
Post-event informatie (misinformatie effect)
Informatie die na een gebeurtenis wordt verkregen en de oorspronkelijke herinnering kan wijzigen.
Simultane line-up
Een identificatiemethode waarbij alle personen tegelijkertijd worden getoond, wat leidt tot relatieve beoordeling.
Sequentiële line-up
Een identificatiemethode waarbij personen één voor één worden getoond, wat aanzet tot absolute beoordeling.