1/84
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Visuele agnosie
Gewaarwording niet geïnterpreteerd kan worden tot een betekenisvol geheel
Hemispatieel neglect
Niet bewust van één kant van ruimte/ lichaam
Parafoveale waarneming
Minder scherp beeld als je je er niet op focust
Distale stimulus
Het object van de buitenwereld dat de fysische energie produceert
Proximale stimulus
Het geheel aan fysische energie dat onze sensorisch receptoren stimuleert (beeld op netvlies)
Interfacetheorie
Perceptie geeft ons geen realistisch beeld van de buitenwereld, zoals een video doet, maar een interpretatie die ons in staat stelt om met de omgeving te interageren
Woordsuperioriteitseffect
Woorden makkelijker te onthouden dan losse letters
Binoculaire dispositie
Twee ogen staan uit elkaar en we fuseren die twee beelden
Template matching
Figuur die tijdens perceptuele organisatie geïsoleerd werd, wordt vergeleken met een reeks van templates/sjablonen in het geheugen
Kenmerkherkenning
Voorwerpen hebben kenmerken die zich op bepaalde manieren tot elkaar verhouden
Geons
Basisvormen naam binnen de kenmerktheorie
Prosopagnosie
Onmogelijkheid om gezichten te herkennen
Holistische verwerking
Gezichten worden in het geheel verwerkt
Bewegingsparallax
De beweging van de kijker de beelden van dichtbijgelegen voorwerpen sneller over het visueel veld schuiven dan beelden van verafgelegen voorwerpen
Ponzo illusie
Lijkt alsof twee objecten van exact dezelfde grootte verschillend van formaat omdat de achtergrond parallelle lijnen bevat
Apparente beweging
Optische illusie waarbij stilstaande beelden in snelle opvolging worden waargenomen als een vloeiende beweging
Geinduceerde beweging
Visuele illusie waarbij de waarnemer de illusie heeft dat een object beweegt, terwijl de achtergrond of het omliggende referentiekader in werkelijkheid beweegt
Waterval illusie
Wanneer je lange tijd naar een bewegend object in één richting kijkt en daarna kijkt naar een stilstaand object lijkt het plotseling in de tegenovergestelde richting te bewegen
Prenataal leren
Baby leert dingen aan als die in de buik zit
Perceptuele constantie
Fenomeen van gelijkblijvende voorwerpen, ondanks de voortdurende veranderingen in het retinale beeld
Heuristische interpretatieproces
Het visuele systeem de meest waarschijnlijke distale stimulus berkent op basis van de veronderstellingen en de proximale stimulus
Bottom up processen
Informatiestroom van de receptoren aan de basis naar de hogere hersencentra
Perceptuele organisatie
Het proces waarbij de verschillende randen uit het retina beeld gestructureerd worden in grotere gehelen die in een bepaalde relatie staan tot elkaar
Perceptuele groepering
Processen die ervoor zorgen dat elementen uit de primaire schets waargenomen worden als bij elkaar horend
Subjectieve contouren
We zien silhouetten in figuren zonder dat er fysische randen zijn in de stimulus
Top down processen
Vertrekken vanuit de hogere hersencentra en de dataverwerking in lagere stadia
Ongeconditioneerde respons
Reactie die zonder voorafgaand leerproces
gecontioneerde stimulus
Een voorheen neutrale stimulus die, na herhaalde koppeling met de OS, zelf een respons kan uitlokken
Neutrale stimulus
Een prikkel die aanvankelijk geen automatische respons
Ongeconditioneerde stimulus
Een prikkel die van nature een automatische, niet-aangeleerde respons
Ongeconditioneerde respons
De automatische, reflexieve reactie op een ongeconditioneerde stimulus
Geconditioneerde respons
De aangeleerde reactie reactie die optreedt wanneer de geconditioneerde stimulus wordt aangeboren
Verwering
De fase waarin de NS herhaaldelijk met de OS wordt aangeboden, waardoor de NS de CS wordt
Extinctie
het afzwakken of verdwijnen van de CR wanneer de CS herhaaldelijk zonder de OS wordt aangeboden.
Spontane herstel
Het plots terugkeren van een eerder uitgedoofde CR na een rustperiode
Stimulus generalisatie
Wanneer je ook reageert op stimulus die lijken op de CS
Stimulus discriminatie
Her vermogen om alleen op de CS te reageren en niet op gelijkende stimulus
Contiguiteit
GS en OS kort op elkaar moeten volgen om klassieke conditionering te krijgen
Blokkering
Wanneer je geen nieuwe associatie leert omdat een eerdere associatie de nieuwe overschaduwt
Wat van effect
Response die succesvol zijn zullen herhaald worden en steeds sneller en efficiënter uitgevoerd worden. Response die onbevredigende gevolgen teweegbrengen zullen niet herhaald worden
Operante respons
Gedrag dat wordt uitgevoerd omdat het gevolgen heeft (leert door wat er gebeurt na het gedrag)
Positieve bekrachtiging
Je voegt iets prettig toe
Negatieve bekrachtiging
Je neemt iets onaangenaams weg
Primaire bekrachtiger
Basisbehoefte bekrachtigen zoals eten, drinken,…
Secundaire bekrachtiger
Een bekrachtiger die belonend wordt door associatie met een primaire
Positieve straf
Je voegt iets onaangenaams toe
Negatieve straf
Je neemt iets prettig weg
Aangeleerde hulpeloosheid
Het onvermogen om te leren hoe een aversieve stimulus ontsnapt kan worden of hoe die vermeden kan worden nadat het organisme aan een onontkoombare, onvermijdbare stimulus blootgesteld werd
Stimulus versterking
Een stimulus waar het model mee omgaat, belangrijker en aantrekkelijker wordt voor diegene die observeert
Doelversterking
Verhoogde motivatie bij de observeerden om hetzelfde doel te bereiken als het model
Systematische desensitisatie
Gedragstherapie bij angststoornissen
Biologische dispositie
Overeenstemming met verwachtingen
Reminiscentiebult
Meer gebeurtenissen onthouden uit de leeftijdsperiode van 10 tot 30 jaar
Besparingmethode
‘Vergeten’ informatie niet volledig uit de hersenen gewist
Vergeetcurve
Relatie tss vergeten en tijdsinterval van leren
Sensorisch geheugen
Houd gedurende zeer korte tijd de informatie bij die de zintuigorganen bereikt heeft
Iconische geheugen
Het sensorisch geheugen voor visuele stimuli
Kortetermijngeheugen
Houdt de informatie vast waar we ons op het moment zalf bewust van zijn
Langetermijngeheugen
Grote opslagruimte van de hersenen voor informatie die varieert van enkele dagen tot een heel mensenleven
Seriële positiecurve
Grafiek die aantoont hoe goed een item onthouden wordt afhankelijk van zijn plaats in de stimulusreeks (eerst/ tweede/ derde/…)
Primacy effect
Eerste aantal items uit lijst worden het best herinnert
Recentheidseffect
Laatste stimuli zitten nog in het KTG waar je ze gemakkelijk uit kan halen
Neuraal netwerk
Een computermodel dat de werking van de hersenen naboots door de werken met eenvoudige knopen die met elkaar in verbinding staan
Catastrofale interferentie
Fenomeen waarbij het aanleren van nieuwe informatie in een neuraal netwerk de reeds opgeslagen, oude informatie abrupt overschrijft en vernietigt. (Werk dus niet zoals de mens zou werken)
Oproepaanwijzingen
Hints die ons helpen om opgeslagen informatie uit ons geheugen om te halen
Episodisch geheugen
Deel van ons langteremijngeheugen dat persoonlijke ervaringen en gebeurtenissen opslaat, inclusief de specifieke context van tijd en plaats
Verval
Fysiologisch veranderingen in het neurale spoor van de ervaring
Proactieve interferentie
Moeilijkheden om een gebeurtenis op te roepen ten gevolgen van voorafgaande activiteiten
Retroactieve interferentie
Moeilijkheden om gebeurtenissen op te roepen ten gevolgen van activiteiten die na de opslag van de gebeurtenis plaatsgevonden hebben
Isolatie effect
Een gebeurtenis die distinctief is ten opzichte van andere, gelijktijdige gebeurtenissen, beter onthouden wordt dan gebeurtenissen die niet distinctief zijn
Flitslichtherinneringen
Uiterst levendige en gedetailleerde herinnering aan de omstandigheden waarin iemand hoorde over een schokkende of emotionele gebeurtenis
Toetseffect
Feiten en leerstof beter in het langetermijngeheugen worden opgeslagen door ze actief op te halen via een toets
Genereereffect
Informatie aanzienlijk beter onthoudt als je deze zelf actief bedenkt of construeert dan wanneer je de informatie passief leest of hoort
Schema’s (geheugen)
Georganiseerde voorstellingen over de structuur van de wereld, mensen, gebeurtenissen en acties
Valse herinneringen
Herinneringen of gebeurtenissen die nooit of anders gebeurt zijn
Amnesie
Geheel of gedeeltelijke geheugenverlies
Retrograde amnesie
Het ongeval heeft toegang tot opgeslagen herinneringen onmogelijk gemaakt.
Anterograde amnesie
Ongeval leidt tot problemen om nieuwe informatie te blijven onthouden
Kinderamnesie
Lichte vorm van retrograde amnesie (geen directe herinneringen aan gebeurtenissen in de periode voor we drie a vier jaar oud waren)
Syndroom van korsakoff
Vaak bij alcholoci. Redeneren nog accuraat maar vergeten wat er ene paar minuten geleden is gebeurt
Organische amnesie
Geheugenverlies ten gevolge van specifieke schade aan de hersenen
Functionele amnesie
Schade aan hersenen/ geheugen door biologische processen/ psychologische factoren ten gevolge van stresserende omstandigheden die geen sporen nalaten
Impliciete geheugen
Deel van het geheugen dat herinneringen opslaat zonder dat men zich ervan bewust is en zinder dat men bewust die herinneringen kan ophalen
Distinctie
Een oproepingseffect is effectief als die slecht aan één herinnering is gekoppeld
Codeer specifiek
In een bepaalde context is iets beter te onthouden