1/29
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van psychische stoornissen bij kinderen en adolescenten, inclusief prevalentie, neurobiologische modellen, DSM-5 criteria voor ASS en ADHD, en genetische syndromen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Eerste 1001 dagen
De periode van conceptie tot de leeftijd van 2 jaar, die cruciaal wordt geacht voor een gezonde biologische, medische en maatschappelijke ontwikkeling.
Hechtingstheorie (John Bowlby)
Een theorie die stelt dat de moeder een veilige basis biedt van waaruit het kind de wereld kan verkennen en veiligheid biedt wanneer dat nodig is.
Window of Tolerance (Spanningraam)
Een concept van Dr. Dan Siegel (1999) dat het optimale spanningsgebied beschrijft waarin gevoelens en reacties beheersbaar zijn zonder het denken te hinderen.
Hyper-arousal
Een toestand van overprikkeling waarbij men symptomen vertoont zoals paniek, impulsiviteit, overalertheid, woede en vecht- of vluchtreacties.
Hypo-arousal
Een toestand van onderprikkeling waarbij men zich afgestompt, lusteloos, gevoelloos of emotioneel uitgeschakeld voelt (bevriezen).
Left Cradling Bias
De neiging van moeders om hun baby links vast te houden; een zwakkere bias is negatief gerelateerd aan depressiescores en positief aan empathiescores.
Neurodiversiteit
Een visie die autisme ziet als een verschil in plaats van een stoornis en autistische mensen erkent als experts van hun eigen ervaring.
De Triade van Lorna Wing
Een spectrummodel voor autisme bestaande uit stoornissen in sociale wederkerigheid, communicatie en taal, en een beperking in inbeeldingsvermogen/repetitief gedrag.
Prevalentie van Autisme
Ongeveer 1% van de populatie, met een verhouding tussen jongens en meisjes van 4:1.
DSM-5 criterium A voor ASS
Persisterende deficiënties in sociale communicatie en sociale interactie in uiteenlopende situaties.
DSM-5 criterium B voor ASS
Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten, zoals stereotiepe bewegingen of hyper-reactiviteit op zintuiglijke prikkels.
Intellectueel functioneren (DSM-5)
Beperkingen in redeneren, probleemoplossing, planning en abstract denken die beginnen in de ontwikkelingsperiode.
Adaptief functioneren
Het vermogen om te functioneren in drie domeinen: conceptueel (geheugen, taal), sociaal (empathie, communicatie) en praktisch (zelfzorg, geldbeheer).
Lichte verstandelijke beperking
Gekenmerkt door een IQ-bereik van 50 tot 70, waarbij cliënten vaak praktische vaardigheden kunnen leren tot het niveau van groep 5 tot 8.
Syndroom van Down
Ook bekend als trisomie 21; kenmerken zijn amandelvormige ogen, Brushfield-vlekjes, vlakke neusbrug en een lage spierspanning.
Prader-Willi Syndroom
Veroorzaakt door het ontbreken van vaderlijk DNA op chromosoom 15, gekenmerkt door obsessieve focus op voedsel, koppigheid en hypotonie.
Angelman Syndroom
Veroorzaakt door het ontbreken van moederlijk DNA op chromosoom 15, gekenmerkt door een extreem vrolijk voorkomen, hyperactiviteit en ataxie.
Dyslexie
Een specifieke leerstoornis met beperkingen in het accuraat en vloeiend lezen van woorden en spellingsproblemen.
Dyscalculie
Een specifieke leerstoornis gekenmerkt door problemen met getallenbegrip, rekenvaardigheden en wiskundig redeneren.
Concentratiestoornis (ADHD)
Gedaalde selectieve en volgehouden concentratie, waarbij iemand alles ziet en hoort zonder selectie en moeite heeft met bekende taken.
Impulsiviteit (ADHD)
Snel reageren zonder na te denken, niet op een beurt kunnen wachten en kiezen voor onmiddellijke beloning.
Multiple Pathway Model (Sonuga-Barke)
Een model dat stelt dat ADHD heterogeen is en verklaard wordt door meerdere routes: executieve functies, beloningsgevoeligheid en timingproblemen.
Default-netwerk bij ADHD
Hersennetwerk geassocieerd met 'mindwandering' dat bij personen met ADHD méér actief is en de omschakeling naar een taak bemoeilijkt.
Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD)
Een patroon van boze/prikkelbare stemming en argumentatief/uitdagend gedrag gedurende minstens 6maanden.
Normoverschrijdend-gedragsstoornis (Conduct Disorder)
Gedrag waarbij fundamentele rechten van anderen of sociale normen worden overtreden, zoals agressie, vernieling of diefstal.
Life course persistent antisociaal gedrag
Antisociaal gedrag dat start in de kindertijd (vroege starters) en gedurende de gehele levensloop toeneemt of aanhoudt.
HPA-As
De Hypothalamus-Hypofyse-Bijnier-as die tijdens traumatische stress cortisol vrijgeeft als fysiologische reactie.
Separatieangststoornis
Extreme, langdurige angst voor scheiding van een hechtingsfiguur, vaker voorkomend bij meisjes (4% tot 5% prevalentie).
Enuresis
Onvrijwillige urinelozing of bedplassen bij kinderen ouder dan 5jaar zonder somatische oorzaak.
Encopresis
Onvrijwillige uitscheiding van ontlasting op ongepaste plaatsen bij kinderen ouder dan 4jaar zonder somatische oorzaak.