1/45
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van dementie (vormen en symptomen), opvoedingsstijlen, welbevinden, identiteit, diversiteit en professionele reflectiemethoden.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Dementie
Een stoornis in de hersenen die wijst op een achteruitgang van het geestelijk functioneren van het verstand.
Ouderdomsvergeetachtigheid
Een toestand waarbij iemand details vergeet maar zich bewust is van de vergeetachtigheid, nog nieuwe vaardigheden kan aanleren (trager) en zelfstandig kan leven.
Prevalentie van dementie
Dementie komt voor bij 5 tot 7% van de 65-plussers.
Ziekte van Alzheimer
Een vorm van dementie waarbij ophopingen van een bepaald eiwit in de zenuwcellen de hersenverbindingen aantasten, met geheugenverlies als vaak eerste symptoom.
Vasculaire dementie
Een vorm van dementie waarbij de patiënt vaak een voorgeschiedenis heeft van hart- en vaatklachten.
Frontotemporale dementie
Een vorm van dementie waarbij vooral het voorste deel van de hersenkwab beschadigd is, vaak voorkomend op jonge leeftijd.
Lewy body dementie
Een vorm van dementie waarbij al vroeg visuele hallucinaties en verschijnselen van de ziekte van Parkinson optreden.
Afasie
Een ernstige taalstoornis waarbij men moeilijk op woorden komt of moeite heeft met het begrijpen van taal.
Agnosie
Moeite met het herkennen van voorwerpen, geluiden of beelden; niet meer weten waarvoor iets dient.
Apraxie
Het fysiek niet meer kunnen uitvoeren van bepaalde handelingen, ondanks dat men weet wat het voorwerp is.
Perseveren
Het continu herhalen van hetzelfde, zoals steeds dezelfde zin zeggen.
Confabuleren
Het gebruiken van fantasieverhalen om de 'lege' plekken in het geheugen op te vullen.
Achterdocht
Het wantrouwen van mensen, bijvoorbeeld beweren dat een verpleegkundige iets gestolen heeft dat men zelf verloren heeft gelegd.
Decorumverlies
Het wegvallen van het besef van fatsoen en een verminderde interesse in het uiterlijk.
Fase 1: het bedreigde ik
De fase waarin de persoon weet dat hij dingen vergeet, dit ontkent en zich hierdoor angstig, onzeker en bedreigd voelt.
Fase 2: het verdwaalde ik
De fase waarin de persoon letterlijk en figuurlijk de weg kwijt is en zich moeilijk kan oriënteren in tijd, ruimte en personen.
Fase 3: het verzonken ik
De fase waarin de persoon zich terugtrekt in de eigen wereld, minder reageert op de omgeving en hulp nodig heeft bij dagelijkse activiteiten.
Snoezelen
Een vorm van ontspanning in een rustgevende omgeving waarbij zintuigen doelgericht worden geprikkeld.
Reminiscentie
Het oproepen van vroegere levensgebeurtenissen bij een oudere met dementie.
Welbevinden
Hoe goed iemand in zijn vel zit op fysiek, spiritueel, mentaal en sociaal vlak.
Betrokkenheid
De mate waarin iemand erbij hoort, deelneemt aan iets en geconcentreerd of gefocust bezig is.
Basisbehoeften
Fysieke zaken (eten, drinken, veiligheid) en psychologische behoeften zoals liefde, autonomie, erkenning en verbondenheid.
Autonomie (Zelfbeschikkingsrecht)
Het recht om zelfstandig keuzes te maken en beslissingen te nemen in het leven.
Opvoedingsstijlen
De manieren waarop ouders hun kinderen begeleiden, ondersteunen en grenzen stellen wat betreft discipline en warmte.
Autoritaire opvoedingsstijl
Een strenge stijl met veel regels, weinig overleg, nadruk op straf en weinig warmte.
Permissieve opvoedingsstijl
Een stijl met veel vrijheid, weinig regels of grenzen, gericht op het geluk van het kind maar zonder structuur.
Democratische opvoedingsstijl
Een stijl met duidelijke regels en grenzen gecombineerd met uitleg, overleg, respect en warmte.
Onverschillige tot verwaarlozende opvoedingsstijl
Een stijl met weinig betrokkenheid, nauwelijks regels en emotionele afwezigheid van de ouders.
Opvoedingsvisie
De manier waarop ouders denken over opvoeden en wat ze belangrijk vinden voor de toekomst van hun kind.
Opvoedingsmilieu
De omgeving waarin een kind opgroeit, inclusief de fysieke omgeving (huis, school) en de sociale relaties.
Micro opvoedingsmilieu
De directe omgeving waarin een kind dagelijks interactie heeft.
Osteoporose
Botontkalking, een fysiek verschijnsel dat vaker voorkomt bij volwassenen van middelbare leeftijd (40 tot 65 jaar).
Identiteit
Wie jij bent als persoon, bestaande uit unieke kenmerken, talenten, waarden en karaktereigenschappen.
Nature
Aangeboren eigenschappen zoals genetische factoren en fysieke kenmerken.
Nurture
Omgevingsfactoren zoals opvoeding, onderwijs en sociale ervaringen die iemands identiteit bepalen.
Kruispuntdenken
Een manier van kijken naar mensen waarbij we beseffen dat iedereen uit meerdere kenmerken tegelijk bestaat.
Superdiversiteit
Een situatie waarin heel veel verschillende mensen met een grote variatie aan achtergronden samenleven.
Vooroordeel
Een mening over iemand of een groep mensen nog voor je die persoon echt kent.
Discriminatie
Het oneerlijk behandelen van iemand op basis van wie die persoon is in plaats van wat die persoon doet.
Stereotype
Een vaststaand en overdreven beeld van een bepaalde groep mensen.
Reflecteren
Het bewust nadenken over handelingen en gevoelens om te groeien in het leerproces.
STARR-model
Een model dat gebruikt wordt om te reflecteren over de aanpak van situaties en toekomstige verbeteringen.
Groei mindset
De overtuiging dat men kan leren, verbeteren en groeien door inzet.
Fixed mindset
De overtuiging dat talenten en kwaliteiten vaststaan en niet veranderd kunnen worden.
Functioneringsgesprek
Een open gesprek tussen werknemer en leidinggevende om het werk en de werksfeer te verbeteren zonder direct oordeel.
Evaluatiegesprek
Een gesprek waarin wordt teruggeblikt op een periode en feedback wordt gegeven om te beslissen of iemand geslaagd is.