De sterke werkwoorden - Nederlands

0.0(0)
Studied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/101

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 11:41 AM on 5/26/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

102 Terms

1
New cards

pluizen

ploos (of: pluisde) - geplozen (of: gepluisd)

2
New cards

prijzen (= eren)

prees - geprezen

3
New cards

prijzen (= prijsetiketten opkleven)

prijsde - geprijsd

4
New cards

raden

raadde (of: ried) - geraden

5
New cards

rieken

rook - geroken

6
New cards

rijden

reed - gereden

7
New cards

rijten

reet - gereten

8
New cards

rijzen

rees - gerezen

9
New cards

roepen

riep - geroepen

10
New cards

ruiken

rook - geroken

11
New cards

scheiden

scheidde - gescheiden

12
New cards

schelden

schold - gescholden

13
New cards

schenden

schond - geschonden

14
New cards

schenken

schonk - geschonken

15
New cards

scheppen (= creëren, maken)

schiep - geschapen

16
New cards

scheppen (= oppakken met een schep)

schepte - geschept

17
New cards

scheren (= haren/takken verwijderen)

schoor - geschoren

18
New cards

scheren (= rakelings langsvliegen)

scheerde - gescheerd

19
New cards

schieten

schoot - geschoten

20
New cards

schrijven

schreef - geschreven

21
New cards

schrikken

schrok - geschrokken

22
New cards

schuiven

schoof - geschoven

23
New cards

slaan

sloeg - geslagen

24
New cards

slapen

sliep - geslapen

25
New cards

slijpen

sleep - geslepen

26
New cards

slijten

sleet - gesleten

27
New cards

slinken

slonk - geslonken

28
New cards

sluiten

sloot - gesloten

29
New cards

smelten

smolt - gesmolten

30
New cards

snijden

sneed - gesneden

31
New cards

snuiten

snoot - gesnoten

32
New cards

snuiven

snoof - gesnoven

33
New cards

spinnen (= een draad maken)

spon - gesponnen

34
New cards

spijten

speet - gespeten

35
New cards

splijten

spleet - gespleten

36
New cards

spreken

sprak - gesproken

37
New cards

springen

sprong - gesprongen

38
New cards

spugen

spuugde (of: spoog) - gespuugd (of: gespogen)

39
New cards

spuiten

spoot - gespoten

40
New cards

staan

stond - gestaan

41
New cards

sterven

stierf - gestorven

42
New cards

stijgen

steeg - gestegen

43
New cards

stinken

stonk - gestonken

44
New cards

stoten

stootte (of: stiet) - gestoten

45
New cards

strijden

streed - gestreden

46
New cards

strijken

streek - gestreken

47
New cards

stuiven

stoof - gestoven

48
New cards

terugvinden

vond terug - teruggevonden

49
New cards

treden

trad - getreden

50
New cards

treffen

trof - getroffen

51
New cards

trekken

trok - getrokken

52
New cards

uitblazen

blies uit - uitgeblazen

53
New cards

uittrekken

trok uit - uitgetrokken

54
New cards

uitvinden

vond uit - uitgevonden

55
New cards

uitzenden

zond uit - uitgezonden

56
New cards

vallen

viel - gevallen

57
New cards

vangen

ving - gevangen

58
New cards

varen

voer - gevaren

59
New cards

vechten

vocht - gevochten

60
New cards

verbieden

verbod - verboden

61
New cards

verbinden

verbond - verbonden

62
New cards

verblijven

verbleef - verbleven

63
New cards

verdenken

verdacht - verdacht

64
New cards

vergeten

vergat - vergeten

65
New cards

verheffen

verhief - verheven

66
New cards

verkiezen

verkoos - verkozen

67
New cards

verkopen

verkocht - verkocht

68
New cards

verliezen

verloor - verloren

69
New cards

vermijden

vermeed - vermeden

70
New cards

verraden

verraadde (of: verried) - verraden

71
New cards

verschuiven

verschoof - verschoven

72
New cards

verwijzen

verwees - verwezen

73
New cards

verzoeken

verzocht - verzocht

74
New cards

vinden

vond - gevonden

75
New cards

vlechten

vlocht - gevlochten

76
New cards

vliegen

vloog - gevlogen

77
New cards

voldoen

voldeed - voldaan

78
New cards

voorlezen

las voor - voorgelezen

79
New cards

vouwen

vouwde - gevouwen

80
New cards

vragen

vroeg - gevraagd

81
New cards

vreten

vrat - gevreten

82
New cards

vriezen

vroor - gevroren

83
New cards

vrijen

vrijde (of: vree) - gevrijd (of: gevreeën)

84
New cards

waaien

woei (of: waaide) - gewaaid

85
New cards

wassen

waste - gewassen

86
New cards

wegen

woog - gewogen

87
New cards

weglaten

liet weg - weggelaten

88
New cards

weglopen

liep weg - weggelopen

89
New cards

werpen

wierp - geworpen

90
New cards

werven

wierf - geworven

91
New cards

weten

wist - geweten

92
New cards

weven

weefde - geweven

93
New cards

wijken

week - geweken

94
New cards

wijzen

wees - gewezen

95
New cards

willen

wou (of: wilde) - gewild

96
New cards

worden

werd - geworden

97
New cards

wreken

wreekte - gewroken

98
New cards

wrijven

wreef - gewreven

99
New cards

wringen

wrong - gewrongen

100
New cards

zeggen

zei - gezegd