1/37
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
stofwisseling
gehaal aan chemische processen in een organisme
basale metabolisme
BMR
chemische energie
energie van atoombindingen
organische stoffen
C, H & O
C-H binding maken kost veel energie
NAD+ naar NADH & NADP+ naar NADPH
NAD+ → NADH (NADH,H+) + 2 e- + H+
NADP+ → NADPH (NADPH,H+)
ATP naar AMP

dissimilatie en assimilatie kleine schets

enzymen
substraat
enzym-substraatcomplex
actief centrum
elk een ander substraat & enzymwerking
atoombindingen worden verbroken en nieuwe gevormd (chemische reactie)
verlaagd de activeringsenergie
(apo-enzymen: co-enzym ( vitaminen) of co-factor (anorganisch))

optimum kromme
te hoge temperatuur/pH zorgt voor denaturatie. de structuur verandert irreversibly
apo-enzymen
enzymen hebben een co-enzym (vitaminen) of co-factor (anorganisch) nodig om efficient te kunnen werken.

ATP-ase
substraat en co-enzym
transporteert ionen met de energie uit de omzetting van ATP in ADP en fosfaat
als H+ ionen via ATP-ase naar binnen stromen komt er juist energie beschikbaar die energie is voor synthese ATP
activator
binding van bepaalde stoffen beinvloedt de enzymactiviteit, de ruimtelijke structuur en de chemische eigenschappen veranderen
hogere enzymactiviteit; hormonen, geneesmiddelen
remstoffen
binding van bepaalde stoffen beinvloedt de enzymactiviteit, de ruimtelijke structuur en de chemische eigenschappen veranderen
verlagen de enzymactiviteit, lood & cadmium
reactieketen
opeenvolgende reacties leidt tot een eindproduct
chloroplast
chloroplast → granum → thylakoiden (die muntjes)
lichtreacties
op het membraan van thylakoiden
2 typen chlorofyl
elektronen acceptoren en enzymen voor elektronentransport
PSII: H2O → 2H+ (naar lumen) + 1/2O 2 (diffundeert naar stroma, huidmondjes scheiden het deels uit, de rest voor verbranding in mitochondrieen)
enzymen gebruiken 2e- om extra H+ vanuit stroma naar lumen te transporteren.
Daarna worden de 2e- via elektronentransportketen doorgegeven aan PSI
PSI: maakt elektronen energierijk met behulp van lichtenergie
NADP+ neemt 2e- van NADP-reductase + H+ → NADPH
NADPH brengt 2e- en H+ naar calvin cyclus
een ophoping van H+ in lumen zorgt voor een elektrische spanning, diffundatie via ATP-synthase. ATP-synthase zet ADP → ATP om door energie van H+
donkerreacties
niet lichtafhankelijk
in het stroma
glucose wordt gevormd uit CO2, NADPH en H+ met behulp van energie
chemosynthese
organismen gebruiken energie die vrijkomt van oxidatie anorganische stof, deze energie wordt tijdelijk opgeslagen in ATP
met behulp van energie in ATP en waterstofdonor (stof met H+)
wordt CO2 omgezet in glucose
nitraat en nitriet bacterien
zwavelbacterien
koolhydraten
bouwstof, brandstof, reservestof.
sachariden: mono, di, tri, polysachariden
monosachariden: glucose (oplosbaar want -OH groep, dus kan ketens en ringen vormen)
5/6 C-atomen
disachariden: uit 2 ringen monosachariden → disachardie + H2O
polysacharide: door polymerisatie een lange keten van monosachariden
zetmeel: (reservestof) chloroplast en amyloplasten, slecht oplosbaar door grootte
glycogeen (reservestof): lever en spieren, veel vertakkingen
cellulose: stevige binding → stevige celwand
eiwitten
proteinen: polymeren van aminozuren
aminogroep
carboxylgroep
waterstof
restatoom
planten: bouwen eiwitten uit glucose & stofstofhoudende ionen
dieren: kunnen geen aminozuren bouwen uit glucose
essentiele aminozuren: niet zelf te maken, dus uit voedsel
niet-essentiele aminozuren: aminozuren zelf maken door andere amiozurenketens
eiwit-synthese van een dipeptide
carboxylgroep (COOH) + aminogroep (NH2) = peptidebinding + H2O
bepalen van structuur eiwit
primair
type & volgorde aminozuren
secundair (alfa-helix)
binding met hoek zorgt voor spiraalvorm
teritiaire
waterstof & zwavelbruggen
quaternaire
manier waarop meerdere polypeptideketens een eiwit vormen → bepalend voor de functie van een eiwit
vetten
lipiden
bouwstof, brandstof, reservestof
warrmte-isolerend
makend deel uit van: vitamines, cholesterol, hormonen
triglyceriden
veel lipiden zijn triglyceriden: 3 vetzuren aan glycerol
vetzuur (hydrofoob): CH2 groepen + COOH
verzadigde vetten
maximaal aantal H atomen
slechte dikke vetten
onverzadigde vetten
knik in ruimtelijke vorm
goede vetten
laag kookpunt
fosfolipiden
1 vetzuur vervangen door een fosfaatgroep
hydrofiele kop, hydrofiele staart
aerobe dissimilatie in 4 stappen met reactievergelijking (binas 68A)
glycolyse
fosfolyering (energie''verlies''): 2 ATP wordt ingeleverd → 2 ADP
de P wordt vastgemaakt aan molecuul
energiewinst:
uit 1 fructose-,1,6-difosfaat worden 2 glyceralhyde-3-fosfaat gemaakt.
per gylceralhyde-3-fosfaat wordt:
(NAD+ + 2e- + 2H+ → NADH2) x2
fosfaat wordt afgekoppeld om weer ATP te maken in 2 stappen"
je hebt pyrodruivenzuur!
in de matrix (mitochondrieen)
( pyrodruivenzuur + co-enzym A → acetyl-co-enzym A + NADH2 ) x2
citroenzuurcyclus
oxaalazijnzuur + actyl-coA → citroenzuur + HS-COA
(2 x NAD + 3x H+ =3x NADH2) x2
(1x FAD + 1 H → 3x FADH2) x2
(1x ADP + 1 P → 1x ATP) x2
oxidatieve fosforylering
elektronen uit NADH2 en FADH2 worden doorgegeven aan elektronenacceptoren
per H+ = 1 ATP
citroenzuurcyclus
citroenzuurcyclus
oxaalazijnzuur + actyl-coA → citroenzuur + HS-COA
(2 x NAD + 3x H+ =3x NADH2) x2
(1x FAD + 1 H → 3x FADH2) x2
(1x ADP + 1 P → 1x ATP) x2
glycolyse
glucose wordt omgezet in 2 moleculen pyrodruivenzuur
glycolyse
fosfolyering (energie''verlies''): 2 ATP wordt ingeleverd → 2 ADP
de P wordt vastgemaakt aan molecuul
energiewinst:
uit 1 fructose-,1,6-difosfaat worden 2 glyceralhyde-3-fosfaat gemaakt.
per gylceralhyde-3-fosfaat wordt:
(NAD+ + 2e- + 2H+ → NADH2) x2
fosfaat wordt afgekoppeld om weer ATP te maken in 2 stappen"
je hebt pyrodruivenzuur!
oxidatieve fosforylering
oxidatieve fosforylering
elektronen uit NADH2 en FADH2 worden doorgegeven aan elektronenacceptoren
per H+ = 1 ATP
anaerobe dissimiliatie
minder ATP
gisting of fermentatie
C6H12O6 → 2 C2H6O +2 CO2 + 2 ATP
melkzuurgisting
oxidatieve fosforylering is gestagneert, weinig ATP dus meer verbranding van glucose voor zelfde energie
in spieren dus (lactic acid)
NAD+ neemt waterstofatomen op,
melkzuur → lever → O2 + ATP → glucose
spieren kunnen ook verzuren: ATP → ADP + H2PO4 (geen goede verbranding)
wat gebeurt er in de maag van koeien op fermentatieniveau
fermentatie → H
H → (door bacterien) → CH4 (methaan)
aerobe dissimilatie van koolhydraten
koolhydraten worden eerst omgezet in monosachariden voordat ze kunnen worden gedissimlieerd
aerobe dissimilatie van eiwitten
eiwitten worden gesplitst in aminozuren
van de aminozuren wordt de aminogroep afgesplitst → urinezuur/ureum → uitshceiding (kan ook zwavel ontstaan)
de rest: omgezet in pyrodruivenzuur, acetylcoA of andere stof citroenzuurcyclus
aerobe dissimilatie van vetten
vetten worden eerst afgesplitst in glycerol en vetzuren
glycerol kan in cellen worden omgezet in pyrodruivenzuur
glycerol kan ook worden omgezet in glucose → glycogeen
vertzuren worden afgesplitst in de vorm van C2-moleculen → acetyl-coA
Veel C-H bindingen - energierijk